Poetische politiek

Ooit was de radicale criminoloog van mening dat het strafrecht moest verdwijnen. Tegenwoordig zit hij voor de Stadspartij Rotterdam in de gemeenteraad en vindt hij dat de misdaadr stevig moet worden aangepakt. Manuel Kneepkens: dichter, criminoloog, anarchist, gemeenteraadslid, avantgardist.
IN HET ROTTERDAMSE grand cafe Dudok becommentarieert Manuel Kneepkens (53) de parlementaire enquete over de opsporingsmethoden. ‘Die enquete zou ons ook iets moeten leren over de aard en omvang van de georganiseerde criminaliteit. Fijnaut heeft echter alleen maar politiedossiers onderzocht, dan krijg je vanzelf zo'n schertsvertoning met die mannen met pruiken op. Natuurlijk infiltreren die drugsbaronnen in de bovenwereld, ook al zegt Fijnaut dat niet te kunnen aantonen. De politie is geen intelligente dienst en vangt dus ook alleen maar domme boeven. Je moet zoeken naar de mensen die ineens dertig miljoen op hun rekening gestort krijgen. En voor het uitpluizen van allerlei boekhoudkundige trucs met Liechtenstein-adressen is er veel meer internationaal politiewerk nodig.

Dat werkt beter dan onwettige opsporingsmethoden. De wet kent geen gecontroleerde doorlevering, dat kun je zo van achter de schrijftafel zeggen. In een rechtsstaat moet alles wat een overheid jegens een burger mag doen, omschreven staan. Maar ik begrijp wel dat ze die methoden nodig hebben, anders vangen ze nooit meer een boef.’
Justitie ziet niets in het ‘vredesmodel’ van legalisering van hard drugs, en is daardoor in het 'oorlogsmodel’ verzeild geraakt. In dat model kun je, meent Kneepkens, de politie tijdelijk meer bevoegdheden geven om de heroinebaronnen aan te kunnen pakken. Als zulke uitgebreide bevoegdheden toch nog overschreden worden, moet dat echter niet leiden tot het vrijuitgaan van de verdachte, zoals nu soms gebeurt.
Kneepkens: 'De betreffende agent moet zelfstandig berecht worden in een proces. Daarbij kan hij zich verdedigen; als er bijvoorbeeld heroine is gevonden bij zo'n inbraak, kan hij zeggen: het was wel fout, maar daar staat iets tegenover. Zoals iemand die een auto gestolen heeft, mag wijzen op het feit dat hij snel een doodziek kind naar het ziekenhuis moest brengen. Ik vind het raar dat de politie een gevonden kilo heroine ineens niet meer als bewijs mag gebruiken als zij buiten haar bevoegdheid is getreden.
Een soldaat mag doden, dat is zelfs zijn opdracht. Maar hij mag niet zomaar een bom gooien op Rotterdam, hij mag alleen militaire doelen aanvallen. Ook in een oorlogssituatie is er recht. Ik denk dus dat het helemaal opnieuw moet. Maak een wet Georganiseerde Misdaad; definieer georganiseerde misdaad en laat daarvoor andere opsporingsregels gelden dan voor gewone boeven. De straffen gaan omhoog en meer methoden zijn geoorloofd. Maar het moet geen totale oorlog zijn. En het moet tijdelijk zijn. Als je maar onder ogen ziet dat het hier gaat om iets heel nieuws, iets postmoderns: de maffia in Nederland.’
'HET DRUGSPROBLEEM is inherent aan de grootstedelijkheid’, zegt Kneepkens. Zijn Stadspartij heeft zich met succes verzet tegen de opsplitsing van Rotterdam en de vorming van een stadsprovincie Rotterdam. 'Met een opdeling los je de problemen van de grote stad niet op. Je maakt ze zelfs erger. De goede kant van de grootstedelijkheid, de creativiteit die de motor is van het geestelijke leven, verdwijnt en de slechte blijf je houden. Bij het referendum stemde de meerderheid van de Rotterdammers tegen de stadsprovincie. Daaruit blijkt dat Rotterdam nu ook eindelijk een grote stad is geworden. Tijden lang was het een slavenstad waar de mensen niet gewend waren om lastig te zijn. Er staan nu twee Amsterdammen tegenover de regenten uit dat dorp Den Haag. Eindelijk heeft Rotterdam nu ook intellectuelen en half-intellectuelen: journalisten, kunstenaars, studenten en een kritische middenstand. Mensen die geen arbeider zijn maar ook geen regent, en die de motor zijn voor verandering. Als het volk met die groep samengaat, verliezen de regenten.
