Israël: de kinderen van 1973

‘Plotseling werd er niet meer gepraat’

Op 4 november is het twintig jaar geleden dat Yitzhak Rabin werd vermoord – voor de generatie die in 1973 werd geboren een bepalend moment. ‘Voor ons was de vraag: waar gaan we voor sterven?’

Medium ur003455

Nachum werd geboren op 1 januari 1973 in Kiriat Arba, een van de eerste nederzettingen aan de randen van Hebron. Het is een ideologische nederzetting, gebaseerd op de profetie van de terugkeer van de joden uit hun ballingschap. Nachum was een van de eerste kinderen die er geboren werden. ‘Mijn moeder was een overlevende van de holocaust. Mijn ouders behoorden tot de eerste honderd gezinnen die naar deze plek zijn gekomen. Hun kinderen waren de vervulling van de profetie, de eerste zonen van het beloofde land.’

Toen ik het met Nachum had over ons geboortejaar antwoordde hij direct: ‘Het is een speciaal jaar, 1973. Ze hebben zelfs een lied over ons geschreven. Het is een soort volkslied.’

Wij zijn de kinderen van de winter van 1973

We werden geboren in een gewond, bedroefd land

1973

Jullie keken naar ons en knuffelden ons en probeerden troost te vinden

Toen we geboren werden keken de ouderen naar ons met tranen in hun ogen

En wensten dat we nooit in het leger zouden gaan

Jullie beloofden ons een duif

Beloofden een olijftak

Beloofden vrede

Beloofden voorjaarsbloemen

Beloofden de beloften te vervullen

 

Beloofden een duif

Ik werd ook in 1973 geboren. De familie van mijn moeder kwam uit Jemen en die van mijn vader uit Syrië. Ik ben wat ze een Mizrachi-jood noemen, een jood ‘uit het Oosten’. Mijn ouders behoorden tot de eerste generatie vluchtelingen en immigranten uit vijandige Arabische landen. Mijn grootvader, zo gaat het verhaal, viel op zijn knieën en kuste de grond bij aankomst in Israël.

Jom Kippoer (Grote Verzoendag), najaar 1973. In het dorp van mijn grootouders vastte iedereen. De straten waren leeg, alles was dicht. Mijn grootvader, de rabbijn van het dorp, droeg witte kleding, zoals de traditie voorschrijft, toen hij naar de kleine synagoge ging. Rond het middaguur werd de stilte plotseling verbroken door sirenes. Israël werd aangevallen door de legers van Egypte en Syrië. Mijn moeder vertelt me nog steeds hoe ze met mij, haar eerstgeborene, naar de schuilkelders rende, en hoe zwak ze was van het vasten. En geschokt en doodsbang. In onze geschiedenisboeken won Israël de oorlog, die na drie weken ten einde kwam. ‘Toen deze oorlog eenmaal voorbij was’, herinnert mijn moeder zich, ‘was het land gewond en bedroefd.’ Velen voelden zich onveilig, het geloof in een superieur Israël in de regio lag in duigen.

Waffa werd geboren en groeide op in Kfar Kara, een Arabisch dorp in het noorden van Israël. Waffa is de achtste van elf kinderen: negen meisjes en twee jongens. ‘Mijn vader was speciaal: hij gaf me nooit het gevoel dat het minder was om een meisje te zijn. Hij leerde ons vertrouwen te hebben en vastberaden te zijn, wat bijzonder was voor de Arabische gemeenschap.’ Kfar Kara ligt in het groene, beboste en heuvelachtige Galilea, een regio die veel diepe kleuren biedt, evenals verkoeling – en een van de centra is van Palestijnen die in Israël wonen. Waffa’s familie heeft hier vele generaties lang gewoond. In 1949 hebben ze hun Israëlische staatsburgerschap gekregen.

1977

Tijdens de Jom Kippoer-oorlog vlogen er vliegtuigen laag over het dorp van Waffa. Net als iedereen waren ze verrast door het luchtalarm, maar voor Waffa en haar mededorpelingen waren er geen schuilkelders of bunkers. ‘We hadden een grote vijgenboom met brede takken en bladeren die bijna de grond raakten. Daar vonden we een schuilplaats onder. Kun je het je voorstellen? Toen ik opgroeide, was oorlog iets wat van een veraf gelegen, andere plek kwam.’

De Egyptische president Anwar Sadat kwam in 1977 op bezoek, wat te volgen was op onze zwart-wittelevisie. Het hele gezin zag steeds weer de beelden van hem, zwaaiend naar de enthousiaste menigte op de luchthaven Ben-Gurion. Opwinding alom. Hoop. De volgende dag zongen we vredesliedjes en knipten we witte papieren duiven uit. Kippi Ben Kippod (van de Israëlische versie van Sesamstraat) zong op de televisie: ‘Het is een heel fijne wereld met joodse, Arabische en Engelssprekende kinderen…’ We waren allemaal Israëliërs, we waren allemaal immigranten.

