Poepchinezen

‘“EN BLIJFT U NU hier in Holland voorgoed, nu het u hier zo goed gaat?’ vroegen we aan enkele vooraanstaande Chineezen, die blijkbaar in de Rotterdamsche ‘China-town’ een goed bestaan hebben. ‘t Ondoorgrondelijke masker van het gele gezicht, met dien stereotiepen glimlach, bleef even kalm, - het raadsel van dat nooit te peilen, nooit te begrijpen oog, bleef even onoplosbaar… Maar ’t was dan, of ineens iets heel moois in de verte oplichtte voor hun blik.

Ze wendden zich af, ‘n kort oogenblik, als we dat vroegen, - en dan kwam het antwoord: “Hollanders komen in Shanghai, in Hong-Kong, in Pe-King… Hollanders geld verdienen… Hollanders gaan met geld huistoe om te leven in hun land! Chinaman wil dat ook zo graag!”’ (Uit het tijdschrift Het Leven Geïllustreerd, 1922)
Voor de Tweede Wereldoorlog leefde op Katendrecht, het schiereiland in de Rotterdamse haven, de grootste Chinese gemeenschap van Europa. De Chinezen leefden samen met de ruwe havenarbeiders, de pooiers en de hoeren en werden door iedereen getolereerd. Tegenwoordig is er nog maar één Chinees restaurant op Katendrecht. Het troosteloze en winderige schiereiland, dat ooit met de Amsterdamse Wallen en de Haagse Schilderswijk tot de beruchtste volkswijken van Nederland hoorde, ligt er troosteloos bij. Kale nieuwbouw, reusachtige betonnen silo’s, een door onkruid overwoekerde rails. Je ziet amper mensen op straat. Zelfs het Deliplein, waar de Brooklyn Bar, Dirty Diana, de Neutraal Bar en Tattoo Manilla nog aan het roemruchte verleden van Katendrecht herinneren, is verlaten.
JO KRAAIJEVELD (1911) heeft de opkomst en de ondergang van Chinatown meegemaakt. Met wijlen haar man Yuen Wah had ze een Chinees restaurant op Katendrecht. In haar nieuwbouwwoning op Katendrecht herinnert alles aan vroeger. Chinese spreuken aan de muur, Chinese kalenders, foto’s van haar man voor hun restaurant. Jo: 'Mijn man had eerst in Engeland gewerkt. Toen begon de oorlog 14-18 en kreeg hij een brief van zijn moeder uit China. Of hij naar huis wilde komen, ze was bang dat hem iets zou overkomen. Op de terugreis naar Engeland is hij ergens in de buurt van de Rode Zee afgemonsterd. Hij is toen in de machinekamer van een boot gaan werken, zonder loon, en naar Rotterdam gekomen. Tijdens de reis is een Chinees overboord gesprongen en heeft een ander zich opgehangen, ze waren gek geworden van de hitte in de machinekamer. In Rotterdam is hij van de boot gezet, van de machinist heeft hij vier dubbeltjes gekregen. Met dat geld heeft hij een tram genomen en de veerboot naar Katendrecht. Uiteindelijk kwam hij bij de Walhalla terecht, een soort boardinghuis.
Ik werkte bij mijn zus Neel in de winkel, we verkochten porselein en glaspapier. Ik deed altijd klusjes voor de Chinezen, hielp ze hun fietsen repareren, daar snapten ze weinig van. Op een dag kwam hij binnen en legde een stapel geld op de toonbank. Ik zeg, wat is dat, moet je wat kopen? Nee, zegt hij, dat wil ik aan jou geven als je bij me komt wonen. Ik verkoop me eigen niet, zei ik, ga nou gauw weg.
Zachtjesaan ben ik toch bij hem ingetrokken, in een huis in de Atjehstraat. Zonder te trouwen, we zijn gewoon gaan hokken. Mijn ouders waren al aan Chinezen gewend omdat mijn zus Neel met een Chinees was getrouwd. Maar de familie van mijn vader in Sliedrecht zei: heb je het al gehoord, Neeltje uit Rotterdam is met een zwarte getrouwd. Die boerenmensen hadden nog nooit een Chinees gezien, alles was zwart voor hun.
