Profiel Necip Fazil Kisakürek

Poëet achter Turks terrorisme

«Toen richtte hij zijn ogen op mij, die ogen die voortdurend verder zagen dan de objecten waar ze naar keken, die ogen die het onzichtbare zagen… ‹Kom een keer naar mijn huis in Eyüpsultan›, zei hij… Oh, heerlijkheid! Ik zou toegelaten worden in zijn huis, zijn thuis! Ik zou toegelaten worden, maar nog niet tot het binnenste van de binnenste cirkel…»

Zo beschrijft de gokverslaafde, op drift geraakte Turkse dichter Necip Faz¦l K¦sakürek (1905-1983) zijn ontmoeting met sjeik Arvasi van de islamitische soefi-orde der Nakshbandi’s in 1934. Hij is zo onder de indruk van deze man dat hij zich van de ene dag op de andere tot de islam bekeert. Na zijn bekering is hij niet in staat zijn losbandige levenswijze ingrijpend te veranderen, maar wel begint hij met de publicatie van een grote hoeveelheid religieus-filosofische geschriften die, met hun meeslepende retoriek, vandaag de dag nog steeds populariteit genieten binnen de moderne Turkse islamis tische beweging.

Al sinds het eind van de negentiende eeuw is in Turkije een proces gaande waarin de rol van de traditionele schriftgeleerden in de islam steeds kleiner wordt. Tegenwoordig zijn het de vaak jeugdige intellectuelen die voortkomen uit mystieke islamitische soefi-stromingen die in Turkije het gezicht van de islam bepalen. Zij zien zich voor de complexe taak gesteld de islam in overeenstemming te brengen met het moderne leven en de ontwikkelingen in technologie en wetenschap. Een centraal vraagstuk is hoe de moslimgemeenschap haar authenticiteit kan behouden in het aangezicht van de dominante westerse wereld. De islam is hierbij meer nog dan een religie een symbool van een identiteit dat men tegenover het westerse kapitalisme en positivisme stelt. In deze worsteling om eigenheid te verenigen met de eisen en mogelijkheden van een moderne wereld vinden Turkse islamisten steun bij Necip Faz¦l K¦sakürek, de verpersoonlijking van die worsteling.

Geboren in Istanboel als zoon van een welgestelde, seculiere familie, heeft K¦sakürek alles mee om uiteindelijk te gaan behoren tot de ataturkistische elite die in de nadagen van het Osmaanse Rijk zal opstaan. Het onderwijs dat hij volgt is dan ook typerend voor de jeunesse dorée van die tijd. Zijn lagere en middelbare schoolopleiding begint hij op particuliere Amerikaanse en Franse colleges. Vervolgens gaat hij naar de marineschool, studeert filosofie aan de Universiteit van Istanboel en krijgt ten slotte in 1926 een beurs om, als lid van een select gezelschap studenten, in Parijs te gaan studeren. Daarnaast is hij al jong door het literaire establishment opgemerkt als getalenteerd dichter, en heeft reeds op jeugdige leeftijd bundels gepubliceerd (Örümcek ag¦, «Spinrag», 1925 en Kald¦r¦mlar, «De straten», 1928), die hem ook nu nog tot een van de belangrijkste moderne dichters van Turkije maken.

Dat iemand in een dergelijke bevoorrechte positie zich tot de islam bekeert, en nog wel in 1934, tijdens de hoogtijdagen van het secularisme, getuigt zo niet van onafhankelijkheid en een hang naar authenticiteit, dan toch wel van dwarsheid en een feilloos gevoel om tegen het tij in te roeien.

Juist in die periode wordt het secularisme, speerpunt van Atatürks beleid, tot in de verste uithoeken van Anatolië doorgevoerd. Slaperige, traditioneel ingestelde provincieplaatsjes worden omgevormd tot mondaine oorden waar de vrouwen rondfietsen in mouwloze jurken. Religie dient uit het openbare leven te worden gebannen. De traditionele schriftgeleerden zijn op non-actief gesteld, religieuze scholen gesloten. De mystieke islamitische ordes nemen de taken van hen over, maar ook zij moeten grotendeels clandestien opereren. Vooral de Nakshbandi-orde, waartoe K¦saküreks leidsman Arvasi behoort, geniet de reputatie een haard van verzet te zijn tegen het kemalisme.