Een jaar later, toen de vrede met Egypte was gesloten, verhuisde het gezin van Nachum van Kiriat Arba naar Beit El, een andere nederzetting op de Westoever. Daar speelde Nachum met naburige Palestijnse kinderen. Dicht bij de nederzetting lagen een Palestijns dorp, Dura el Kara, en het vluchtelingenkamp Gilazun. Alle kinderen kwamen onder de nederzetting bij elkaar om te spelen op een open veld, dat werd gebruikt om te voetballen. Met zijn moeder bezocht Nachum iedere week de bruisende markten van Ramallah, ze stopt

Medium dsc02328

en om te tanken in het midden van de stad, en in een naburig dorp kochten ze een geit. In de hitte van augustus omvatte het programma van het zomerkamp een dagelijkse zwempartij in het openbare zwembad – samen met alle plaatselijke kinderen.

Waffa vertelt soortgelijke verhalen over haar kindertijd. Ze herinnert zich vrijheid, beweging, uitwisseling van mensen. Mensen uit Gaza die het land afreisden om hun goederen in de dorpen te verkopen. Haar vader had veel joodse vrienden. Met zijn trekker en aanhanger nam hij alle kinderen uit het dorp mee voor een avontuurlijk ritje buiten het dorp, en reed hij door alle steden en dorpen, inclusief de joodse. ‘De scheiding die we vandaag de dag kennen bestond nog niet’, herinnert Waffa zich, ‘maar we konden wel zien dat de joodse dorpen er beter uitzagen, beter ontwikkeld waren. We zagen groen gras, mooie huizen, en stille, schone straten. Die waren joods. Hoewel de grenzen vager waren, hadden we altijd het gevoel dat we minder hadden.’

Het dorp van mijn grootouders, vol Jemenieten, bevond zich vlak bij de luchthaven Ben-Gurion, net vóór de zogenoemde groene lijn, de demarcatielijn die in 1949 na de Arabisch-Israëlische oorlog werd getrokken. Het dorp ademde de Arabische cultuur van mijn grootouders – de taal, de manier van kleden, het voedsel. Ik herinner me vooral de geur. Mijn grootmoeder sprak destijds vooral Jemenitisch. Officieren van het immigratiekantoor klopten op haar deur en eisten dat ze Hebreeuws sprak. De Israëlische autoriteiten deden feitelijk alles wat ze konden om af te komen van Arabische achtergronden zoals die van mijn familie, om een nieuwe Israëlische identiteit te creëren, een nieuwe solidariteit.

Vandaag de dag heeft Waffa een kantoor in Kfar Ara, in het noorden. Het kantoor fungeert als steun- en trainingscentrum voor Arabisch-Israëlische vrouwen. Openbaar vervoer dat je helemaal tot in Kfar Ara brengt is moeilijk te vinden. Waffa denkt dat er driemaal per dag een bus is, maar niet van onze belangrijkste busmaatschappij, dus het is moeilijk om de tijdschema’s op je telefoon te vinden. De bus naar Sde Boaz, een illegale buitenpost waar Nachum deze dagen woont, stopt driemaal per uur achter het Centraal Station van Jeruzalem. Deze bus is comfortabel, kogelvrij en airconditioned. Als hij Jeruzalem verlaat en Bethlehem nadert, gaat hij een tunnel in. Jonge vrouwen met kleurrijke haarbanden, orthodox en modieus, giechelen achterin. Na de lange donkere tunnel komt de groene bus plotseling te voorschijn aan de andere kant van de berg. We hebben geen enkel huis van Bethlehem gezien, niet eens een inwoner.

 

Nachum zegt dat zij, de eerste kinderen, werden beschouwd als het begin van de verlossing. ‘Ken je dat woord? Het betekent dat de Messias binnen een seconde zal komen en dat er vrede op aarde zal zijn en dat alles goed zal zijn – en dat het grondgebied van groot-Israël weer één zal zijn. Er werd tegen ons gezegd: jullie zijn hier de vervulling van. Het is een krachtige opvoeding geweest, bijna psychedelisch, om onze ouders zo overtuigd te zien, met ogen die straalden van de spiritualiteit en het geloof. Nu denk ik dat deze manier van opvoeden een grote vaagheid heeft teweeggebracht, die zorgde voor een vertroebelde blik op de werkelijkheid. Die vaagheid was zo groot dat we eigenlijk niet hebben gezien wat er werkelijk gebeurde, dat er hier ook andere mensen waren.’

De Eerste Intifada kwam uit het niets. Dat is hoe ik het voelde. We waren vijftien jaar. Hoewel we allemaal herhaaldelijk de heroïsche en bloedige geschiedenis van ons land hadden gehoord, waren we geschokt door de beelden van rellen en van mensen die gewelddadig tegen Israël, tegen ons, protesteerden. De jonge Nachum begreep niet waarom: ‘Waarom zouden ze zo gewelddadig zijn? Wat willen ze?’ Veel connecties en vriendschappen met Arabische Israëliërs begonnen minder te worden. Mensen hielden op met naar hun werk te gaan, veel kolonisten hielden op spullen van de Arabieren te kopen. ‘Kijk naar die malle tunnel onder Bethlehem, waar je vandaag doorheen bent gereden’, zegt Nachum. ‘Hij is gebouwd om te garanderen dat er helemaal geen contact is. Niet eens op straat. Uiteindelijk is het een illusie van veiligheid: zij zullen niet weggaan en wij ook niet.’

