…poesje…446

Een boek schrijven. Ook dat wilde ik al vroeg. Over het verschil tussen saus en sauzen. De waarheid als leugen gebracht, met een Vliegende Hollander alle shortcuts in de hersenen doorgesjeesd. Lelijk en mooi even lang tegen het licht houden.

Twaalfjarige wonderjongen schrijft boek over het leven als saus en saus als het leven. In Parijs op een hotelkamer, in de rue Monsieur le Prince. Een titel had ik ook al: Cherchez la sauce! Alsof er niets was gebeurd, intussen.
Maar nog meer levenservaring kon geen kwaad.
Ik besloot de Jardin des Plantes te bezoeken. Niet voor de bloemen en bladeren, maar om het Zoologisch Museum dat daar nog in zijn oorspronkelijke vorm aanwezig was. Een dolgedraaide negentiende-eeuwse uitstalling van wat er ooit of nog steeds harig krioelde, gevederd fladderde, schubbig spartelde en gladgeschoren quickstepte.
Bruin en stoffig daar. Uitgestorven in twee betekenissen en vele vormen. Van dodo tot buidelwolf. Pterodactylus tot archeopteryx.
Afgekloven ribbekasten zo groot als verhuiswagens en via losse eindjes ijzerdraad opnieuw overeind gezette overblijfsels van mammoet en antieke veldmuis. Langs de wanden glazen kasten. Een was er gevuld met louter spijsverterende ingewanden, van trilobiet en sidderaal maar ook van blauwe gnoe en blanke boekhouder. In de volgende stonden dertig weckflessen met evenzovele hersenen op sterk water: van bromvlieg, fox-terrier en verpleegstershaai.
Opeens stond ik voor de meest bizarre aller kasten.
In die kast zag je: de puntgave piem van de poema, de snelle snikkel van de slang, de paarse pruim van de paradijsvogel, het indrukwekkende waterdichte doosje van de walvis, de plasser van de pinguin. Zelfs de jongeheer van de mens en het poesje van de poes waren niet vergeten. Met moeite rukte ik mij er van los, waarna het tijd was voor het middagmaal.