Pluk de dag!

ALS HIJ achtentwintig jaar oud is, krijgt Michel Onfray (1959), leraar filosofie en bewonderaar van Lebensverneiner Schopenhauer, een hartaanval die hem op het randje van de dood brengt. Van de weeromstuit klampt hij zich daarna vast aan het leven en verheerlijkt hij het vege lijf. Uit zijn eerste boek: ‘Het vlees (…) vindt zijn bestemming alleen vóór de dood. Misbruik van het lichaam is een fout die haar sanctie in zichzelf draagt: de verloren tijd is niet terug te winnen.’ In Nietzsche, vooral de latere, die van de Lebensbejahung , vindt Onfray dan ook zijn nieuwe leidsman, zijn inspirator en grote voorbeeld. Nietzsches uitspraak: ‘Dat wat me niet doodt, sterkt me’, houdt Onfray zich vaak voor. En hij neemt diens afkeer van het christendom over. Immers, het christendom slaat de ziel hoog aan, verwaarloost het lichaam en is gericht op het hiernamaals en niet op het leven.

In het ziekenhuis wordt de gastronoom Onfray geconfronteerd met een diëtiste ‘met de allure van een anorexia-patiënte’, en hij besluit haar een lesje hedonisme te geven. Het boek De buik van de filosofie, zijn debuut uit 1989, is er het resultaat van. Het is een grappig, wat populair werkje. In acht korte hoofdstukken stelt hij een aantal filosofen voor aan de hand van gastronomische bijzonderheden uit hun biografie: Diogenes, Rousseau, Kant, Fourier, Marinetti en Sartre. Fraai zijn vooral de opgediste anekdoten en hilarische wetenswaardigheden. Zo buigt hij zich en passant over de drol in het werk van markies De Sade, en verwondert hij zich over Va lentius, die schrijft dat Jezus niet poepte 'aangezien er in hem geen bederf was’.
Maar het is Nietzsche, aan wie ook een hoofdstuk gewijd is, die de hoofdrol speelt. Hij duikt op bijna iedere pagina op ('zoals Nietzsche al heel treffend zei’). Het motto is van hem afkomstig en het afsluitende hoofdstuk heeft de nietzscheaanse titel 'De vrolijke wetenschap van de voeding’.
ONFRAYS volgende boek, Cynismen, is praktisch een aaneenschakeling van anekdoten. Ze hebben betrekking op de antieke, cynische filosofen, bij voorkeur Diogenes - de man die keizer Alexander vroeg een stapje opzij te doen omdat hij in zijn zon stond. De ondertitel luidt: Portret van de hondse filosoof. Onfray heeft de anekdoten bijna allemaal overgenomen uit een verzamelbundel die twintig jaar geleden verscheen in Ottawa. Het motto ontleende hij, jawel, weer aan Nietzsche. Hoe dan ook, het leverde amusant leesvoer op. De Griekse cynici bedreven spot in plaats van dialectiek, maakten grappen in plaats van traktaten, en leverden karikaturen in plaats van bewijsvoeringen.
Belangrijker is dat Onfray bij deze atheïstische, anarchistische filosofen van de dagelijkse praktijk aanknopingspunten vindt voor een post-christelijke ethiek. 'Nieuwe cynici zijn hard nodig’, schrijft Onfray, die een speciale filosofische taak voor hen ziet weggelegd - een die ons bekend, al te bekend voorkomt: 'De herwaardering van de waarden’.
Aan het eind van het boek maakt hij de balans op. De gods diensten functioneren bij de gratie van het nihilisme en haat jegens het leven, ze zijn gebaseerd op afkeer en richten zich op de dood. Met nieuwe cynici zou een alternatief kunnen worden ontdekt voor de pessimistische geest, voor de handelaars in apocalypsen en de theoretici van het nihilisme.
Het is kortom hoog tijd voor een nieuwe hondse filosofie, voor een 'vrolijke wetenschap’. Maar hoe honds is Onfray zelf eigenlijk? Nou ja, hij is het schoothondje van Nietzsche. En met zijn boek staat hij bovendien als een opdringerige Alexander tussen ons en de zon die Diogenes is.