De rellen van de Palestijnen veranderden in een voortdurende dreiging van geweld. Bommen in publieke ruimten, en later zelfmoordaanslagen in bussen en cafés. ‘Iedereen maakte zich zorgen over familie en vrienden, joden en Arabieren’, aldus Waffa. Vervolgens houdt ze op met praten en verontschuldigt ze zich voor haar Hebreeuws. Ze zoekt naar een woord. Dan zegt ze: ‘macht’. ‘Het was moeilijk om het bloedvergieten te zien, maar het gaf ook een gevoel van macht. Ik leefde in een maatschappij die me zou moeten ondersteunen, maar dat niet deed, dus ik had er genoeg van om me machteloos te voelen. Toch kon ik niets met het geluksgevoel dat mensen ontleenden aan het verkrijgen van macht door geweld. Het maakte me boos en verlegen, maar dat kon ik niet zeggen. Ik wist niet wat ik moest doen met mijn woede.’

Wat volgde op de aanvallen waren de tegenaanvallen van het Israëlische leger. Door toedoen van de intifada verliep de militarisering binnen in Israël – en op de Westoever en in de Gazastrook – razendsnel. Overal werden checkpoints van de politie ingericht, bij de toegangen tot drukke plekken, restaurants en winkelcentra. De segregatie nam toe, net als het wantrouwen jegens de Arabisch-Israëlische gemeenschap. Raciale profilering werd een probleem, ook voor Mizrachi-joden. We zagen er Arabisch uit, dus we werden eruit gepikt bij veel checkpoints. We moesten onze stem verheffen in het Hebreeuws om onszelf als joden te identificeren.

1987

Bij Waffa thuis werd niet veel over de intifada gepraat. De kinderen keken stiekem naar het nieuws, achter de ruggen van de ouderen. Maar meedoen was volstrekt niet aan de orde. De Israëlische Arabieren deden niet mee aan de Eerste Intifada. ‘Je zou de mond worden gesnoerd als je het ook maar te berde bracht, je zou gewaarschuwd worden dat zulke ideeën je burgerlijke en academische toekomst in Israël in gevaar zouden kunnen brengen.’ Vandaag de dag is er veel meer dialoog, omdat er informatie beschikbaar is op internet of via Facebook. ‘Destijds’, zegt Waffa, ‘was het alleen vader, het woord in het dorp, en het nieuws op televisie.’

Ik zat vast aan mijn Mizrachi-familieverhaal, maar begreep al snel dat we, om te kunnen integreren en Israëliër te worden, al onze Arabische eigenschappen moesten afzweren. Mijn eerste stap naar buiten toe – en het begin van mijn (politieke) heropvoeding – was mijn lidmaatschap van de socialistische jeugdbeweging toen ik een tiener was. We waren verwikkeld in de strijd van de voorverkiezingen, waarin Shimon Peres verloor van Yitzhak Rabin. Rabin was een havik en zijn ‘ijzeren vuist’-beleid tegenover de Palestijnen was oorzaak van de opstanden en de Eerste Intifada. Rabin was een man van het leger, een generaal. Heel hard, en destijds zeker geen man van de vrede. Mijn vrienden en ik steunden hem niet. In onze traditionele blauwe arbeidershemden met rode omzoming marcheerden we op straat en begonnen we vredesdemonstraties bij te wonen op het centrale plein.

Vervolgens verhuisde ik naar Tel Aviv om naar de kunstschool te gaan. Tegen alle verwachtingen in, want mijn mentor op de middelbare school had me gewaarschuwd het niet te doen: mensen zoals ik, lees: een Mizrachi-jood uit een kleine voorstad, zouden geen enkele kans maken. Een nieuwe wereld opende zich: progressiever en intellectueler, maar ook blanker.

Ondanks de Eerste Intifada, het geweld, de onderdrukking en Rabins compromisloze beleid herinner ik me duidelijk dat ik hoop voelde. Mijn idyllische voorstelling van mijn land bleef intact. Ik werd geleid door patriottisme en de wetenschap dat het conflict ons was opgedrongen. Ik bewonderde ons democratische systeem, dat ons toestond onze stem te verheffen in jeugdige en energieke bijeenkomsten buiten de stad, waar we vervuld werden van het geloof dat we de vrede konden bewerkstelligen en sociale verandering teweeg konden brengen.

Nachum zegt dat het veiligheidsgevoel van de kolonisten destijds ernstig ondermijnd was. ‘Ons vertrouwen in onze regering was geschaad. We eisten meer veiligheid en meer macht om ons te verdedigen en onze nederzettingen te blijven ontwikkelen.’ Wat precies is wat er gebeurde: meer militairen en meer bescherming, wat tot een nog grotere isolatie en een nog grotere scheiding leidde.

We werden allemaal opgeroepen voor het leger, behalve Waffa. ‘Ik heb het altijd al geweten zonder dat ik het hoefde te vragen. Hoe kon ik ook in het leger gaan en tegen Arabische broederlanden vechten?’ Waffa stemde ermee in om te trouwen toen ze besefte dat er geen geld voor haar was om te studeren. Zij en haar echtgenoot woonden – en doen dat nog steeds – boven haar conservatieve schoonouders. ‘Ik droomde er nog steeds van een baan te hebben, maar ik mocht niet werken of studeren. Ik was een vrouw en geen meisje meer, en ze wilden niet dat ik ze zou beschamen. Ik werd als het water: stil als de golven, zwak en sterk tegelijk.’