Yuen Wah is toen een restaurant begonnen, een politieman heeft hem met de papieren geholpen, dat ging vroeger een stuk makkelijker. Op Katendrecht werden Chinezen nooit gediscrimineerd. Chinezen hebben hun eigen doen en laten. Een Chinees geeft niets om mooie meubelen, een tafel met een bed is genoeg. Er moet wel een mooie dure auto voor het restaurant staan. Die auto is hun yow ming, hun gezicht, hun aanzien. Met Turken en Surinamers ligt dat anders. Dikwijls zeggen ze hier, geef mij maar een Chinees op de trap of op de overloop.’
Ondanks haar hoge leeftijd tolkt Jo nog steeds voor de Chinezen, onder andere op het gemeentehuis. 'Als Chinese ouders hier op Katendrecht zieke kinderen hebben, komen ze eerst naar mij toe. Dan neem ik de koorts op en als die hoog is, bel ik de dokter. De Chinezen noemen mij Jo Kuw, tante Jo. Eigenlijk ben ik een Chinees. Als ik in Amsterdam over straat loop, komen Chinezen op me af. Hé Jo, ben jij dat? Ik stond in Hong Kong in een bloemenzaak, zelfs daar werd ik herkend door een Chinees die in Nederland had gewoond. Chinezen noemen een Hollander Hollan kwai, een geest, een spook. Ik zeg altijd dat ik een Hollan yang, een mens ben, of een lo feng, een Europeaan. Wij zijn geen kwai, dat is een scheldwoord. Dat zeg ik vaak tegen Chinese kinderen, om ze een beetje op te voeden.’
VOOR DE OORLOG waren de Chinese boardinghuizen op Katendrecht een vertrouwd beeld. De vaak slechte huisvesting leidde destijds tot een onderzoek van de gemeente Rotterdam. Uit het rapport: 'De Chineesche logementen zijn alle gevestigd in normale woonhuizen van het op Katendrecht gebruikelijke type: meestal alcoofpanden van begane grond, en twee verdiepingen met zolder, en waarvan iedere verdieping een voor- en achterwoning bevat. De beganegrondsverdieping is meestal ingericht tot winkel of dagverblijf voor gasten. Daarachter is veelal de keuken. In kamer en alcoof zijn houten stellages getimmerd, die alle ruimte vullen. Op deze stellages slapen nu de Chineezen: twee hoog en mannetje aan mannetje. (…) Men begrijpt dus dat er een niet zeer frissche atmosfeer heerscht, en vooral als men weet dat een groot deel der bewoners ook overdag thuis is. Het is natuurlijk in zulke kamers overvol van menschen, van koffers, van drogend lijfgoed, van allerlei voorwerpen; maar smerig is het er niet. Na deze beschrijving behoeft niet meer gezegd te worden dat bij brand in zulk een logement geen levende ziel meer het gebouw zal kunnen verlaten.’
De vader van Ben Lock (1929) was ooit boardingmaster op Katendrecht. Ben, die jarenlang eigenaar van Chinese restaurants was: 'Mijn vader komt uit Ning Po, een boerendorpje in de buurt van Shanghai. Hij is eerst naar Engeland gegaan. Daar heeft hij de achternaam Lock gekregen. Vervolgens werd hij boardingmaster in Rotterdam en trouwde hij met mijn moeder. Haar vader was schoenmaker op Katendrecht. Boardinghuizen zijn een soort herbergen. Chinese zeelui moesten vaak op een boot wachten en dan werden ze ondergebracht in een boardinghuis. Dat betaalden ze van het geld dat ze van de maatschappijen kregen.
Net na de oorlog is het restaurantgebeuren begonnen op Katendrecht. Bijna alle restaurants werden gerund door Kantonezen. Ze pasten het eten aan aan de smaak van de Hollander. De Chinese eetgewoonten zijn niet erg aantrekkelijk voor de Nederlander. Er wordt gerocheld, je mag gerust een boer laten onder het eten. Daar zegt niemand iets van.