Onfrays analyse luidt: het religieus cynisme van de clerici, het politieke cynisme van machtswellustelingen, het kapitalistische cynisme van de uitbuiters, het ethisch cynisme (de mens als vijand), het militair cynisme van de macchiavellisten - het zijn allemaal vormen van hedendaags 'vulgair cynisme’. En hiermee bauwt Onfray domweg de these van Peter Sloterdijks Kritiek van de cynische rede na.
GELUKKIG komt Onfray toch nog uit op 'vrolijke wetenschap’, die hij uitwerkt in zijn volgende, steeds dikkere boeken. Voor De kunst van het genieten en Levenskunst, de zojuist verschenen vertaling van La sculpture de soi, ontvangt hij een prijs van de cultuurbonzen, wat ook al niet erg in de geest van Diogenes is.
Waaruit bestaat die 'vrolijke wetenschap’? Zijn vertrekpunt is de doodsverachting . De kunst van het genieten, het hedonisme dat Onfray voorstaat, is in essentie de kunst van die verachting. We moeten de dood de laan uit sturen. C'est tout. Maar die kunst vereist heroïek, kracht en moed - herculische deugden. Onfray, die tenslotte een hartaanval overleefde, spreekt uit ervaring: 'De terugkeer uit de Apocalyps verplicht je tot een olympische houding.’
De les van het hedonisme is een materialistische: er bestaat alleen maar stof, lichaam. En daar hebben de denkers (met uitzondering van La Mettrie, van wie hij deze wijsheid heeft) door de eeuwen heen te weinig aandacht aan besteed.
Onfray verkondigt een filosofie van het vlees en niet een wijsbegeerte van de geest. Hij legt, in navolging van Feuerbach dit keer, de nadruk op de zintuigen. Die moeten we laten prevaleren boven de fantoomachtige abstractie van de geest. We zullen moeten erkennen dat de zintuigen de bron van alle geluk zijn, de basis voor een lichamelijke èn morele gezondheid. De psychoanalyse heeft tenslotte duidelijk gemaakt dat er een causaal verband bestaat tussen het verloochenen van de zintuigen en het traumatiseren van het gevoelsleven.
De ware hedonist viert dan ook het feest van de zintuigen. Hij ruikt, proeft, ziet en tast dat het een aard heeft. En waar de zintuigen beginnen, daar houden de religie en de filosofie op. Lekker eten, lekker drinken, mooie vrouwen (Onfray haast zich te excuseren voor het feit dat hij een man is), oog voor de natuur en een neus voor het paradijs der geuren. De mens is het aan zichzelf verplicht te genieten, zegt Onfray. En de ethiek zou dus ook haar basis moeten vinden in het genot: een esthetische ethiek.
Het hedonisme is noodzakelijkerwijs een moraal van het eigenbelang. 'Het enige dat in staat is rekening te houden met de werkelijkheid zoals die is en niet zoals men zou willen dat ze was.’ Het altruïsme is immers een opgelegd cultuurprodukt, de eigenliefde daarentegen een psychologisch gegeven. Daartegenover staat bij wijze van 'categorische imperatief’, de leefregel van Chamfort: genieten en laten genieten. Maar ook deze moraal heeft zijn beperkingen, zoals Onfray toegeeft. Daarom zal de hedonist altijd profiteren van het juiste moment . Bovendien impliceert genieten verkwisting. Onfray heeft daar geen moeite mee, op voorwaarde dat die verkwisting niet ten koste gaat van de harmonie. Niet à la Sade dus.
Zo zal de hedonist liever vergeten dan vergeven, want over iets wat je vergeet maak je je ook geen zorgen meer. Onfray erkent beperkingen en zelfs grenzen, want het doel heiligt niet de middelen. Slechts dat wat plezier verschaft is toelaatbaar, dat wat lijden teweegbrengt is ontoelaatbaar. Voor de masochist en de sadist is bijvoorbeeld geen ruimte binnen het hedonisme. Onfray noemt hen prototypen 'van de verdorvenheid in de esthetische orde’. Voorkomendheid is het devies, een afstandelijke vorm van beleefdheid de techniek. En geen naastenliefde maar consideratie.