Nachum ging in 1992 het leger in. Hij werd na intensieve trainingen aangewezen voor de elitestrijdkrachten van de Israel Defense Forces. Maar toen zorgden persoonlijke omstandigheden ervoor dat hij zijn eenheid moest verlaten. Tijdens de trainingen ontmoette Nachum mijn goede vriend Orki uit Beeri, een kibboets in het zuiden. Orki werd in dezelfde tijd opgeroepen.

‘Ik deed wat van me verwacht werd’, zegt Orki. ‘Het ging mij er niet om een krijger te zijn, ik wilde alleen maar de beste zijn. Ze zeiden altijd tegen me dat ik potentieel had, dus het leger was mijn kans. Ik oefende, ik rende door de velden bijna helemaal tot aan Gaza en weer terug, en ik zwom. Ik zorgde ervoor in goede conditie te zijn. Ik was zeventien en sterk. Er school hier voor mij geen politiek statement in. Het was de uitdaging. Ik dacht er niet aan om mensen te doden. Gelukkig kan ik nu zeggen dat ik gewond raakte en eruit kon stappen.

 

Ik denk heel veel aan mijn kinderen en het leger. Ik praat er niet veel over, maar als ik dat doe, vertel ik ze dat het allemaal niet klopt. Ze zouden nooit krijgers mogen worden. Mijn moeder zei hetzelfde tegen mij, maar het heeft niet geholpen. Mijn vader zei nooit iets. Hij was een krijger, hij heeft gevochten in de Zesdaagse Oorlog. Hij praat er nooit over.’

Orki en ik rijden rond de kibboets. ‘Daar, zie je die toren achter die heuvels? Dat is Gaza. En zie je die rook? Dat is waar zij hun afval verbranden. Het is zo dichtbij dat je erheen kunt lopen. Ik denk dat het twee kilometer naar het hek is.’ Als we dichterbij komen, vraagt hij: ‘Zie je die drukkerij daar? Daar werk ik, ze kunnen me zien vanuit Gaza.’

In ons laatste jaar op de middelbare school werd de dienstplicht een terugkerend onderwerp in de gangen. We wilden niet zijn zoals die soldaten in het nieuws die tegen vrouwen en kinderen vochten. Dat was toen ik voor het eerst hoorde van de ‘brief van de afgestudeerden’ die aan de premier zou worden gericht, om de weigering bekend te maken om in de bezette gebieden te dienen. De boodschap was: we vechten niet tegen burgers.

De eerste generatie joodse pioniers had het land opgebouwd en ervoor gevochten. Ze moesten wel. Voor onze generatie was vechten een politiek besluit van regeringen. Voor ons was de vraag: waar gaan we voor sterven? Als er geen vredesproces is en er geen oplossingen aan de horizon zijn, sterven we voor het ten uitvoer leggen van de bezetting. De patriottische zaak, normaal de lijm die een jong land als Israël bijeenhoudt, begon barsten te vertonen. We hadden betere doelen nodig om voor te sterven.

1991

Toch ging ik het leger in, net als alle anderen. Het leger is een belangrijke pijler van ons onderwijssysteem, een weg naar de volwassenheid – en de eerste stap uit het ouderlijk huis, vooral voor iemand zoals ik die afkomstig was uit een lagere sociaal-economische klasse en uit de periferie. Ik ging dus een uniform dragen en leren hoe je moest schieten. Het duurde niet lang: na zes maanden trouwde ik en mocht ik het leger uit. Er waren te veel ideologische verschillen, en ik was niet in staat zo’n gedisciplineerde en hiërarchische instelling te verdragen. Ik kreeg daar veel kritiek op. Van mijn familie, en van al mijn vrienden in het leger. Ik werd als een paria gezien. Mijn moeder vroeg me mensen er niets over te vertellen. Ik ging twee jaar lang niet meer naar familiebijeenkomsten.

Waffa werd ondertussen moeder en zorgde voor het huishouden. Ze voedde vier kinderen op. Op een gegeven moment blesseerde haar man zijn rug. Hij was niet goed verzekerd, dus het gezin had geen inkomen meer. Waffa riep haar kinderen bij zich en zei tegen ze dat ze niet van plan was te gaan bedelen. ‘Uiteindelijk werd het zo slecht dat ik ging werken. Ik kwam uit mijn glazen stolp.’

In eerste instantie kon Waffa geen werk vinden, omdat ze geen opleiding en geen beroep had. Uiteindelijk vond ze via een buur een baan in de landbouw. ‘Op de eerste dag huilde mijn man, omdat hij niet wilde dat ik ging. Mijn oudste zoon moest zorgen voor de zeven maanden oude baby, die ik nog steeds borstvoeding gaf. Enerzijds voelde ik me een beetje beschaamd. Anderzijds had ik het gevoel dat dit mijn kans was om me te ontwikkelen.’ Waffa werkte met andere vrouwen in een boomgaard. Ze moest peren plukken in de hitte van de zomer. Het was een zware baan.