De zondag na het referendum toen er almaar mensen kwamen om me te feliciteren, voelde ik iets wat ik eerder alleen had gevoeld tijdens de bezetting van het Maagdenhuis. In de straten merkte je toen dat de democratie een feest is. Even is er een soort vrijheidsgevoel waarbij het helemaal niet uitmaakt wie er naast je loopt. Ook Rotterdam is nu even vrij geweest. En nu krijg je de mensen niet meer terug in de hokken.’
De Spangense bewonersopstand tegen het drugstoerisme ziet hij ook als een uiting van dat nieuwe Rotterdamse vrijheidsbesef: 'Ik vind het volkomen rechtvaardig dat het volk tegen de overlast in opstand komt. Maar vooral de slimme wijze waarop ze dat doen, interesseert me. Ze halen de nummerplaten van die auto’s af, dan moet de politie ze in beslag nemen omdat het officieel wrakken zijn. Geniaal, daar is over nagedacht. Het gaat ook vrij geweldloos, er is maar twee keer met stenen gegooid. En neem de Busken Huetstraat. Daar zitten junks in dichtgetimmerde huizen, en bewoners gaan die huizen dan opnieuw dichttimmeren. Iemand belt de politie en zegt: aan de overkant zijn ze panden aan het dichttimmeren terwijl er nog mensen in zitten. De politie komt, haalt die mensen eruit en die verdwijnen dan. Dat zijn slimme acties.
Uiteindelijk nemen de mensen hun verantwoordelijkheid. De overheid interesseert ze niet meer. Zonder dat er chaos ontstaat. Die bewonersorganisaties vallen echt niet in handen van de Centrumdemocraten of CP'86. Toen er mensen van CP'86 bijkwamen, zijn ze weer met de acties opgehouden. Het is geen rechts verzet, misschien hier en daar wat conservatief, maar wel fatsoenlijk. Voor Nederland is dat heel wat. Dat we hier toevallig Mondriaan hebben gehad, wil nog niet zeggen dat dit het land van de avant-garde is. Ook als intellectueel moet je met je acties niet te ver voor de troep uit lopen. Je moet ze mee krijgen.’
Als Rotterdam heel blijft, kan de Stadspartij worden opgeheven. 'Maar als ze de stadsprovincie willen doorzetten en Hillegersberg, Schiebroek, Ommoord en Alexanderpolder willen afscheiden, is dat voor mij niet acceptabel. Dan komt de Stadspartij in die wijken en worden ze teruggehaald. Ik heb niets te maken met Dijkstal en VandeVondervoort. Dat zijn Haagse dorpsregenten die niets van grootstedelijkheid begrijpen. Het lastige Amsterdam haatten ze altijd al, en nu dus ook Rotterdam. Maar die mensen betekenen niets. Als ik ze op hun hoofd sla, steekt niemand een vinger voor ze uit.’
TOEN ZIJN BEZIGHEDEN voor de Stadspartij steeds meer tijd kostten, pakte Kneepkens zijn biezen bij de Erasmusuniversiteit, waar hij als criminoloog werkzaam was. 'Ik had bovendien ook lang niet meer die invloed die ik in de jaren zeventig had. Hoogstens had ik nog het slechte imago van een Bianchi-aanhanger, een abolitionist die voor de afschaffing van het strafrecht is. Ik kon daar vroeger wel nieuwe ideeen brengen, maar je bent toch altijd gedwongen de oude opvattingen te examineren. Gezien de markt mag een jurist in Rotterdam nou eenmaal niet afwijken van die in Leiden. De universiteiten zijn de gevangenissen van de geest. Steeds lever je mensen uit aan het systeem zonder dat ze geleerd hebben hoe ze daar iets aan kunnen veranderen. Eigenlijk begon ik op de universiteit steeds meer te collaboreren, mensen op te leiden voor een systeem dat ik veracht.’