Ik begon als kelner in een Chinees restaurant. Omdat mijn vader Chinees was, kreeg ik voorrang. Bovendien sprak ik Nederlands en kon ik de menukaarten maken. Bij de Chinees verdiende ik drie keer zoveel als bij een Hollandse baas. Het geheim van de Chinees is hard werken en initiatief nemen. Zeventig uur per week werken is heel normaal voor een Chinees. Ze zijn brutaal, doortastend en gek op geld verdienen. Moet je je voorstellen dat je als Nederlander zonder enig bezit naar China gaat en daar een restaurant begint.
Vroeger was het streven om hier veel geld te verdienen en dan terug te gaan naar China. Dan had je daar veel aanzien. De Chinees is ijverig, accepteert nooit steun. Sommigen waren te ziek om te werken en namen dan ontslag. Vakantie namen ze nooit. Chinezen zonder geld werden altijd door de anderen opgevangen. Oude mensen die niet meer werkten, kregen een baantje in een gokhuis, eten koken voor de klanten. Tegenwoordig gebeurt dat niet meer, de moderne Chinees is net zo uitgekookt als de Nederlander.
Ik voel me meer Nederlander, maar mijn Hollandse vrienden vinden mij eerder een Chinees. Chinezen tonen weinig emotie. Ze houden niet van het rechtstreekse van de Rotterdammer. De Chinees doet alles via een omweg. Hij zal je nooit recht in je gezicht zeggen dat hij je niet mag. Als een Nederlandse leverancier een keer iets verkeerds doet bij een Chinees restaurant, dat hij de boel belazert bijvoorbeeld, dan komt hij in heel Rotterdam niet meer aan bod. Dat gaat als een lopend vuurtje. Veel Chinezen vinden Nederlanders grof en brutaal. De Chinees vindt dat er maar één volwaardige yang, één volwaardige mens is, en dat is de Chinees. Een Japanner gaat nog net, die noemen ze het kind van een Chinees. De rest zijn spoken, kwai. De Hollander is dus ook een kwai, een spook. Wat dat betreft zijn ze echt arrogant.’
JOHN TSANG (43) is geboren op de Brede Hilledijk en woont nog steeds op Katendrecht. Vanuit zijn nieuwe woning kijkt hij uit op de Erasmusbrug en Hotel New York. Tsang: 'We woonden midden tussen de hoeren en de pooiers. Je had Bertus de Bult, Blonde Lies, Dronken Jopie, Japie van de Wal. De hoeren stonden op straat voor de deur, ik noemde ze allemaal tante. Bij al die tantes kwamen dan mannen op bezoek die je weer oom noemde. Ik had er als kind geen last van, vaak kreeg je een dubbeltje of kwartje van een tevreden klant. De mensen op Katendrecht waren arm, ik sliep met twee broers op een kamer, maar je had ook gezinnen waar ze met z'n zessen een kamer moesten delen.
Mijn opa was China ontvlucht vanwege de communisten en kwam uiteindelijk in Rotterdam terecht, waar hij met een Nederlandse vrouw trouwde. Eigenlijk heten we Chong, maar dat begrepen ze op het gemeentehuis niet. Toen hebben ze het maar tot Tsang verbasterd. De modeontwerpster Fong Leng is weer een zus van mijn vader.
Mijn broertje en ik kwamen vaak in het boardinghouse van Keja. Dat was in feite gewoon een opiumkit, waar de Chinezen aan pijpen lagen te lurken. Net Kuifje en de Blauwe Lotus, maar wisten wij toen veel. Pas later kwamen we erachter dat ze dope rookten. Aan het einde van de jaren zestig was het afgelopen met de opiumschuiverij. De Chinezen op Katendrecht zeiden dat Keja op vakantie was naar China, maar hij zat hier gewoon in de bak.
