Wouter Buikhuisen, Kriminologie in biosociaal perspectief

Poep door de brievenbus

Toen criminoloog Wouter Buikhuisen pleitte voor onderzoek naar de biologische achtergronden van criminaliteit legde hij zijn hoofd op het hakblok. Wat dacht deze rechtse griezel wel niet. Later werd hij officieel gerehabiliteerd.

Medium anp 5569253

Met de opmars van de neurowetenschap en de genetica wordt er steeds meer bekend over aangeboren oorzaken van psychische ziekten. De verworven kennis draagt bij aan betere behandelingen van bijvoorbeeld ernstige verslaving, depressie of dwangneurose. Of tot een meer gelaagd inzicht in criminaliteit. Neurowetenschappers, psychologen, rechtsfilosofen en criminologen discussiëren levendig met elkaar over de eeuwig terugkerende vraag wat de verhouding is tussen nature (biologische factoren) en nurture (omgevingsinvloeden).

Die discussie kreeg in 2011 een zwengel door Wij zijn ons brein, geschreven voor een breed publiek door neurobioloog Dick Swaab die stelt dat ‘we’ in de baarmoeder worden geprogrammeerd voor de rest van ons leven. Het boek veroorzaakte ophef, onder meer over het idee dat er geen vrije wil bestaat en bijvoorbeeld een crimineel niet verantwoordelijk gesteld kan worden voor zijn daden – het ligt immers aan zijn voorgeprogrammeerde hersenen. Ook de relatie die Swaab legt tussen hersenen en homoseksualiteit of pedofilie zette veel kwaad bloed. Maar zijn uitgesproken visie kostte hem niet zijn carrière, eerder het tegendeel. Sinds zijn boek reist hij als onderzoeker en als spreker de wereld rond.

Nog maar relatief kort geleden stuitte een nature-benadering van geestesziekten en menselijk gedrag op een taboe. De naam Wouter Buikhuisen roept nog steeds emoties op, zij het niet meer haat en woede, maar schaamte over hoe hij bijna veertig jaar geleden aan de schandpaal werd genageld vanwege zijn opvattingen over de wisselwerking tussen biologische en sociale factoren bij criminelen. Hij betaalde een hoge prijs. Zijn carrière als criminoloog werd kapotgemaakt. De affaire-Buikhuisen woekerde jarenlang door binnen de wetenschap, men bedacht zich tot ver in de jaren negentig wel twee keer om onderzoek te willen doen naar deze hypergevoelige materie.

De affaire begon al voor de publicatie in 1979 van het boek Kriminologie in biosociaal perspectief. De opvattingen die Buikhuisen hierin lanceerde hadden binnen zijn vakgebied de nodige vraagtekens opgeroepen. In dit boek zette hij expliciet uiteen dat hij nader onderzoek wilde doen naar de rol van biologische factoren bij het ontwikkelen van criminaliteit. Er bestaat hiervoor aanleg, constateerde hij. Mensen reageren bijvoorbeeld totaal verschillend op stress en de natuurlijke aanmaak van adrenaline of testosteron hield volgens hem verband met angst en agressie en droeg bij sommigen bij aan crimineel gedrag. Hij wilde zijn hypothese graag testen, onder meer via hersenonderzoek op delinquenten en prepuberale proefpersonen.

In een interview zei hij later dat hij ‘na meer dan vijftien jaar criminologisch onderzoek wist dat er ongetwijfeld een samenhang was tussen werkloosheid en criminaliteit. Maar het overgrote deel van de werklozen pleegt geen delict. Hetzelfde geldt voor mensen met een lage opleiding. Of mensen die kansarm zijn. Er moet dus méér zijn. Kijk niet alleen naar sociale factoren maar betrek ook de neuropsychologie, de endocrinologie en psychofysiologie erbij.’

De faculteit criminologie en penologie in Leiden, waar hij een jaar daarvoor professor Willem Nagel – de voormalige verzetsman die als J.B. Charles ook columnist was bij Vrij Nederland – opvolgde, stelde hem hiervoor een ruim budget in het vooruitzicht. Hij voelde het als een beloning van zijn ambitie om een integratie tot stand te brengen tussen de criminologie en inzichten uit biosociale wetenschappen, om zodoende crimineel gedrag beter te kunnen verklaren. Er stak meteen een forse tegenwind op.

