Plotspoiler

Ook op het gebied van boeken maak ik via mijn zoon van anderhalf kennis met een totaal nieuwe wereld. Mijn buurtbibliotheek in het Haagse Valkenbos-/Regentessekwartier heeft een speciale ruimte ingericht voor de allerjongste lezers. Box, speelgoed, speelkleden en beveiligde stopcontacten zijn aanwezig, en het assortiment is vrij uitgebreid.

Elk genre heeft een eigen kast of plank: stoffen boekjes (‘kunnen gewassen worden op dertig graden’, vermeldt een bordje), voelboekjes, blokboekjes, woordenboekjes, prenten- en voorleesboekjes, plus een plankje geïllustreerde werkjes over zwangerschap en bevallen (waarom eigenlijk? Iedereen die deze babybieb bezoekt is dat stadium toch al levend gepasseerd?).
Mijn strategie is een tamelijk eenvoudige. Ik laat de kleine Weijts in dat peuterhok los, en nestel mezelf in een van de grote fauteuils met een grotemensenboek. Hij veegt vervolgens alle boekjes op stahoogte van de planken, slingert ze de ruimte door en doet er van alles mee. Als de storm is gaan liggen is het ineens muisstil en spit ik door die omgevallen babyboekenkast om hem uiteindelijk ergens in een zelfgeschapen hoekje aan te treffen, geconcentreerd de pagina’s omslaand van één uitverkoren exemplaar. Ik graai alle boeken bijeen en plaats ze terug (ook al heb ik stellig de indruk dat wij hier de enige bezoekers zijn van het hele Valkenbos-/Regentessekwartier) en scan het gekozen boek bij de leencomputer.

Wat me opvalt is dat de meer verhalende prentenboeken bijna altijd een specifiek basisstramien hebben. Namelijk: opgave - pogingen - oplossing.
Zo houd ik erg van de klassieker over een mol die (opgave) wil weten wie er op zijn kop heeft gepoept. Na een rondgang (pogingen) langs de veelvormige fecaliën van paarden, geiten en varkens, vindt de mol ten slotte, met hulp van twee strontvliegen, de dader, een hond (oplossing).
Zoonlief zelf heeft een voorkeur voor een boek dat dan weer een hond als protagonist heeft, Fino, die op zoek gaat naar een rustige plaats om aan konijnen te kunnen denken (opgave), maar overal slechts lawaai treft (pogingen), zelfs in kloosters of aan de achterkant van de maan.
Na het voorlezen denk ik wel eens aan Vladimir Propp (1895-1970), de Russische structuralist, die de morfologie van de volksvertelling in een soort formule heeft proberen te vatten. Zo onderscheidt hij vaste elementen als een vertrek, een uitdaging, een bemiddelaar (ha, die strontvliegen!) of een thuiskomst.
Blijkbaar bestaan er universele tendensen in verhalenvertellen, en zit de whodunnit- of trial and error-vorm in onze genen ingebakken. Het weerspiegelt ongetwijfeld de manier waarop we het leven ervaren, het volgt de menselijke nieuwsgierigheid en volharding. Het probleem is alleen dat mijn zoon bij het voorlezen zo nieuwsgierig naar de afloop is dat hij de bladzijden sneller omslaat dan ik kan voorlezen. Dat zou allicht verholpen kunnen worden door vooraf de afloop al te melden in plaats van die elke avond weer als een deus ex machina uit de hemel te laten donderen.

In sommige orale culturen geeft de verhalenverteller altijd eerst een samenvatting van het hele verhaal, inclusief de clou. Plotspoiler? Welnee, het plezier van het vertellen wordt juist vergroot als je niet langer gespitst bent op de ontknoping, en rustig kunt genieten van hoe het verhaal zich langzaam manifesteert, in alle details. Veel mensen bladeren in detectives eerst naar het einde.
Zo'n samenvatting vooraf lijkt op Tolstoi’s gebod het geweer te tonen ruim voordat het afgaat, en op Gerard Reve’s Verbod Op Het Onverwachte. En op de gewoonte in oude boeken, van het type: ‘Hoofdstuk X, waarin de prinses haar eerste trio beleeft maar er toch niet voluit van kan genieten vanwege een getrokken verstandskies.’

De aankondiging is blijkbaar een universeel stijlmiddel. Een pure verschijningsvorm ervan vinden we in de opening van Laughter in the Dark (1932) van Vladimir Nabokov: ‘Once upon a time there lived in Berlin, Germany, a man called Albinus. He was rich, respectable, happy; one day he abandoned his wife for the sake of a youthful mistress; he loved; was not loved; and his life ended in disaster.’ Fantastisch, een plotspoiler als opening. Direct daarna demonstreert Nabokov de functie ervan, terwijl hij schijnbaar terloops een literatuuropvatting etaleert: ‘This is the whole of the story and we might have left it at that had there not been profit and pleasure in the telling; and although there is plenty of space on a gravestone to contain, bound in moss, the abridged version of a man’s life, detail is always welcome.’

De roman illustreert vervolgens dat het vertellen aan plezier wint wanneer je het verhaal in grove lijnen al kent. Wanneer je wéét dat je naar, zeg, Santiago op weg bent en het landschap langzaam ziet veranderen is de reis opwindender dan wanneer je er ineens gedropt zou worden. Dit voor de literatuur belangrijke principe wordt helaas nog wel eens vergeten. Zelfs al bij de allereerste boeken die we onder ogen krijgen.