Ze stopten twintig vrouwen in een busje voor veertien mensen. Waffa werd omringd door negentien vrouwen die bang waren hun baan te verliezen of herrie te schoppen. ‘Ik kon niet ophouden de uitbuiting te zien. Ik werd er gek van. Ik wist niets van werknemersrechten en vakbonden, maar mijn reactie was instinctief: de aannemer en de boer moesten achter onze rug om een hoop geld verdienen. En wij vrouwen hadden geen stem. Onze samenleving is patriarchaal en helemaal niet gelijk. Sommige joodse vrouwen leven in soortgelijke omstandigheden, maar in ons geval werd je ook nog eens geïsoleerd, gediscrimineerd en vernederd. Maar ik ben als de golven: ik word sterker, ik word wanhopig en kom er weer overheen. Daar heb je kracht voor nodig. Die had ik, precies zoals mijn vader me had gezegd.’

1995

Op een zomerochtend in juni 1992 won Rabin de verkiezingen van de rechtse Likoed-partij. Hij stelde een centrum-linkse coalitieregering met een kleine meerderheid in de Knesset samen, waaraan ook de Arabische partijen deelnamen. Sterker, hij verbond zich aan het Israëlisch-Arabische vredesproces door te verklaren dat hij grondgebied wilde ruilen voor vrede en veiligheid, een progressieve maar zeer controversiële stap.

Medium dsc01941

1993

Toen Rabin de hand van Arafat schudde, was ik opgetogen. Mijn familie zat bijeen voor de televisie. De ceremonie in Washington DC werd op het nationale televisiekanaal vertoond, met een vertaling in het Arabisch en Hebreeuws. Mijn moeder huiverde echter. Terwijl ze haar ogen bedekte, zei ze: ‘O, hij schudt de hand van die moordenaar!’ De volgende dag verzamelden we ons allemaal op het centrale plein van Tel Aviv. Honderdduizenden mensen waren gekomen om dat euforische moment te vieren. Het was vrede. Aan de andere kant van het plein stonden een paar rechtse demonstranten uiting te geven aan hun onvrede over de vrede. In onze ogen waren ze een dwaze, extremistische minderheid.

Waffa beschrijft een gevoel van hoop. Dit zou het begin kunnen zijn van een nieuw tijdperk, en zou een einde kunnen maken aan het geweld en de segregatie. Toch is Waffa behoedzaam in de manier waarop zij dit verwoordt. Nu denkt ze dat de Oslo Akkoorden een ongezonde situatie creëerden: in haar ogen is de Palestijnse Autoriteit (PA) een soort onderaannemer van de Israëlische bezetter geworden, terwijl de Israëlische regering verder is gegaan met het bouwen van nederzettingen. Ze is niet geneigd terug te keren naar haar vroegere gevoelens.

‘Na Oslo was er een serie gruwelijke – en dodelijke – terreuraanslagen’, zegt Nachum terugkijkend, ‘en wij in de nederzettingen dachten: het is ons bloed dat hier mag vloeien. De Palestijnen doden ons met de wapens die de Israëlische regering ze geeft om hun samenleving op te bouwen en te beschermen. We ervoeren een krachtig gevoel van verraad; we werden aan ons lot overgelaten. We waren furieus.’ Nachum geeft toe dat hij veel dingen heeft gedaan waar hij zich nu voor schaamt. ‘Ik ging erop uit om wraak te nemen. We gingen naar weg 60 die Jeruzalem via Hebron met Schem verbindt, de hoofdweg. Het was een naar spelletje. Als zij stenen gooiden, gooiden we ze terug. En het werd erger: als zij molotovcocktails gooiden, deden wij dat ook.’

In 1994 verliet ik Tel Aviv om aan de Rietveld Academie in Amsterdam te gaan studeren: een nieuw hoofdstuk in mijn heropvoeding. Hoewel ik mijn vaderland verdedigde, kreeg ik ook feiten over Israël en de Palestijnen te horen waarover in mijn studieboeken niet werd gerept. In mijn studentenkamertje las ik over de toenemende spanning in mijn vaderland rond het vredesproces. De tegenstanders van Oslo konden duidelijk niet meer worden genegeerd. De nieuwe stem van rechts Israël, Benjamin Netanyahu, sprak voor opgetogen menigten; zijn woorden waren vol woede, beschuldigingen en bedreigingen. Hij speelde in op de gevoelens van veel Israëliërs door de veiligheidssituatie te benadrukken en de door Rabin voorgestelde territoriale offers. In een schetsboek heb ik foto’s gevonden van Rabin in SS-uniform, Rabin met een Palestijnse sjaal op zijn hoofd, en mensen die zwaaien met borden waarop ‘Rabin = een verrader’ staat – ik verzamelde ze tijdens een bezoek in de zomer van 1995. En een handgeschreven briefje van mijzelf: ‘Ik ga niet terug.’