Zoals K¦sakürek later over de periode voor zijn bekering zou verzuchten in zijn autobiografische geschrift O ve Ben («Hij en Ik»): «De beproevingen die ik doorstond waren onverdraaglijk.» Zijn voortdurende zoektocht naar het authentieke, het ware, levert hem niets op. In de twee jaren die hij in Parijs doorbrengt vindt hij, naast het ruige leven dat hij leidt, de tijd om zijn kennis van westerse denkers en literatuur te verdiepen.

Maar ook bij hen vindt hij niet waarnaar hij op zoek is: «Pascal, Baudelaire, Goethe, Tolstoj, Rimbaud (…) zij allen zijn als motten die rond het goddelijk licht dwalen, de weg kwijt raken en hun vleugels branden (…) Zij verzadigden me niet, integendeel, ze maakten mij hongerig. (…) Niets gaf mij de vervulling die ik zocht, noch mijn poëzie, noch mijn gedachten of mijn cultuur. Die felle kleur, dat verrukkelijke geluid, die betoverende gratie waarvan ik in mijn jeugd glimpen had opgevangen, dat was waarnaar ik op zoek was. (…) Steeds was ik in mijn gedachten trouw aan de perceptie van abstractie, intuïtie, vergeestelijking, mysterie, en toegewijd aan het beginsel van de goddelijke eenheid… Maar ik ervoer deze concepten zoals je een vuur op een ansichtkaart ervaart, ik zag er alleen het plaatje van. Om die smekende stem niet te horen die mij ’s nachts achtervolgde, ‹Toe, straks is het te laat›, gaf ik mezelf over aan mijn lage instincten, vrouwen, drank en gokken, dat duivelse gif in wiens netten ik tot op hoge leeftijd steeds weer verstrikt raakte.»

De geestelijke crisis waar hij in Parijs in geraakt en het gevoel van leegte en verwarring dat hij daar ervaart, leggen de grondslag voor zijn bekering acht jaar later. Hoezeer het intellectuele klimaat in Parijs hem ook teleurstelt, westerse stromingen laten een blijvend spoor achter in de poëzie van K¦sakürek. Tot het eind toe worden zijn gedichten gekenmerkt door traditionele versvormen en islamitische mystiek, ver gezeld van westers symbolisme en impres sionisme, existentialistische invloeden en ideeën ontleend aan Freud. Eenzaamheid en angoisse, onbestemde angst, zijn dan ook favoriete thema’s; spoken en lijken, schedels en zwarte katten bevolken zijn gedichten.

Ook in zijn andere literaire werk (korte verhalen, columns en toneelstukken die vaak worden vergeleken met het werk van Strindberg en Ibsen) zijn westerse invloeden te vinden, maar ook hier bedient K¦sakürek zich eveneens uitdrukkelijk van thema’s uit de islamitische mystiek.

Die mengeling van westerse en islamitische mystieke elementen in K¦saküreks literaire werk is terug te vinden in de worsteling van de hedendaagse islamistische beweging. Dit draagt er zeker toe bij dat K¦sakürek voor het hele islamistische spectrum in Turkije een icoon is geworden. Iedereen — van vreedzame groeperingen die zich bezighouden met het publiceren van tijdschriften, tot meer extremistische, zoals ibda-c, de organisatie die de recente zelfmoordaanslagen op joodse en Britse doelen in Istanboel heeft opgeëist — refereert eerbiedig aan K¦sakürek als Üstad, «de Meester».

De in 1998 gearresteerde leider van ibda-c, Salih Mirzabeyoglu, adoreert de Meester zelfs zozeer en identificeert zich zo met K¦saküreks gedachtegoed dat hij de verhouding tussen hen beiden vergelijkt met die van Plato en Socrates. Maar niet alleen K¦saküreks persoonlijke worsteling met de verhouding tussen islam en het Westen, vooral ook zijn religieuze verhandelingen maken hem geliefd bij moderne islamistische stromingen in Turkije.

Deze verhandelingen publiceert hij voornamelijk in het tijdschrift Büyük Dogu, «Het Grote Oosten», dat hij in 1943 opricht, en dat een van de langst bestaande periodieken in Turkije zal worden. In eerste instantie is Büyük Dogu vooral een literair tijdschrift, waarin vooraanstaande auteurs van divers politiek pluimage, zoals Sait Faik Abas¦ya n¦k, Bedri Rahmi Eyüboglu en Hüsnü Daglarca hun stukken publiceren.

