Maarten ’t Hart, De zonnewijzer

Poedermelk, nagellak en oorbellen

Maarten ’t Hart lezen is genieten. Ook ‹De zonnewijzer› is weer een goed verhaal, zelfs af en toe spannend, met veel humor erin en met rake zinnen. Niet echt «intellectueel» misschien, maar een timmerman hoeft ook niet altijd een paleis te bouwen. Soms gewoon een goede trap.

Van sommige boeken is het onzin om ze het predikaat «goed» of «slecht» te geven. Je houdt van een auteur — en dan kan het je niks schelen of zijn boek goed of slecht is; pas wanneer je niet zo betrokken bent bij een schrijver telt de kwaliteit van zijn geschriften.

Van Multatuli vind ik bijvoorbeeld alles goed, ook al schreef hij een boek als Millioenenstudiën (1873) waar ik eigenlijk weinig tot niets van begrijp, of een theatraal gedicht als Vorstenschool (1875) waarvan ik niet geloof dat het de moderne middelbare scholier van de computer zal afhouden. Douwes Dekker kan bij mij geen kwaad doen, en dan wordt alles wat hij schrijft interessant. Met Vestdijk heb ik dat niet. Terug tot Ina Damman (1934) vind ik geweldig, De ziener (1935) weer niks, Het verboden bacchanaal (1969) is weer goed, terwijl ik De kellner en de levenden (1949) weer niet om door te komen vond, al was ik net twintig toen ik het las.

Een mooi voorbeeld is Karel van het Reve. Daarvan heb ik nog nooit iets slechts gelezen. Toch heeft Karel twee romans geschreven die je zelfs «thrillers» zou kunnen noemen, te weten Twee minuten stilte (1959) en Nacht op de kale berg (1961), die alles ontberen wat een goede roman of thriller zou moeten hebben: personages van vlees en bloed, een goed doordachte plot, tempo, knappe dialogen — maar ik ken geen schrijver die dit geen geweldige boeken vindt. Die twee romans zijn geweldig omdat ze helemaal «des Karels» zijn: humoristisch, opmerkelijk, bijzonder. Met knappe observaties, heldere redeneringen, fraaie mini-essays en nog honderd andere dingen die alleen Karel beheerste.

Maarten ’t Hart is voor mij een soort Karel van het Reve. Hoewel hij een populair auteur is, blijft hij voor mij toch altijd een «geheimtip». Vraagt iemand mij om iets leuks, spits, moois en toch van deze tijd, kortom, prettig om te lezen, dan wijs ik altijd op Maarten ’t Hart.

’t Harts nieuwe boek De zonnewijzer was dus weer helemaal aan mij besteed. Heerlijk, ook al rammelt het aan alle kanten. De zonnewijzer is een thriller, oftewel een «wie-deed-het». Om zijn ongeloofwaardige (maar toch knappe) plot rond te krijgen, haalt ’t Hart wat je kwajongensstreken zou kunnen noemen uit. Ik noem een paar dingen. Zo is er een man, mijnheer Mastenbroek, die het slachtoffer toevallig op video heeft gezet. Dat deed hij al jaren. Ja ja. Ook komt de speurneus zomaar een man op straat tegen («Zoekt u iets?») die ineens informatie over de verdwenen auto kan geven. Ja, hij zat toch maar de hele dag achter het raam te koekeloeren. Ook toevallig. Die speurneus zelf trouwens, een vrouw, heeft de gewoonte zich helemaal met het slachtoffer te identificeren en zich ook in haar kleren te hullen — en zo zijn er nog tientallen zaken, alle even onwaarschijnlijk, alle even schitterend. Waarom? Omdat Maarten ’t Hart nu eenmaal kundig schrijft. Vloeiende dialogen, eigenwijze observaties, vreemde redeneringen en mooi onderkoeld gescheld op alles wat hem niet bevalt. Om de drie, vier bladzijden schiet je in de lach.

