Poespas, onpas en zwembadpas

Lewis Carroll, De avonturen van Alice in Wonderland en Achter de spiegel. Uit het Engels vertaald door Nicolaas Matsier, uitgeverij Van Goor, geillustreerd, 266 blz., f49,90
De jury, bestaande uit Graa Boomsma, Yves van Kempen, Jacq Vogelaar en Xandra Schutte, koos Lewis Carroll, De avonturen van Alice in Wonderland en Achter de spiegel in de nieuwe vertaling van Nicolaas Matsier tot boek van de maand november. De andere boeken die meedongen waren:
Voltaire, Candide, (vertaald door Hans van Pinxteren, uitgeverij Veen, 143 blz., f34,90). Voltaires satire op de optimistische filosofie van Leibnitz - ‘Wij leven in de beste van alle mogelijke werelden’ - is nog steeds geestig. De rampspoeden die Candide ondergaat zijn in glashelder Nederlands vertaald.
Roberto Arlt, De vlammenwerpers (vertaald door Mariolein Sabarte Belacortu, uitgeverij Coppens & Frenks, 314 blz., f57,90). Het magistrale vervolg op het meesterwerk De zeven gekken. Arlts Argentijnse personages breken door alle grenzen van gekte heen en verdrinken in politieke en seksuele complotten. De lezer blijft vertwijfeld achter.
Piero Camporesi, Het onvergankelijke vlees (vertaald door Annie van Rest, uitgeverij Sun, 335 blz., f44,50). De droom van het onvergankelijke lichaam en de angst voor het verval - tussen deze polen beweegt zich de ervaring van het lichaam in de voormoderne tijd. De Italiaanse literatuurhistoricus heeft rond dit thema een overweldigende hoeveelheid historische getuigenissen verzameld.
WAS HET NIET Aristoteles die schreef dat de oorsprong van alle denken in de verwondering lag? Wat jammer dan voor hem dat hij Alice nooit heeft gekend, de zeveneneenhalfjarige spring-in-‘t- veld uit Alice in Wonderland en Achter de spiegel, die geniale schepping van Lewis Carroll. Want als er iemand is die de gave van het zich verwonderen heeft, die ogen als schoteltjes kan krijgen bij al die gewone, bijzondere en bizarre dingen die ze tijdens haar lange reis door de slaap meemaakt, dan is zij het wel.

Geen wonder dus dat filosofen, psychoanalytici en literatuurtheoretici van allerlei soort zich als begeesterde schriftgeleerden over Carrolls verslag van haar belevenissen hebben heen gebogen en dat zowat elke beweging van haar, elke gedachte, opmerking, aanwijzing of tegenwerping is geparafraseerd, geinterpreteerd en becommentarieerd. Zelfs heeft ooit iemand het in zijn bolle Wiggel- Waggel-hoofd gehaald om de hele geschiedenis over Alice te duiden als een episode uit de plaatselijke kerkhistorie.
WAT IS TOCH het geheim van die niet-aflatende veerkracht van dit boek dat nu al langer dan een eeuw jong en oud weet te boeien? Ligt dat misschien verborgen in de vele eigenschappen die de kleine koningin heeft? Want al kun je niet of nauwelijks over een karakter spreken (dat spat alle kanten uit, ze moet haar identiteit nog vinden), Alice heeft daarom natuurlijk wel alles wat een kind tot kind maakt. En daarmee ook alles waarin jong zich kan herkennen en waarover oud nog steeds vertederd kan raken omdat die er zijn eigen jeugd in terugziet.
Alice houdt voor beiden een spiegel op. Ze is vriendelijk en ondeugend, slim, astrant, humoristisch, spits, dom en eigenwijs, ze kan medelijden opwekken en met het lot van anderen begaan zijn, ze is dromerig, nieuwsgierig, goedgelovig en hulpvaardig. In al die hoedanigheden zit ze in de hoofden van haar ontelbare lezers en liefhebbers, in al die gedaanten is ze ook getekend. Allereerst door haar geestelijke vader die haar modelleerde naar haar alter ego, het meisje waaraan hij in dat beroemd geworden roeitochtje zijn verhaal voor het eerst vertelde, Alice Liddell. Hij maakte er een Victoriaans krullekoppie van, een lieverdje voor alle tijden. A. L. Bowley tekende haar als een romantisch dromertje en gaf haar een gezichtje dat als plakplaatje elk poezie-album zou verrijken en de Alice van W. H. Walker had een heldin in een stripverhaal kunnen zijn.
Maar het beroemdst is ze geworden in de fysionomie die John Tenniel haar gaf. Zijn tekeningen illustreren ook dit door Van Goor zo schitterend uitgegeven boek, dat volledig tegemoet komt aan de eis die Alice al op de eerste pagina van haar lotgevallen stelt: dat elk goed boek plaatjes hoort te bevatten.
GOED, DE KLEINE Alice is een ding, maar er is uiteraard meer voor nodig om zolang op de planken te blijven en toch nog steeds ovationeel applaus te oogsten. Het zal dus wel om een combinatie van factoren gaan. Reverie en fantasie spelen ongetwijfeld ook hun rol. En de taal en de combinatie van dat allemaal.