De criminoloog Herman Bianchi, een van de leermeesters van Kneepkens, heeft consequent gepleit voor het afschaffen van het strafrecht. Zogeheten piecemeal-activiteiten, die met kleine veranderingen het doel proberen te bereiken, waren volgens hem uit den boze. En hij vond - anders dan Kneepkens - dat een ware abolitionist het strafrecht ook nooit op de strafrechtsbeoefenaren moest toepassen. Kneepkens: 'De gezindheid van Bianchi is zuiver, maar de daadkracht nadert nul. Zoals de orthodoxe anarchisten die maar zeuren over het parlement, terwijl het parlement er gewoon is. Als je in een parlementaire situatie politiek gaat doen, zoals ik in de gemeenteraad, word je deels ingepakt, zeker. Maar de prijs die de zuivere anarchist betaalt, is dat hij niet meedoet.
Een kleine verandering in het strafrecht kan wel degelijk het doel van Bianchi naderbij brengen. Het strafrecht aanpakken komt toch helemaal achteraan; preventie in de steden zit vooraan. De gemeente is oneindig veel belangrijker voor het bestrijden van de criminaliteit dan Justitie. Als het in de wijken en op de scholen goed gaat, heb je de criminaliteit al met een behoorlijk percentage verminderd.
Bianchi heeft natuurlijk wel heel belangrijk werk gedaan met het presenteren van andere modellen. Iets eenvoudigs als het zogeheten twee-fasenproces zou voor de bestrijding van de kleine criminaliteit al een hele vooruitgang zijn: dan heb je het eerst over het bewijs en daarna ga je in een andere setting om de tafel zitten om te regelen wat er gedaan moet worden om het wieder gut zu machen. Er is dan geen sprake meer van een verdachte, maar van iemand die samen met anderen naar een oplossing zoekt.’
De radicale, maatschappijhervormende criminologie is volgens Kneepkens echter altijd een kasplantje geweest. 'Het sloeg niet aan omdat het strafrecht in een revolutie altijd het laatste is dat omwentelt. Op gruwelen als moord en verkrachting kun je ook nooit een goed antwoord geven. Na de Buikhuisen-affaire viel de criminologische vereniging uit elkaar en daarna is het nooit meer goed gekomen. Omdat Buikhuisen op scherp stelde dat criminaliteit genetisch was bepaald, kwam hij lijnrecht te staan tegenover de school die stelde - zonder overigens te ontkennen dat er wellicht biologische aanleg is - dat de maatschappij de criminaliteit maakt.’
Buikhuisen noemde zijn benadering socio-biologisch, maar volgens Kneepkens is 'socio-biologisch-biologisch-biologisch’ een betere omschrijving. 'Tachtig procent van Buikhuisens werk ging over het biologische en twintig procent over het sociologische. Om de haverklap de genen en zo en dan nog eens tien bladzijden de maatschappij. Maar zo ligt het niet. De kritiek van Bianchi en anderen op Buikhuisen is altijd fair geweest. Hij vergiste zich bijvoorbeeld met giftige stoffen, nitriet en nitraat. Dus hij heeft het heel stom aangepakt. Buikhuisen is in een crisis geraakt en is nu, hoe freudiaans, antiekhandelaar geworden. En dat kwam allemaal doordat hij wereldvreemd was. Wie het wil hebben over de biologische oorzaken van criminaliteit moet zich realiseren dat er een erfenis is uit de eugenetica en de tijd van Hitler; in een of ander hoofdstukje moet je daar toch iets over zeggen. Het opvallende was ook dat hij voor zijn onderzoek onmiddellijk heel veel geld kreeg omdat de conservatieven dat wilden. En misschien ga je iemand die veel geld krijgt, wel harder aanvallen dan noodzakelijk is. Maar Buikhuisen moet niet achteraf vertellen dat Piet Grijs zijn aftocht op het geweten heeft. Want in de wetenschappelijke discussie speelde die geen enkele rol.’