Wat Onfray voor ogen staat is een 'totaalmens’, zoals ongeveer belichaamd in de figuur van de condottiere, het hoofd van een huursoldatenbende in het middeleeuwse Italië. Onfray schrijft: 'De mens is een dier dat zijn evolutie nog niet voltooid heeft.’ De hedonist is een aristocraat, en grootsheid ('magnificence’) is de 'motor van het hedonisme’. Zo heeft de condottiere ook meer op met een gestorven grootheid dan met de simpele ziel die nu leeft. Het hedonisme is ongeschikt voor de middelmatigen.
ONFRAYS analyse is steekhoudend maar verre van origineel en bovendien achterhaald. Zijn diagnose van onze, in nihilisme vastgelopen cultuur is wellicht juist, maar Nietzsche ging hem daarin al voor. De gastronoom Onfray schotelt ons een opgewarmde hutspot voor. Neem een kilo Nietzsche, een onsje La Mettrie en een onsje Feuerbach, een snufje Chamfort en een toefje Diogenes voor de sier - en klaar is uw instant-filosofie.
Anno 1996 eten we ons in het rijke Westen - andere werelddelen lijken voor Onfray niet te bestaan - bijna allemaal een hartinfarct. We amuseren ons kapot en drinken daarbij vaten vol kostbare alcohol. We hebben kasten vol boeken en beschikken over de meest geavanceerde hifi-apparatuur om thuis, liggend op de bank, van Schubert te kunnen genieten. We maken verre natuurreizen of luieren wat aan een (sub)tropische kust, onze badkamers zijn verworden tot sanitaire tempels en we plegen overspel bij het leven.
En toch, en toch zijn wij niet, nou ja, 'gelukkig’. We hebben ons nog nooit op zo grote schaal overgegeven aan verkwisting - op wereldschaal - en we hebben nog nooit zo hedonistisch genoten. We vreten ons te barsten en we laten iedereen barsten. Maar desondanks houdt ons levensgeluk iets schizofreens. Net alsof er iets ontbreekt. En god mag weten wat. Wie weet is het god zelf wel. Maar die is, ik ben er blij om, morsdood. Bovendien heeft in de tweede helft van de twintigste eeuw op grote schaal ontkerstening plaatsgevonden. Zo sterk zelfs dat christendemocratische politici zich in het nauw gedreven voelen en om een herwaardering van de oude christelijke waarden roepen. Zoals Nietzsche honderd jaar geleden tot het omgekeerde opriep.
ACHTERHAALD IS ook zijn idee van doodsverachting. Ik trap een open deur in als ik zeg dat we sinds jaar en dag de dood uit ons leven hebben gebannen. Bovendien is doodsverachting een gevaarlijke soldatendeugd en is Onfrays bewondering voor een ordinaire huursoldaat als de condottiere ook een nietzscheaanse verblinding.
Russell schreef over Nietzsche: 'Al de mensen die hij heeft bewonderd waren militairen.’ En dan is genieten en laten genieten Onfrays simplistische moraal. Wat gebeurt er als je niet geniet of niet genieten kan? Wat dan? Evenals voor de sadomasochist is er voor de melancholicus geen plaats in Onfrays denken.
'Allways look at the bright side of life’, zong Monty Python, maar in dat liedje stak een addertje onder het gras. Wittgenstein schreef al dat de wereld van de gelukkige een andere is dan die van de ongelukkige. Hoe het leven te genieten als je, ik noem maar een cliché, bijstandsmoeder bent met twee krijsende kinderen in een somber woninkje driehoog achter? Hoor je, als je dan zo nodig een moraal wilt verkondigen, niet iedereen daarbij te betrekken? Is het geen vereiste van een filosofie dat ze algemeen geldig is? In Nederland zowel als in Frankrijk? In Griekenland maar ook in bijvoorbeeld Afrika?
Maar niets van dit alles. Onfray heeft geen verknipt wereldbeeld, hij heeft een afgeknipt wereldbeeld. Onfray is een salonfilosoof. Hij is aristocratisch, en dat wil vandaag de dag zeggen dat zijn filosofie er een is voor het yuppiedom. Het is een moraal voor de happy few. Deze 'copywriter’ maakt reclame voor het goede leven.
