Plundering

Plundering

De schokkendste werkelijkheid die door de orkaan Katrina zichtbaar werd ge maakt was niet die van een incompetente overheid en falende hulpverlening. Ze lag in de implosie van de burgerlijke orde die vrijwel onmiddellijk intrad. De afwezigheid van gezag mondde uit in een wetteloosheid van plundering, verkrachting en geweld, volgens een scenario dat José Saramago beschreven heeft in zijn apocalyptische roman De stad der blinden.

Voorzichtigheid is daarbij wel op zijn plaats. Een bevolking die zich plotseling aan haar lot overgelaten ziet, kan voor haar eerste levens behoeften moeilijk gelaten wachten tot de middenstand opnieuw de deuren opent. Bisschop Muskens herinnerde er enkele jaren geleden aan dat de katholieke leer het stelen van een brood geoorloofd acht als iemand in uiterste nood verkeert – en zich tot bruin brood beperkt.

Hoe onvermijdelijk ook, de plunderingen in New Orleans beperkten zich allerminst tot bruin brood of de hedendaagse equivalenten daarvan. En het terreurregime dat daar nog eens bovenop kwam was de bevolking als geheel evenmin aan te rekenen. De bendes die schoten op reddingswerkers, politie en alles wat er verder nog bewoog, bestonden uit het schorriemorrie dat de samenleving ook daarvoor al teisterde.

Maar dergelijk uitschot ontstaat nooit uit het niets. Het is het symptoom van een samenleving die onderhuids al gedemoraliseerd was voordat met de fysieke ook de morele dijken doorbraken. Plotseling herinner ik mij hoe ik ruim tien jaar geleden als toerist in New Orleans op mijn hotelkamer de portemonnee vond van een vorige gast. De receptioniste – jong, goedgekleed en zeker geen outcast – keek me bij mijn melding bevreemd aan en antwoordde bijna verwijtend: «You people can afford to be so goddam honest.»

Veel betekent het niet, maar de indruk beklijfde dat er in New Orleans iets verrot was geraakt. Weinig bleek er de afgelopen weken nog maar voor nodig om een morele ineenstorting op gang te brengen die minder aan een oorlogs situatie dan aan een burgeroorlog deed denken. Veelbetekenend is het verschil tussen de gebeurtenissen van 2001 en die van vier jaar later. 11 september was niet het toneel van onlusten en plunderingen, maar van eensgezindheid en altruïsme. Maar het natuurgeweld van Katrina schiep een chaos zonder identificeerbare vijand en kon zo de detonator worden van gebeurtenissen die het land beschaamden en de wereld schokten.

Heeft die laatste veel reden tot verontwaardiging op afstand? Een cynicus zal in het morele failliet van New Orleans gemakkelijk zijn geloof bevestigd zien dat de mensheid een kwaad aardige diersoort is die, losgelaten van alle tucht, bij de eerste gelegenheid amok maakt. Maar juist omdat cynisme altijd gelijk heeft, zegt het weinig over de vraag of deze ontsporingen de gedoemde uitkomst waren van een plotseling gevallen gezagsvacuüm. Daartegen pleiten zowel de massale rampen waarin de barbarij is uitgebleven, als de talloze daden van onzelfzuchtigheid die ook in New Orleans de menselijke eer weer een beetje aanzien gaven.

Binnen de Nederlandse steden moeten we voor grootscheepse plunderingen terug naar de achttiende eeuw, toen in Amsterdam het proletariaat van de Oostelijke Eilanden de schrik er in de grachtengordel goed inhield. Uit recenter tijden heugen de krakersrellen bij de kroning van Beatrix en de leeggehaalde kledingwinkels in de Ferdinand Bolstraat een paar jaar later.

De achttiende eeuw kende een armoede probleem dat vergelijkbaar is met dat van de huidige VS – en voor de daarmee gepaard gaande verdamping van de publieke moraal geldt waarschijnlijk hetzelfde. Die vaststelling vormt geen excuus, want armoede predestineert niet tot eerloosheid. Ze maakt de deugdzaamheid die daaronder vaak nog opmerkelijk krachtig blijft alleen maar des te bewonderenswaardiger – juist omdat ze in nood nu eenmaal moeilijker gedijt.

Het betekent evenmin dat ze in welvaart vanzelf tot grote bloei komt. Hoe bescheiden ook, het Ferdinand Bol-incident laat zien dat ook in landen die de rijkdom op een aanvaardbare wijze verdelen het sentiment kan blijven woekeren door «de samenleving» tekortgedaan te zijn. En ook dan is de verleiding groot de maatschappelijke regels te vervangen door het eigenrecht dat neemt wat het niet vanzelf gekregen heeft.

Een sociale staat is ontoereikend voor een beschaving die besef heeft van een minimum van eer en deugd. Maar hij vormt er wel de noodzakelijke voorwaarde toe. Er is een ondergrens van maatschappelijke zorgzaamheid die niet kan worden overschreden zonder fatale risico’s voor de publieke (en waarschijnlijk ook de private) moraal. Aan het einde van die erosie krijgt fatsoen de status van het luxeproduct dat te velen menen zich niet te kunnen veroorloven. Insisteren op hun ongelijk heeft dan weinig zin meer. Zoals de volksverheffers van de late negentiende eeuw scherp zagen, helpt in deze morele, sociale en economische burgeroorlog alleen nog een beschavingsoffensief dat steunt op goede huisvesting, eerlijk betaald werk en nijvere scholing.