VAN OUDSHER HEBBEN criminologen de gewoonte om ook gedichten te schrijven. Dessaur (Andreas Burnier), Bianchi en Nagel (J. B. Charles) vormen illustere voorbeelden. Manuel Kneepkens is geen uitzondering. Zomer 1996 zal zijn nieuwe bundel Landschap met vakantie uitkomen. 'Ik heb me altijd afgevraagd wat het verband is tussen de criminologie en het dichterschap. Misschien is het zo dat je, als je het licht hebt gezien, ook de schaduw ziet. De criminologie houdt zich met de schaduw bezig. Maar bij de romantische misdadigers zit ook enorm veel creativiteit en onaangepastheid. Het heeft dus met de romantische opvatting van het dichterschap te maken.
Voor mij zijn mijn activiteiten als dichter, als gemeenteraadslid en als criminoloog een en dezelfde bezigheid: het aanschijn der aarde vernieuwen. Het is een gezindheid, een bepaalde wijze van zuiver kijken naar de zaak. Je moet je handen vuil maken, zoals Sartre zegt, maar uiteindelijk moeten ze weer schoon worden. Zoals de handen van kinderen. Mijn gedichten gaan dus heel vaak over de situatie van het kind en de verhouding met de natuur die je het spontaanst beleeft als je nog een kind bent. Daarna ga je erover lezen en krijg je een volwassen houding tot de natuur, die zelfs kan omslaan in een soort anti-natuurhouding. Dan moet je weer terug.
Landschap met vakantie heeft heel sterk met ecologie te maken. Wegens tijdgebrek schreef ik het op vakantie, maar ook het hele landschap is met vakantie gegaan. Het raakt leeg, het raakt weg. Het milieu en de ecologie raakt weg. Ik gebruik het woord vakantie dubbel: afwezig, vacant. De vakantie van dit landschap moet je negatief interpreteren. Maar het is dubbel, ik spreek me niet duidelijk uit. Dat hoef je als dichter ook niet. Het is net als bij een koorddanser. Zo gauw je weet hoe het moet, val je van het koord.’
In zijn in 1982 verschenen bundel Oorlogsprins staan twee gedichten die sterk met elkaar verbonden zijn: 'De onvolmaakte meester’ en 'De volmaakte meester’. Kennelijk is 'de onvolmaakte meester’ iemand die in de samenleving iets probeert te bewerkstelligen en moet constateren dat hij daar nooit volledig in slaagt. 'De volmaakte meester’ leeft in een natuurtoestand, corrumpeert en engageert zich niet, en behoudt daardoor zijn volmaaktheid. Kneepkens: 'Nu kies ik natuurlijk voor de onvolmaakte meester. Die kant van de zuiverheid heb ik wel in mij, maar ik wil niet als verlichte de hemel ingaan als niet iedereen meegaat. De onvolmaakte meester blijft onder de mensen. Hij gaat pas naar binnen als de laatste mens ook in de hemel is. Dat is de oplossing voor iemand met een avantgardefunctie. Die heb ik natuurlijk in zekere mate omdat ik een goede opleiding mocht hebben, dichter ben en een zeker charisma heb. Dat schept verplichtingen.
Misschien kom ik ooit nog eens tot een zuiverheid. Maar het gaat langzamer dan je denkt. Dat neemt niet weg dat ik me niet aan mijn opdracht mag onttrekken. Ik mag niet teleurgesteld zijn als het niet lukt met Dijkstal - Stalin achter de dijken - of die iron maiden VandeVondervoort. Misschien moet ik straks accepteren dat Rotterdam tot vierhonderdduizend mensen beperkt wordt. Maar dat hebben we dan toch voor elkaar gekregen. De miezer die ik ben, de outsider, heeft het al ver geschopt. Maar ik heb het niet alleen gedaan.’