En toen werd Rabin vermoord. Op het centrale plein van Tel Aviv, omringd door bijna tweehonderdduizend aanhangers van het vredesproces. Voor Nachum, Waffa, Orki en mij was dat een bepalend moment. We waren 22 jaar oud. We hadden Rabin net op de radio gehoord. Hij was geen man die veel emoties prijsgaf, maar bij die gelegenheid had hij met groot enthousiasme gezegd: ‘Ik ben heel blij om te zien dat hier zo veel mensen zijn. Ik heb altijd geweten dat als het op de vrede aankomt, we een stille, solide meerderheid achter ons zouden hebben die geen geweld wil en op vrede hoopt.’

 

Er klonken drie schoten. Er was chaos. En toen werd er gezegd: Rabin is neergeschoten. Er heerste ongeloof, en daarna nog meer chaos. Al spoedig werd bekend dat een religieuze jongen van de Bar Ilan Universiteit hem had gedood. Nachum, die in z’n eentje in een bus zat, herinnert zich dat hij doodsbang was en hardop zei: ‘Broederoorlog!’ Hij voelde toen echte angst.

Het nieuws dat de moordenaar een jood was, stelde Waffa’s familie enigszins gerust. Maar ze herinnert zich ook dat ze dacht: ze willen ons echt niet… Waffa heeft zich nooit kunnen identificeren met de Israëlische regeringen: ‘Rabin was eigenlijk nooit mijn leider, maar toen dit was gebeurd, voelde ik me betrokken. Ik rouwde.’

Orki herinnert zich dat hij zijn soldaten meenam naar Rabins graf in Jeruzalem. Rabin had hem persoonlijk zijn officiersstrepen overhandigd. De foto van dat gedenkwaardige moment hangt in de woonkamer. ‘Het was emotioneel, ik wist niet wat ik ermee aan moest. Rabin was dood. Beeri, waar ik ben opgegroeid, was een vreedzame kibboets aan de grens met Gaza. De inwoners reden gewoonlijk door Gaza naar het strand, namen zonder vrees “Arabische” taxi’s en liftten zelfs… Sindsdien zijn de zaken alleen maar geëscaleerd, en kijk nu eens naar ons: we komen steeds dichter bij een nieuwe oorlog.’

Waffa vertelt dat na de moord op Rabin veel dingen begonnen te veranderen. ‘Plotseling waren slogans als “Wij willen vrede” en “We geven de vrede een hand” niets meer waard. In plaats van vrede kregen we meer segregatie. De gemeenschappen gingen elk hun eigen weg. Er werd niet meer gepraat. Totaal niet. We werden steeds banger. Het vredesproces, de handdruk, het vredesplan – een nieuw tijdperk had op het punt gestaan te beginnen, maar was al weer voorbij voordat er echt iets had kunnen gebeuren.’

2015

Orki vindt het moeilijk de invloed van de moord op Rabin op hem te beschrijven. ‘Ik weet dat ik dat jaar ben begonnen met het roken van joints. Heel veel van ons rookten destijds. Het was iets sociaals, en het voelde als een nationaal ritueel. We noemden een periode van oorlog een “droge tijd”. Iedere vorm van spanning aan de grenzen zorgde ervoor dat de politie en het leger extra waakzaam waren, en die stonden dan geen drugssmokkel toe, zeker niet vanuit Libanon of Egypte. Daardoor ontstond een tekort aan hasj, terwijl je daar juist veel behoefte aan had door de stress van de oorlog.’

‘De grootste verandering in mij’, zegt Nachum, ‘is dat ik ben opgegroeid in een religieuze werkelijkheid, met een ideologie die ervan overtuigd is dat de staat Israël de staat van God is, in het land van God. Dit land was ons beloofd, en doordat wij zijn teruggekeerd naar dit land waren we op weg naar verlossing. Alles zou goed aflopen. We zouden wereldvrede krijgen. De dood van Rabin heeft het geloof kapotgemaakt dat vrede binnen handbereik lag. Ik besefte dat er helemaal niets is beloofd. Erger nog: als we zo zouden doorgaan, de ander niet zouden willen zien en niet moedig naar verandering zouden streven, zodat we hier allemaal kunnen wonen, dan zou Israël over een paar generaties misschien niet eens meer bestaan. Dat zou exact het tegenovergestelde zijn waar wij, de kolonisten, feitelijk op uit zijn. Het zou ingaan tegen ons idee dat we gevolg geven aan de belofte van God.’

In november 1996 werd de buurvrouw van Nachum vermoord bij een aanslag, toen haar auto in een hinderlaag reed. Zowel zij als haar kleine zoontje werd van dichtbij doodgeschoten. Dit drukte Nachum met zijn neus op de feiten. Hij stelde zichzelf de belangrijke vraag: waarom gebeurt dit allemaal? Volgens hem ging het antwoord niet over territorium, maar over de angst voor ‘de ander’. Het werd steeds duidelijker, aldus Nachum, dat de Messias niet morgen al zou komen. ‘We kunnen de messianistische spanning niet heel lang laten bestaan.’ Nachum schudde zijn verleden van zich af, vooral iedere vorm van ideologie. Hij wendde zich tot de poëzie en werd een stem die binnen de kolonistengemeenschap een ander geluid liet horen. Hij bood zijn lezers inzicht in hun gesloten gemeenschap en gaf uitdrukking aan de ideeën van de tweede generatie kolonisten.