Buikhuisen begaf zich namelijk op een terrein dat sterk doortrokken was van linkse ideologie. Onder criminologen, sociologen en psychologen was de gangbare visie dat aanleg voor psychische aandoeningen niet bestond of in elk geval te verwaarlozen was. Niemand werd slecht of geestesziek geboren, maar zo gemaakt door de maatschappij: een moeilijke jeugd, armoede, ongelijke kansen – het kapitalistische systeem kweekte dolende zielen, verkrachters, dieven, moordenaars, pooiers en drugsdealers. Dit idee kende een groteske realiteit in de Sovjet-Unie waar officieel geen criminelen (en prostituees) waren. Westerse criminologen wilden in elk geval niks weten van een eventuele erfelijke aanleg voor slechtheid en collega’s van Buikhuisen lieten in publicaties merken moeite te hebben met zijn ‘alternatieve’ opvattingen.

De geschiedenis kent vele voorbeelden van types à la Buikhuisen, individuen die niet bang zijn in te gaan tegen de heersende macht of moraal of tegen een modieuze consensuscultuur op de eigen werkvloer. In dit verband is het een interessante vraag of hun strijd op basis van argumenten een kwestie is van karakter, al dan niet aangelegd of gevormd door omstandigheden. Deze roeiers tegen de wind zijn vaak te eerlijk, volhardend en koppig en omdat ze een ontwrichtend effect op hun omgeving hebben, worden ze vaak irritant gevonden.

Buikhuisen (1933) lag hoe dan ook niet lekker om wie hij was: een nieuwsgierige wetenschapper die zich niet aanpaste aan de tijdgeest en stoïcijns reageerde op de felle kritiek van collega’s. Al bij zijn aantreden in Leiden hing er een verdachte geur om hem heen. Hij was in 1965 gepromoveerd aan de Universiteit Utrecht op Achtergronden van nozemgedrag. Aan hem is het begrip provo te danken, afgeleid van de provocerende houding van jongeren die zich ‘anti-autoritair’ gedroegen en wier gedrag hij vergeleek met dat van criminelen. Na zijn hoogleraarschap in Groningen had hij bovendien enkele jaren gewerkt bij het ministerie van Justitie onder de conservatieve, christelijke minister Dries van Agt, en wie koos voor de overheid behoorde tot het vermaledijde establishment. Sociale wetenschappers daarentegen waren bezig de maatschappij te veranderen, en dat begon bij de maakbare mens.

Buikhuisen was een fascist. Een verblinde vakidioot, een bedrieger, aartsopportunist en een domme charlatan

In deze context konden zijn dwarse ideeën niet goed vallen. Volgens socioloog Kees Schuyt ontbrak het aan een goede hypothese en zou hij lukraak gegevens bij elkaar vegen en daar verbanden in zoeken. In de pers gingen de trossen pas echt los – ook toen konden media haatzaaiend en karaktermoordend zijn. Het Leidse universiteitsblad Mare speelde in de hetze tegen Buikhuisen een aanjagende rol; de vpro en Vrij Nederland, hét blad waar links Nederland zijn mening door liet vormen, volgden. Eén naam stak er met kop en schouders bovenuit: Hugo Brandt Corstius die onder het pseudoniem van columnist Piet Grijs de publieke arena van VN gebruikte om Buikhuisen op de brandstapel te gooien. Hij startte zijn guerrilla op 6 mei 1978: ‘Ze denken misschien dat het relletje in een week is afgelopen, maar ze vergissen zich.’ Wekenlang zaagde hij van dik hout planken. Buikhuisen was een fascist. Een kale, impotente carrièrewetenschapper, een verblinde vakidioot, een bedrieger, een aartsopportunist en een domme charlatan.

Dom én slecht. Het waren de woorden van iemand die geen verstand had van het vakgebied van de hoogleraar waarover hij het doodvonnis afriep. Als Grijs met zijn scheldtirades toekwam aan de inhoud, dan meende hij dat criminaliteit en andere afwijkingen primair veroorzaakt werden door de moderne kapitalistische maatschappij en een autoritaire opvoeding. Veel columnisten kozen voor diezelfde strekking. Buikhuisen werd vergeleken met de nazi-arts Josef Mengele en de nazi-criminoloog Franz Exner. Met Videla, met Hitler, en zijn onderzoek met de Vietnamoorlog of met de fascistische eugenetica.

Je kunt je wel degelijk afvragen of het handig was van Buikhuisen om als criminoloog zijn hypothese te willen toetsen door middel van onderzoek op mensen. In het licht van de collectieve verwerking van de Tweede Wereldoorlog en de impact van de holocaust op het mensbeeld lag proeven doen op mensen in relatie tot genetische factoren begrijpelijkerwijs delicaat. Tegelijk illustreerde de ontvangst langs het goed-kwaad-schema hoe intolerant links in die tijd was.

