Plots van anderen

‘We gingen in de vakanties naar Frankrijk en we lazen Rimbaud op een camping met een zwembadje voor de kinderen. Ook daar zat poëzie in. Maar kleine poëzie.’

De uitspraak van Arthur Rimbaud ‘Ik is een ander’ speelde voor ons een grote rol.

Van zijn gedichten begrepen we niets, maar we kenden ze wel; het was ons ook meer te doen om zijn biografie.

Het ‘ik’ van Rimbaud was soms een ander; hij was én een gevoelige dichter én een woedende alcoholicus, niet bang om naar de wapens te grijpen.

Toen Gerard Reve sprak over ‘bekentenisliteratuur’ viel voor ons alles op z’n plaats. Van je eigen biografie literatuur maken, geholpen door ‘Ik is een ander.’ Het bood ruimte. Reve ging ons voor. Literatuur kon zonder plot – dat was voor thrillerschrijvers. Wij wilden ook decadent zijn, zwart-romantisch leven, de geest verruimen met alles wat mogelijk was en langzaam verdrinken in drugs en alcohol. Dan kwam de plot vanzelf, aangedikt door de literaire technieken die je kon gebruiken.

Die plots die kwamen er. De decadenten werden burgerlijk. We maakten meisjes zwanger. We konden het niet over ons hart verkrijgen die aan hun lot over te laten, dus we namen een baan met verantwoordelijkheid. We gingen in de vakanties naar Frankrijk en we lazen Rimbaud op een camping met een zwembadje voor de kinderen.

Ook daar zat poëzie in. Maar kleine poëzie.

Andere plots – of plots van anderen – waren: psychoses en zelfmoord.

Om ik een ander te laten zijn heb je moed nodig. Moed om a-sociaal te wezen, om in de steek te laten, om in te gaan tegen wat je door je ouders was geleerd.

Mij ontbrak het aan die moed.

Ik had thuis twee slachtoffers uit het Japanse kamp op een stoel zitten die, als de gordijnen dicht waren en niemand ze kon horen, de decadentie van een oorlog beleefden en die op hoge toon, omdat ze elkaar niet meer begrepen, tegen elkaar hetzelfde aan het schreeuwen waren.

Je kunt wel schilderen, muziek maken en dansen, maar wat als alleen de hond en de kat je publiek zijn?

Hun ik was vervormd als een portret van Bacon en de ander luisterde als het oor van Van Gogh.

In het existentialistencafé op de zolder van de middelbare school leerden we dat ‘de mens is wat hij van zichzelf maakt’. De existentie gaat vooraf aan de essentie. Ik geloof nog in die woorden, al zag ik iets over het hoofd.

Hoe weet je of wat je van jezelf maakt goed is?

Hoe weet je dat alles niet een verschrikkelijke vergissing is? Een totale mislukking? Natuurlijk, Sartre leerde je leven met de zinloosheid van het bestaan, maar hoe werkt dat precies in de praktijk? Je kunt wel schrijven, schilderen, muziek maken en dansen, maar wat als alleen de hond en de kat je publiek zijn?

Ik weet dat ik kan meebuigen met het riet, maar ik zou dat verraad vinden.

Verraad waaraan?

Dat is vreemd: dat moet ik opzoeken. Ik bedoel: je hebt bepaalde inzichten verworven, je hebt met moeite een zekere attitude weten te bemachtigen en daar wil je geen afstand van doen. Ik is een ander; die ander en die ik bijten in elkaars staart en als je ze uit elkaar trekt is het toch één slang, met aan beide uiteinden een kop en een staart.

Het is, als ik dit schrijf, half vier in de nacht.

Naast m’n computer staat een glas rode wijn.

Ik wil geen verraad plegen. Waarom vind ik dat zo erg? Juist als je verraad pleegt is die ik een ander, maar absoluut niet degene die je wilt zijn, die je van je zelf maakt; hij is het ego dat zich voedt met het gif van de ontrouw. Ik zou dat ego best willen voeden, maar ik kan het domweg niet. Er zit te veel in de weg.

Mijn vingers glijden over het toetsenbord. Het wordt een verhaal met een plot: over oorlog, een aanslag, angst, verlies, dood. Die ik is echt een ander geworden.