Nachum en verwante geesten richtten een organisatie op, die Eretz Shalom (Land van de Vrede) werd genoemd. Het doel was een dialoog te verwezenlijken tussen de kolonisten, Palestijnen van beide kanten van de ‘groene lijn’, en linkse Israëliërs. Eretz Shalom was noch links noch rechts, maar in wezen neutraal. Volgens Nachum moest de oplossing worden gezocht in ‘goed nabuurschap, waardoor iedereen zijn huis zou kunnen behouden’.

De Israëlische autoriteiten deden feitelijk alles wat ze konden om af te komen van Arabische achtergronden

Op een speciale bijeenkomst waar Nachum voor het eerst de Palestijnse leider Mahmoud Abbas ontmoette, vroeg hij hem de aanwezigheid van een joodse minderheid te erkennen als deel van een democratische Palestijnse samenleving. Abbas antwoordde: ‘Ahalan usahaln’, ‘Hallo en welkom’. ‘Ik weet dat hij eerder veel verontrustende dingen had gezegd’, aldus Nachum, ‘maar hier was iemand die mijn buurman wilde zijn.’

Nachums buitenpost, Sde Boaz, bestaat uit niets meer dan een paar caravans die terloops op een stuk rotsachtig terrein zijn neergezet. Ze zijn illegaal, zelfs volgens de Israëliërs. Zijn jongste kinderen rennen buiten rond, tussen de rotsen en de groene bosjes. Dan valt mijn oog op een jong meisje, in legerkleren en met een geweer, dat tussen de caravans heen en weer loopt. ‘Zij patrouilleert hier’, bevestigt Nachum.

Ik vraag Nachum waarom hij hier wil blijven wonen. ‘Ik ben een vat vol tegenstrijdigheden, maar ik ben niet in de war’, antwoordt hij. ‘Ik ben hier met een missie. Mijn eerste doel is het bewustzijn van de kolonisten binnen te dringen, zodat ik enige verandering teweeg kan brengen in de manier waarop zij de wereld zien waarin wij leven. Als ik hier niet zou wonen, zou niemand naar me luisteren. Ik woon hier ook omdat ik op de Westoever geboren ben, dat betekent veel voor me.’

Sommige van zijn buren praten niet meer met hem, sinds zijn ontmoeting met Abbas. ‘Het lastigste is de kloof tussen datgene waar ik in geloof en dat wat echt is. Ondanks de creativiteit en de spiritualiteit waar ik in woon, kunnen mijn dochters niet naar het volgende dorp lopen, het is gewoon te gevaarlijk. Maar zij zouden dat wel moeten kunnen doen, net als ik toen ik jong was. Dat is mijn paradox.’

‘Ons vertrouwen in onze regering was geschaad. We eisten meer veiligheid en meer macht om ons te verdedigen’

Waffa staat op het podium. Trots opent zij een debat over de positie van Arabische vrouwen in Israël tijdens een conferentie georganiseerd door Da’am, een kleine linkse joods-Arabische politieke partij. Ze vertelt hoe haar kennismaking met Ma’an, een van de Israëlische vakbonden die is gesticht door Da’am, haar leven heeft veranderd. Aan het begin van de eeuw is Waffa begonnen met haar werk voor de vakbond. ‘Ik herinner me dat ik me voor het eerst in mijn leven vertegenwoordigd voelde.’ Toch was zij aanvankelijk wantrouwig: ‘Mijn Arabische buurman buitte me uit, dus waarom zouden de joden me niet uitbuiten?’ Haar Arabische werkgever noch de mensen om haar heen keurden deze samenwerking tussen een Arabische vrouw en een joodse organisatie goed. ‘Mijn werkgever begon me zelfs te bedreigen.’

Niettemin betekende deze stap dat Waffa meer ging verdienen en dat de arbeidsomstandigheden beter werden. ‘Ik had het gevoel dat ik miljoenen verdiende, en de aannemers schreeuwden niet langer tegen ons. Ik was de baas over mezelf. Ik voelde me als een gewone werknemer, en veilig.’

Daarna, zo vertelt Waffa op het podium, ging ze Ma’am vertegenwoordigen. ‘Ik haalde vrouwen over om hun huis te verlaten en aan het werk te gaan. Al spoedig zag ik dat ze onafhankelijker en uitgesprokener werden, en zelfs aan demonstraties deelnamen.’ Waffa had het gevoel dat deze vrouwen voor een verandering zouden kunnen zorgen in de Arabische gemeenschap in Israël. Ze eindigt haar toespraak door te zeggen dat ‘we niet voor mensenrechten kunnen strijden als we tegelijkertijd zelf naar geslacht discrimineren’.

Het publiek bestaat zowel uit Israëlische Arabieren als uit joden. Er volgt een levendig en soms luidkeels gevoerd debat, waarbij een paar joden vloeiend Arabisch blijken te spreken. De Arabieren hoeven dus niet hun tong te breken over een taal waarin ze zich niet goed kunnen uiten. Ondertussen geniet ik van de simultane vertaling. Ik wil mijn vader bellen, die ook vloeiend Arabisch spreekt. Waarom heeft hij het mij niet geleerd? Dat was nu van pas gekomen.