Na 1948 evolueert het echter tot een podium voor religieus en politiek getinte verhandelingen, voor het grootste deel afkomstig van K¦sakürek zelf. Het tijdschrift wordt dan ook verscheidene keren door de autoriteiten verboden omdat het zou aanzetten tot ongehoorzaamheid jegens het bewind dan wel de Turkse identiteit zou beledigen. K¦sakürek moet zijn publicaties in totaal acht keer met een gevangenisstraf bekopen, maar desondanks richt hij ook een uitgeverij en een politieke partij op, alle onder de naam Büyük Dogu.

K¦sakürek hanteert een meeslepend en barok taalgebruik om zijn ideeën te verwoorden. Dat maakt zijn teksten een genot om te lezen, hoewel ze door de grote hoeveelheid archaïsmen die hij gebruikt en de hoge mate van abstractie zeker niet toegankelijk zijn. In zijn belangrijkste werk, Ideolocya Örgüsü, «Het ideologisch netwerk», zegt hij «een netwerk van systemen dat Turkije, de islam, en de hele mensheid zal redden» voor te staan.

De ideologie van het Grote Oosten die hij ontvouwt, is enerzijds een antwoord op zijn persoonlijke queeste naar de zin van het bestaan, maar tegelijkertijd poogt K¦sakürek een alomvattende visie te formuleren waarmee het verval gestuit kan worden dat, zegt hij, in de islamitische wereld al in de zestiende eeuw is ingezet, na de glorietijd van de Osmaanse sultan Süleyman de Prachtige. Reden voor deze teloorgang zijn niet zozeer economische factoren, als wel het afdwalen van de ware islam, aldus K¦sakürek. Centraal staat dan ook de zoektocht van de mens naar de waarheid. De waarheid omringt ons, maar wij zijn niet in staat die op de juiste wijze waar te nemen, aldus K¦sakürek.

Een opmerkelijk verschil met het soefis me is overigens dat de mystici de waarheid gelijkstellen aan God, en K¦sakürek aan de islam, die daarmee een even onbenoembare entiteit wordt als God. Vergelijkingen die hij voor het onvermogen tot de perceptie van de islam gebruikt, zijn geënt op het soefisme, de islamitische mystiek, die op zijn beurt weer teruggaat op platonische gedachten. «Het was alsof ik aan een deksel likte, maar niet bij de verrukkelijke jam kon komen die in de pot zat», schrijft hij bijvoorbeeld.

De vorming van een ideologisch kader waarbinnen men zich heroriënteert op de werkelijke islam zal uiteindelijk de glorie dagen van de islamitische wereld weer terugbrengen. Bovendien kunnen daarmee de westerse staatsvormen, waarin het spiritualisme is opgeofferd aan het materialisme, van repliek gediend worden. Vanzelfsprekend is K¦sakürek fel gekant tegen de kemalisten, de navolgers van Atatürk. Hij beticht ze van klakkeloze imitatie van ideeën uit het Westen. Niet dat hij zich keert tegen alles wat uit het Westen afkomstig is, maar wel is hij gekant tegen het overnemen van ideeën zonder begrip van de westerse cultuur en zonder respect voor de Turkse eigenheid.

In K¦saküreks ogen kan het kemalisme dan ook geen aanspraak maken op het predikaat ideologie, terwijl Turkije juist behoefte heeft aan zo’n allesomvattende wereldvisie, waarmee het zich teweer kan stellen tegen de ideologieën van het machtige en moderne Westen. Slechts daarmee kunnen alle moslims, te beginnen in Turkije, worden gered, en uiteindelijk de hele mensheid.

In K¦saküreks optiek moet zijn visie worden omgezet in daden. Het wachten is op een denker, maar die dient tegelijkertijd ook een doener te zijn, een held die het volk redt van vijf eeuwen duisternis. In dit kader ziet hij een belangrijke taak weggelegd voor een intellectuele elite, die de ideologie niet alleen bewaakt en uitvoert, maar ook in actie komt. De voorman van deze elite, tevens leider van zijn gedroomde staat, heeft tot taak het volk te verheffen. Na deze totale revolutie zal de islamitische natiestaat een feit zijn. Ook deze omwenteling wordt van bovenaf opgelegd en komt daarmee overeen met de kemalistische hervormingen.

K¦sakürek voorzag Turkse gelovigen van een veelomvattende ideologie, die een moreel houvast biedt voor politieke vraagstukken maar ook voor kwesties van het dagelijks leven. Hij stelde dat de islam zeker niet strijdig is met vooruitgang, maar juist een krachtig weerwoord biedt tegen het westerse imperialisme. Het behoeft dan ook geen verwondering te wekken dat hij een geliefd icoon is onder talrijke Turkse islamistische groeperingen.