Zo herinnert het stramien van het verhaal in alles aan de droom met zijn plotsklapse overgangen, wisselingen van niet bij elkaar passende ruimten, onverwachte veranderingen aan het lichaam, kledingstukken die er plotseling wel of niet meer zijn, het ongemak dat overbekende feiten en omstandigheden ineens uit het geheugen zijn verdwenen, het voortdurend onderliggende besef dat er iets vreemds aan de hand is al komt veel nog zo vertrouwd over. Dat stramien maakt het verhaal logisch, al zit het vol met onzin, het maakt het ook vertrouwd ondanks alle buitenissigheden. En zo ongemakkelijk willen de meeste lezers maar al te graag worden behaagd in hun veilige leesfauteuil.
Het ongebreideld fantaseren heeft zijn climax in de bonte cavalcade der dieren, een stoet waarin een griffioen, nepschildpad, eenhoorn, het aangekleed konijn en de waterpijprokende rups de show stelen, en daarnaast de hallucinerende wereld van kissebissende bloemen, levende schaakstukken, speelkaarten die zich gedragen als mensen en het sprekende ei Wiggel Waggel.
Die wonderlijke wereld mag wat Lewis Carroll betreft uitbundig met elkaar kreeftenquadrillen. Maar ook ongegeneerd voor zichzelf spreken, en daarin ligt misschien nog wel het meest verbazingwekkende aan dit boek, in het feit namelijk dat er geen moraal in wordt opgelegd. Zeker, er komen raadgevingen en wijze lessen in voor, maar die beheersen het verhaal niet.
Ze zijn daarbij opvallend goed gedoseerd voor een boek dat stamt uit een tijd waarin kinderen moesten worden opgevoed tot ordentelijke staatsburgers - meisjes dus tot moeders en jongens tot hardwerkende leiders, arbeiders, boeren of soldaten. Toen puilden de kinderboeken uit van thema’s als: met doorzetten bereik je elk ideaal, vrienden en vriendinnen belonen een aardige omgang met eeuwige trouw, help de zwakken, eer je vader en je moeder.
Eigenlijk varieren ze allemaal op de een of andere manier de wetten uit de tien geboden. Maar bij Lewis Carroll nauwelijks iets van dat al. Bij hem wint de fantasie het; hoe vaker de Hertogin de moraal weet bij een al dan niet verteld verhaal, hoe belachelijker zij zich maakt.
CARROLL IS een taalvirtuoos en zijn nieuwe vertaler is dat niet minder. Wellicht de grootste kracht van het boek schuilt in zijn veeltaligheid, daarom zou je de taal minstens evenzeer hoofdpersoon kunnen noemen als Alice zelf. Wat Nicolaas Matsier allemaal heeft weten te maken van het woordspel, de parodieen en kolderdichten waarmee Carrolls meester werk is doorspekt, is een feest voor oog en oor. Dat duidt op grote verwantschap naar letter en geest.
Het lijkt voortdurend strooiavond, zoals een enkel voorbeeld al duidelijk kan maken. Bijvoorbeeld deze passages uit Het verhaal van de Nepschildpad, waarin Alice naar het lesrooster van het treurige dier informeert. ‘Om te beginnen natuurlijk lui zijn en schreeuwen’, gaf de Nepschildpad ten antwoord, 'en verder de verschillende onderdelen van het rekenen - optillen, afbekken, gemenevuldigen en stelen’. En even verderop volgt op de vraag wat ze nog meer leerden: 'Bijbelse en vaderlandse vergetenis, aanwijskunde, verder schadelijke oefening - dat kregen we van een oude zeepaling, een keer in de week; die leerde ons de poespas, de onpas en de zwembadpas.’
Inventiviteit spreekt ook uit de naamgeving voor het rondbuikige tweetal uit Achter de spiegel, Fiedeldij en Fiedeldop, vanwege de speelse hint in de richting van een van Nederlands bekendste kinderpsychologen. Van dit soort kleine volkomenheden wemelt de tekst, ze maken het geheel tot een grootse vertaling.
Te midden van alle fiddlededee, van alle koeterwaals dat Alice over zich heen krijgt en alle nonsensfiguren die ze tegenkomt in de wereld waarin ze rondstapt, is zij zelf eerst en vooral het toonbeeld van nuchtere onbevangenheid en gewoonheid. Ze is het modelkind dat beleefd knicksend en met twee woorden sprekend haar weg zoekt maar toch ook wel haar gang gaat. Ze raakt zelden van haar stuk door al het kwetsend en zwetsend gedoe om haar heen. Alle onwelvoeglijkheden die de dieren en andere figuren haar aandoen, hun grauwen, snauwen en klauwen pareert ze voorbeeldig; zelfs met de Koningin uit het kaartspel die iedereen een kopje kleiner wil maken, weet ze wel raad. Van alles en iedereen probeert ze te leren, maar veel wijzer wordt ze uiteraard nergens van. Daarvoor is de wondere wereld om haar heen te grillig.
De onconventionele manier waarop Lewis Carroll zijn Alice met de vraag Wie ben ik? op pad stuurt, zou uiteindelijk voor kind en opvoeder nog wel eens het meest tot de verbeelding sprekende element kunnen zijn van dit boek.
In ieder geval is er nu dan eindelijk een even complete als flonkerende vertaling van dit literair juweel. Want Matsier vertaalde ook wat zijn voorgangers nalieten; het opdrachtgedicht waarmee De avonturen van Alice in Wonderland opent, het opdrachtgedicht waarmee Achter de Spiegel begint en het acrostichon dat dit vervolgdeel afsluit.
Chapeau derhalve, ook namens de Hoedenmaker.