Televisie

Poep kneden

TELEVISIE Stille rampen

Ooit was de reeks Verre volken te zien, een Japanse productie over de laatste stammen die nog niet waren aangeraakt door christendom, cola of islam. Onder hen de Melanesische Trobrianders. In de meeste afleveringen bleven de Japanners onzichtbaar, maar hier kregen we de maakster regelmatig in beeld. Alleen al curieus door de enorme bril die modieuze vrouwen rond 1970 plachten te dragen en die een even verpletterende indruk op haar gastheren moet hebben gemaakt als hun peniskoker op haar. Streng vroeg ze waarom de mannen in godsnaam het basisvoedsel zoete aardappels niet voor zichzelf maar voor een vrouwelijk familielid verbouwden. De vraag werd verbijsterd aanhoord en niet begrepen: hoe zou een mens iets voor zichzelf kunnen verbouwen? Maar wat gebeurt er als een man wiens oogst via vrouwelijke lijn bij het stamhoofd moest belanden, een deel zelf zou houden? Die zou natuurlijk sterven aan het eten daarvan, luidde het geschokte antwoord. Miss Bril dus op naar het hoofd om de casus nogmaals voor te leggen op een toon van ‘je gaat me toch niet vertellen dat…?’ Maar die ging het haar wel degelijk vertellen. Enfin, uit alles bleek dat ze zo’n zooitje malloten nog nooit had ontmoet. Je kunt natuurlijk zeggen dat ze juist door die directheid het morele en religieuze stelsel scherp in beeld bracht, maar de prijs was hoog.

Zo erg gedroeg Paul Rosenmöller zich in Niger natuurlijk niet. Hij was daar op bezoek voor zijn nieuwe reeks Stille rampen, maar lekker zat het niet. Vooropgesteld: het siert hem en de Ikon daar naartoe te gaan waar de focus van de media niet ligt – in de schaduw van het felle licht op Irak en Afghanistan. De drie miljoen vluchtelingen in Colombia, voedselschaarste in Niger, milieuramp in Indonesië, je hoort en leest er weinig over. We zijn armoe- en rampenmoe, geloof en vertrouwen in ontwikkelingshulp zijn sterk geslonken en we hebben zelf genoeg sores. Dus doet Paul wat gedaan moet. Dat hij daarbij in Niger een soort potjes-Frans spreekt, waardoor hij voor een klas schoolkinderen door de meester gecorrigeerd moet worden (die zijn herhaalde la (!) Pays-Bas dan nog maar laat zitten), dat is tot daar aan toe.

Maar dan komt hij bij een jongen die materiaal voor een hut kneedt: leem, stro en mest. Wat??? vraagt Paul, mest??? De jongen lacht om zijn toon, maar kan niet vermoeden dat Paul denkt juist onze verbazing over het gebruik van stront als bouwmateriaal uit te moeten drukken. Of hij is oprecht verrast en dat verraadt dan wel erg veel amateurisme en truttigheid ineen. De jongen is zeventien. Waarom moet hij die familiehut bouwen en doet zijn vader niets? De jongen lacht gegeneerd. Niet omdat hij het met de kritiek eens is, maar omdat het een belachelijke vraag is. Die hij van Paul ook nog eens voor zijn vader moet vertalen, waardoor de zoon in een gênante positie belandt. De jongen gaat niet meer naar school sinds hij in de steeds korter wordende regentijd met de gierst moet helpen. Dat is slecht, vinden wij met Paul, maar diens vraag waarom hij er dan niet gewoon vandoor gaat, weg uit de armoe, bevalt ons helemaal niet. Paul geeft de jongen, die solidariteit met de familie verkiest, een spoedcursus individualisme. Als een olifant in een porseleinkast en zonder concreet perspectief te bieden. Een rare en enigszins onaangename vertoning.