Op de hoek van de Atjehstraat en de Sumatraweg zat een gokhuis, daar kwamen we iedere dag. In de Atjehstraat woonde Sing, de pindaman. Hij maakte blokken van caramel en noten en verkocht die hier op de markt. Met Chinees nieuwjaar gingen we iedereen in de boardinghuizen gelukwensen, dan kregen we een paar piek en konden we naar boven om te gokken. Ik had een oom in Den Haag, genaamd A Pek. Als ik bij hem logeerde, nam hij me altijd mee naar Chinese karatefilms. Dat was nog ver voor de films van Bruce Lee.
Op school scholden ze mij en mijn broertje uit voor pindapoepchinees. Maar eigenlijk werden Chinezen nauwelijks gediscrimineerd op Katendrecht. Ik heb me nooit geschaamd voor mijn afkomst. Ik zat op de havo in Kralingen, daar keken ze echt op je neer als je van Katendrecht kwam. Kralingen was de kakbuurt. Nog steeds reageren mensen vreemd als je zegt dat je op Katendrecht woont. Wat, zeggen ze dan, op Katendrecht, met al die teringhoeren? Ze denken dat het nog steeds zoals vroeger is.’
JOHN TSANG wordt bijna weemoedig als hij uit het raam kijkt. 'Je vindt hier niets meer terug van het oude Katendrecht. De toko’s zijn verdwenen, er is nog maar een Chinees restaurant. De meeste Chinezen zijn naar het centrum getrokken. De Chinezen die hier nog wonen werken de hele dag, je ziet ze amper op straat. Bij mij op het plein zie ik nog wel eens Chinese kinderen basketballen. De nieuwe generatie Chinezen heeft andere gewoonten, ze gaan niet meer naar een Chinees gokhuis maar naar het Holland Casino. Er zijn sowieso geen winkels meer op Katendrecht. Vroeger had je vier bakkers, vier slagers, zeven kruideniers. De laatste slijterij is ook verdwenen. Tegenwoordig moet je naar de C1000 tegenover metrostation Rijnhaven. De peeskamertjes zijn ook verdwenen, maar er werken nog steeds hoeren op Katendrecht. Als je ’s avonds een biertje gaat drinken op het Deliplein, word je heus wel aangeklatst door een hoer. Sommigen zitten al veertig jaar in het vak. Pruiken Linda bijvoorbeeld, die lijkt sprekend op Tina Turner. Als je die ziet denk je, ik word maar homo. Bovendien rolt ze de klanten ook nog. Dat die nog klanten heeft, niet te geloven.’
Ben Lock: 'De gemeenschapszin is weg op Katendrecht. Vroeger zat iedereen buiten op straat te ouwehoeren, dat zie je niet meer. Er is geen sfeer meer op Katendrecht. Mijn schoonmoeder woont er, dus ik kom er nog regelmatig. De gokhuizen, de restaurants en de opiumkitten zijn verdwenen. Waarschijnlijk gebruiken ze nu heroïne, snuiven ze of zo. De gokhuizen zijn weggegaan omdat er een vrouw op Katendrecht actie begon te voeren. Vervolgens zijn ze allemaal dichtgetimmerd. Ze vond dat die gokhuizen een slechte invloed hadden op de jeugd. Wij hadden er vroeger echter nooit last van, dat vond je heel normaal.’
Jo Kraaijeveld: 'Mijn man had wel eens driftbuien als er iets mis was in de zaak. Hij ging dan tegen de grond of zat raar te kijken en dan gaf ik hem een glas water. Verder zei ik niets, ik bleef stil zitten. Op een gegeven moment zei hij tegen mij, jij wordt honderd jaar. Waarom honderd jaar, zei ik. Omdat je nooit kwaad wordt. Hij is overleden aan zijn galblaas, twaalf jaar geleden. Sinds hij zijn restaurants had moeten sluiten, omdat hij schulden had bij de slager, de kippenboer en de belasting, ging het bergafwaarts met hem. Zijn naam stond in neonletters op de gevel van onze laatste zaak, hier op Katendrecht. Op de dag dat hij dood ging, viel de verlichting van zijn naam uit. Het personeel zei al dat hij dood was nog vóór ze het van mij hadden gehoord.’