Een goede openingszin: «Roos was dood en ik wist niet wat ik aan moest trekken. Was het maar winter, dacht ik, dan trok ik mijn lange, zwarte jas aan. Wie ging er nou dood in de zomer?» Zinloos gescheld: «Aan het gekwinkeleer van de hedendaagse telefoons kan ik niet wennen. Geef mij de ouderwetse rinkelbel maar. Dit gesmoorde gemekker, als van een gecastreerde bok onder uit een keldergewelf — wie heeft dat ooit bedacht.»

Als de hoofdpersoon een kat ziet, moet hij meteen denken aan een kwatrijn van Baudelaire. Als de hoofdpersoon zo stil is dat je alleen de geluiden van de natuur hoort, dan hoort zij «de heldere kakellach van een groene specht (…) het gekoer van Turkse tortels (…) de zeurzang van de groenling». In één zin, wel te verstaan. Voortdurend wordt de bijbel geciteerd, en wordt er op de jeugd gescholden, die geen jenever meer drinkt maar alleen maar rare drankjes als «whisky en wodka en drankjes uit Zuid-Amerika met een eng beest erin».

Als de hoofdpersoon midden in de nacht ontwaakt, ziet zij dat de tijd 2:01 is, en denkt dan: «KV 201, de mooiste symfonie ooit door een jongen van achttien gecomponeerd.»

Die hoofdpersoon, Leonie Kuyper, een heel eigenaardige vrouw, heeft ook een bijzondere ethiek. Nadat haar vriendin haar alles heeft nagelaten, is er geld dat niet op eerlijke wijze verdiend zou kunnen zijn. Ik zou daar zelf geen moeite mee hebben, want de eventuele dader is overleden. Zo niet Leonie. Die vindt het geld dan «besmet, bezoedeld, dan wilde ik daar liever niets meer van uitgeven».

Kijk, zo’n boek lees ik nou graag. Een boek waaruit je iets kunt leren. Bijvoorbeeld dat als je de inhoud van een zakje poedermelk, creamer, in plaats van in de koffie in de lucht gooit en je houdt er een aansteker bij, dat je dan een steekvlam krijgt. En wanneer je leest dat dit vuurwerk wordt aangestoken door een stotterende notaris, en later in een vol restaurant nog eens wordt herhaald, dan moet ik lachen om de manier waarop ’t Hart dat beschrijft. Droge humor. Zelfs in de blurb achter op het boek. Die is eigenlijk onweerstaanbaar truttig. Lees maar: «Leonie Kuyper is inmiddels gescheiden. Haar beste vriendin overlijdt aan een zonnesteek. Zij laat alles na aan Leonie, met als enige voorwaarde dat Leonie zo goed mogelijk voor haar drie poezen zal zorgen.»

Pak een willekeurige thriller en je leest de woorden: maffia, corruptie, verraad, seriemoordenaar… Zelden zijn een zonnesteek en de verzorging van drie poezen aanleiding voor een thriller. Maarten ’t Hart doet met dit boek geen gooi naar een Ako- of Libresseprijs of een Gouden Uil, maar hij doet wel wat een vakman behoort te doen: hij schrijft een goed verhaal, zelfs af en toe spannend, met veel humor erin en met rake zinnen. Je merkt hoe ’t Hart plezier in het schrijven heeft gehad toen hij dit boek aan het maken was. Uitgebreid vertelt hij over nagellak, hoe je oorbellen goed vast kunt krijgen, hoe je bij de kapper wordt behandeld, over de Symfonie in E-groot van Schubert, en natuurlijk krijgen we ook veel over flora en fauna te lezen, want Maarten is niet alleen bioloog, hij heeft dat ook nodig voor zijn plot.

Maarten ’t Hart lezen is genieten. De bril van God, zijn vorige boek, was ongetwijfeld «intellectueler», maar een timmerman hoeft ook niet de hele tijd een paleis te bouwen; hij moet ook een goede trap kunnen maken.

Maarten ’t Hart

De zonnewijzer

Uitg. De Arbeiderspers, 256 blz., € 17,95