De hedonistische filosofen: 'Zij weten hoe ze moeten ruiken, proeven, voelen, ademen, horen, kijken.’ Zij wel. Alleen, om in reclametaal te blijven: 'Het leven is heerlijk maar zit soms wat raar in elkaar.’ Niet alleen de huid maar ook de geest heeft z'n rimpels of, materialistisch uitgedrukt, de hersenen hebben hun kronkels.
DAAR WAAR Onfray in zijn concept spreekt van de 'totaalmens’ en diens 'grootsheid’, houdt hij ook totaal geen rekening met de slechtheid van de mens. Slechtheid waaruit de zelfhaat ontspruit, die zich weer manifesteert in de gewraakte afkeer van het lichaam. Want niet alleen de eigenliefde maar de hele psychologie van de mens is een gegeven. Inclusief die zelfhaat. De middelmatigheid van de mens is, zo valt te vrezen, het zand in de motor van het hedonisme. Het wachten is kennelijk nog steeds op de Übermensch.
Onfray houdt geen rekening met de dood en daar is reden toe, maar hij betrekt het bewustzijn van die dood ook niet in zijn filosofie. Evenmin als gevoelens van angst en zinloosheid. En er zijn, zoals wij allemaal weten, ook een grens aan het genot, en die heet verveling. Het komt nergens voor in Onfrays denkraam.
Toch zijn dit, hoe je het ook wendt of keert, allemaal waarachtig bestaande gevoelens. De boekhouding van de wereld zit nou eenmaal zo in elkaar dat er voor één moment van genot een eeuwigheid van inspanning, pijn en vertwijfeling vereist is. En één schoftendaad kan de inspanningen van myriaden ijveraars tenietdoen. Het maakt het genieten tot een zeldzame gebeurtenis. Maar desondanks lukt dat. Af en toe. Eventjes. Want genot is kortstondig - ook iets wat Onfray ontgaat. Het onbehagen is de prijs van de cultuur en het lijk in de goed gevulde keukenkast van Onfray.
DE CHARLATAN van de Franse filosofie heeft geen wereldbeeld, hij heeft een zelfbeeld. In al zijn simpelheid stelt hij tegenover dat onbehagen de genietingen van de solipsist. Maar misschien wel het ergste, het allerergste, vind ik dat zijn boeken zelf geen genot zijn om te lezen, afgezien van de citaten en de gejatte anekdoten. Nietzsche, maar ook een hedendaagse nihilist als Cioran, lees je tenminste nog voor je plezier, ook al kun je misschien niet altijd met hen instemmen. Iedere zin bij deze schrijvers schittert als een gouden ei - is perfect van vorm en kostbaar van inhoud. Maar het ei dat Onfray ons opdient is een omelette soufflée: een gebakken ei met lucht.
'Het fragment, de anekdote, de kwinkslag - dat zijn de vormen die het best beantwoorden aan de cynische bedoelingen’, weet Onfray. Toch ben ik in geen van zijn vier boeken ook maar één volzin of een snerpende kwinkslag tegengekomen. Sla ook gerust tien, twintig zinnen, een hele bladzijde over en je merkt niets. Ondertussen spuit hij kritiek op het zwaartillende filosofische vertoog 'dat zich niet kan uitdrukken zonder omhaal van woorden, wartaal en neologismen’. Onfray kan het zichzelf aanrekenen. Hij is stijlloos, een vulgaire cynicus.
Nee, dan Belcampo. Belcampo, ja. Diens Filosofie van het belcampisme uit 1972 vertoont opvallende gelijkenissen met Onfrays allegaartje. Maar in dit geval zijn de gedachten schitterend verwoord (in 72 bladzijden, waar Onfray er vele honderden nodig heeft) en oorspronkelijk. Ook Belcampo is een optimist, maar zijn optimisme is vertederend vergeleken bij het onverteerbare optimisme van Onfray.
In een voetnoot in zijn laatste boek kondigt Onfray aan dat de gastronomie het onderwerp van zijn volgende boek zal zijn. Zoals Willem Frederik Hermans al zei: 'Met een volle maag is het goed filosoferen.’