‘Ik zal hier niet weggaan. Zelfs niet als ik een minderheid in Palestina onder een Palestijns regime zou moeten zijn’

Nachum citeert een uitspraak van de bekende rabbijn Menachem Freeman: ‘De kolonisten zullen de vingers van Israëls uitgestrekte vredeshand zijn.’ Bij zijn buitenpost leidt hij me rond door het gebied. Hij wijst me de kruising waar vorig jaar drie jongens werden gekidnapt en vermoord – wat een nieuwe bloedige oorlog in Gaza tot gevolg had. Na een tijdje ontmoeten we Hassan, een Palestijn die ook in 1973 blijkt te zijn geboren. Ze kennen elkaar goed, we drinken thee. Hassan zegt dat de eerste twintig jaar van zijn leven beter waren, dat het beter was om samen te zijn. Hij beschrijft de huidige armoede, de ondraaglijke werkloosheid onder de Palestijnen. Waar beide regeringen er niet in zijn geslaagd oplossingen te bieden voor het conflict beseffen Nachum en Hassan dat ze een gemeenschappelijke lotsbestemming delen. De realiteit is sterker dan hun ideologie.

Nachum stelt voor mij op het hoofdkruispunt af te zetten. Ik zie mensen liften. Er zijn hier twee soldaten gestationeerd, die de bushalte moeten bewaken. Zij houden alle auto’s met Palestijnse nummerborden aan. Ik voel me niet veilig. ‘In mijn verhaal hebben we niet het land, maar de mensen “bezet”. Ik geloof echt in de verbinding van mijn volk met dit land. Het is onze historische geboorteplaats, het is van ons.’ Nachum toont geen enkele twijfel. ‘Mijn identiteit als jood is hier duidelijk over. Zij hebben uiteraard een ander verhaal, en ik ben bereid om daarnaar te luisteren. De uitdaging is om de twee verschillende verhalen te begrijpen en te respecteren. Maar ik zal hier niet weggaan. Zelfs niet als ik een minderheid in Palestina onder een Palestijns regime zou moeten zijn.’

Orki zit op zijn ruime balkon bij zijn huis in Beeri. De kibboets biedt het soort rust en comfort dat we alleen van bungalowparken kennen, met dit verschil dat Beeri in de frontlinie lag tijdens de Gaza-oorlogen: ‘We hebben de laatste keer veel beschietingen gehad. Eigenlijk noemen we het al lang geen oorlog meer, maar “een operatie”. We doen dat al sinds de Jom Kippoer-oorlog, zodat het minder groot klinkt.’

Tijdens de jongste oorlog, in de zomer van 2014, waren overal in de kibboets soldaten, om te rusten en zich voor te bereiden op de strijd. ‘Vier keer per dag en soms zelfs vaker vulde het geluid van sirenes de lucht. Mijn jongste dochter is toen opgehouden met slapen, ze bleef maar bang. Het was vreselijk.’ De kibboets is goed beschermd: ieder huis heeft een ingebouwde bunker, iedere kleuterschool en peuterspeelzaal heeft een betonnen dak. Maar tijdens de oorlog werden de meeste gezinnen toch naar andere delen van het land geëvacueerd.

Toch, zegt Orki, leidt hij een vreedzaam en creatief leven met zijn gezin in Beeri. Hij wil heel graag vrede en is bereid om grondgebied op te geven, en als dat nodig is zelfs zijn levensstijl. ‘Maar de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat ik er niet veel voor doe. Ik stem niet eens.’ Zijn vertrouwen in het systeem en in de leiders is bijna nihil, zijn apathie is verbluffend. Zittend in zijn schommelstoel laat hij me zien waar de raketten de lucht in gingen – om al snel te worden gevolgd door antiraketten die steeds dichterbij kwamen en uiteindelijk ver boven hem ontploften: ‘Boem!’ Van hieruit keek hij naar oorlog, terwijl hij een joint rookte.

Het liedje over ‘de kinderen van 1973’ blijft me achtervolgen, ditmaal op de autoradio op weg naar huis. Het liedje is als een volkslied. Net als veel andere symbolen in Israël is het toegeëigend door de mainstream, als ceremonieel liedje, volledig beroofd van zijn politieke lading, en van de aantijging dat onze leiders geen vrede wisten te bewerkstelligen. Rabin heeft de tijd niet gekregen om zijn belofte waar te maken, en misschien zou hij dat ook nooit hebben gedaan, maar in dit wachten op de onvervulde belofte ligt ook onze ontkenning besloten – de passieve houding van een generatie die nu veertig jaar of ouder is en voor een nieuwe generatie de volgende belofte moet creëren.

Nirit Peled is documentairemaker en geeft les op de Gerrit Rietveld Academie in Amsterdam.

In samenwerking met Simon van Melick.

Vertaling: Menno Grootveld


Beeld:(1) 1993, Tel Aviv, Peace Now-demonstratie. Foto David Rubinger / Corbis / HH; (2) Nachum en zijn familie: ‘De dood van Rabin heeft het geloof kapotgemaakt dat vrede binnen handbereik lag’; (3) Waffa: ‘Plotseling waren slogans als “Wij willen vrede” niets meer waard’; (4) Orki: ‘Kijk nu eens naar ons: we komen steeds dichter bij een nieuwe oorlog’. Foto’s Nirit Peled