Terwijl de pers bleef beuken op zijn persoon probeerde Wouter Buikhuisen onaangedaan door te gaan met zijn onderzoeksplannen. Maar het was geen doen. Al tijdens zijn oratie in 1978 stormde een met kettingen bewapende groep met bivakmutsen op binnen en werden er rookbommen gegooid. Op zijn instituut kwamen bommeldingen binnen en zijn stemgeluid ging tijdens colleges en lezingen verloren door boegeroep; Brandt Corstius himself kwam zijn werkkamer uit om mee te brullen. Buikhuisens gezin kreeg – ook toen al – doodsbedreigingen door de telefoon en poep door de brievenbus tussen de haatpost gepresenteerd. ‘Met alle denkbare middelen werd geprobeerd te voorkomen dat ik mijn ideeën over biosociale criminologie kon uitdragen en ontwikkelen’, zei hij later in een interview met Mare.

De haatcampagne in de pers wierp zijn vruchten af: zijn reputatie lag aan scherven en een negatieve spiraal van lafheid trad in. De weinige steun die hij nog had onder wetenschappelijke collega’s verdampte. ‘Dan begint het gerommel. Faculteit en universiteit steken geen poot meer uit om je te helpen. Afgesproken was weliswaar dat ik biosociaal georiënteerd criminologisch onderzoek zou gaan doen. Maar dat kwam ze nu niet meer zo goed uit’, aldus Buikhuisen in het interview met Mare. De universiteit draaide het budget voor onderzoek terug.

Buikhuisen mocht aanvankelijk zijn onderzoeksbenadering aan de rechtenfaculteit doorzetten. Maar bij de koffieautomaat werd geroddeld dat hij, zo raar, niet op vergaderingen verscheen, zonder toestemming van de vakgroep buitenlandse reizen maakte en niet tot wetenschappelijke productie kwam. In 1981 maakte zijn vakgroep bekend dat Buikhuisen ‘niets uitvoerde’. Hij meldde zich ziek en op advies van de bedrijfsarts liet hij in 1988 de wetenschap achter zich. Hij ging werken in de antiekzaak van zijn vrouw, die het echtpaar van het ‘rechtse bolwerk’ Wassenaar verplaatste naar Spanje. Daar woont hij nog steeds. In de pers stond in grote letters dat Buikhuisen was gevlucht.

Zijn relaas kent een happy end. In een interview met Mare blikte hij in 2009 terug op de loodzware tijd. Hij gaf aan nog iedere dag te hopen op excuses uit de academische wereld, met een beetje erkenning zou hij heel blij zijn. De pvv, uitgerekend die partij, pleitte na het lezen van dit interview (‘karaktermoord van links’) via Kamervragen voor Buikhuisens eerherstel. Weer kreeg het onderwerp een politieke lading, nu in een ander tijdsgewricht. Het verzoek tot rehabilitatie kreeg geen steun. De academische wereld toonde zich wijzer, dankzij Carel Stolker (1954), de decaan van de Leidse rechtenfaculteit (en vanaf 2013 rector magnificus). Ook hij was diep geraakt door het interview en stelde dat de criminoloog in feite zijn tijd ver vooruit was: het onderzoek dat hij toen voorstelde, is nu volstrekt geaccepteerd en er zijn destijds beslist kansen gemist. Stolker regelde officiële excuses door de universiteit van Leiden. In 2009 bezocht hij in Spanje een man die hem daarvoor dankbaar was. Een jaar later gaf Buikhuisen op zijn oude faculteit een college voor een afgeladen zaal studenten, wetenschappers en journalisten.

En Piet Grijs? Hij kwam schoorvoetend door met een reflectie op de affaire, maar gaf aan niet van mening te zijn veranderd. Ook dat was een kwestie van karakter. Kees Schuyt schreef terugblikkend in 2009 in Mare dat Buikhuisen tot vandaag bezig is gebleven met lastige wetenschappelijke vragen, en dat was een mooi bewijs van zijn wetenschappelijke houding en ‘de wil om dingen uit te zoeken’.


Boeken die ons boos maakten

Soms is een boek als een vinger op een zere plek, die de lezer boos, verontwaardigd of gekwetst laat opspringen. Doet het boek dan iets heel erg fout, of juist iets goed? Deze zomer herleest De Groene de naoorlogse boeken, fictie en nonfictie, die ons deden opschrikken en het boek door de kamer lieten smijten, van Nabokovs Lolita tot The Bell Curve van Murray Herrnstein. Was de verontwaardiging aan een specifieke tijd en moraal gebonden, of blijft ze vandaag nog steeds overeind?


Beeld: Leiden, 1979. ‘Buikhuisen was zijn tijd ver vooruit’ (Dick Coersen / ANP)