Kunst: To Catch a Falling Feather

Poëtische opmerkzaamheid

Een bezoek aan Arti et Amicitiae in Amsterdam is altijd een beetje wonderlijk. Het is een mirakel dat de vereniging nog bestaat; opgericht in 1839, kreeg een jaar later een eerste ‘kunstzaal’, in 1856 uitgebreid met een tweede door architect J.H. Leliman en in 1893/94 werd het pand nog eens verbouwd door Berlage en Bleys. Het is fraai en eerbiedwaardig, er worden goede tentoonstellingen gegeven en de sociëteit is in vol bedrijf, en toch vraag ik me elke keer af waarom daar niet méér gebeurt.

Als er nou íets in de kunstwereld aan de orde is, dan is het wel het entameren van contact tussen kunstenaars, burgerij en bedrijfsleven, de klanten en de steunpilaren. Daar is de vereniging ooit voor opgericht, om kunstenaars – toen van laag sociaal allooi – op een beschaafde manier in contact te brengen met kunstliefhebbers. De twee zalen, met prachtig bovenlicht, zijn in die geest gebouwd. Ze liggen midden in de stad, en toch heb ik er regelmatig voor een dichte deur gestaan. Ondertussen biedt Arti dezer dagen een tentoonstelling van zes kunstenaars, Eelco Brand, Lon Godin, Lynne Leegte, Lin de Mol, Lara de Moor, Erik Odijk, die meer aandacht zou verdienen. De kunstenaars zijn verenigd onder de titel To Catch a Falling Feather en hebben volgens de curatoren ‘een zekere poëtische opmerkzaamheid’ gemeen, alsmede een liefde voor het ambacht. Of dat de lading compleet dekt weet ik niet, maar de meeste werken ­hebben een voorzichtige relatie met de natuur, of het leven buiten.

Heel goed zijn de schilderijen van Lara de Moor. Zij hanteert een zorgvuldig soort ­realisme dat je bijna magisch zou willen noemen. Je ziet alledaagse beelden – een opgewrongen tafellaken, een volle wasbak, een bureau voor het open raam – die banaal zijn en toch meteen een gebeurtenis doen vermoeden. Hier heeft iemand met zijn poten in de inkt gezeten, iets goors in de wasbak uitgespoeld, of zoiets. Het zijn geen Tuymans-schilderijen, daarvoor zijn ze te anekdotisch, maar intrigerend zijn ze zeker en de verteltrant verraadt grote beheersing. Even goed leken mij de grote doeken van Lon Godin. Dat zijn oefeningen in abstractie met de grote kwast – grote vegen transparante verf, in een kalm patroon, zwart, grijs, wit, over een donkerder ondergrond. Het resultaat zit ergens tussen eenvoudige maar evenwichtige onherkenbaarheid en zoiets als een systeemplafond of een grof weefsel. Godin levert ook twee video’s. Eén daarvan, Nature Morte (2005), is een opeenvolging van snelle schetsen, in verf, die eigenlijk allemaal tot zo’n groot schilderij hadden kunnen leiden. Het is een aardige film, een tocht door het schetsboek van de maker, waardoor je begrijpt wat het verschil is tussen een snelle observatie, een opgetekend idee, en een echt werk – zo’n groot ding, dat een schilderij nu eenmaal is. Ten slotte noem ik drie zeer grote tekeningen van Erik Odijk, prachtige arbeids­intensieve studies van patronen en effecten in de natuur. Het zijn geen letterlijke weergaves; het kan een waterval zijn, of een bast-structuur, of een schimmel. Odijk voert zijn pen kennelijk als een bijna intuïtieve kennismaker met de buitenwereld. En ja, dat kun je best poëtische opmerkzaamheid noemen.


To Catch a Falling Feather, Arti et Amicitiae Amsterdam, t/m 6 oktober. arti.nl