Poezekind (1)

‘O ja’, zei de eigenaar van het huis, nadat we dat geregeld hadden wat komt kijken wanneer je de bewoning een maand overneemt, ‘de poes is waarschijnlijk zwanger.’ Er was nog fikse tijd te gaan voor de overdracht maar uit zijn gemaakt-nonchalante toon leidde ik af dat de bevalling voor noch na ons verblijf werd verwacht.

Ik besloot het te dragen als een kerel. Was niet mijn generatie afgestapt van de gewoonte om tijdens de geboorte van ons nageslacht te ijsberen langs Schinkel of Merwede, een kaars te branden voor Maria of te slempen in kroeg of bordeel? Waren wij niet meegegaan naar zwangerschapsgymnastiek om dezelfde oefeningen te doen die onze zwellende gades verrichtten opdat wij hen tijdens het uur U zouden herinneren aan de juiste technieken wanneer zij die, door wee en emotie, zouden vergeten? Konden wij daardoor niet met enig recht zeggen ‘wij zijn zwanger’? En waren wij er niet, inderdaad, wanneer het gebeurde en zij ons nodig hadden, om handen vast te houden, verkoelende washandjes over voorhoofden te strijken, inwendig biddend en smekend niet zelf flauw te vallen omdat we niet tegen de pijnen van onze allernaasten konden en wellicht zelfs geen bloed konden zien; en, vooral, om de opdrachten van de arts te herhalen die door hen in paniek niet gehoord werden (ons hoorden zij wel)? Zagen wij niet als eerste of tweede degeen die geboren werd en ons leven voorgoed zou veranderen?
En zouden wij dan terugdeinzen voor een kattenbevallinkie? Ook als het de eerste van ons leven zou zijn omdat ons eigen poezekind 'het’ alleen maar met een gecastreerde kater had gedaan? Spinnend hoorden we verhalen over poezen die spoorloos verdwenen om tijden later achter op zolder trots vijf beeldige kinderen te tonen die inmiddels al hadden leren lopen, zindelijk waren, een beetje konden lezen en met twee woorden spraken. Dat moesten we makkelijk aankunnen. En we verdrongen het nare verhaal over een bevalling die moeder het leven kostte, dat een kennis zo nodig moest vertellen.
Bij aankomst troffen we de jonge poes en stelden met een mengsel van opluchting en teleurstelling vast dat als zij zwanger was, wij het ook waren. We herinnerden ons de buik waaruit onze dochter was geboren en zagen een slanke den, half cypers, half lapje.
Maar op een avond werd het toch ernst. Ze sprak ons klaaglijk aan en eiste dat we haar volgden naar boven. Daar verdween ze achter een gordijn. Braaf wachtten wij. Vergeefs. Maar gingen we naar beneden dan ging ze mauwend mee en rustte niet voor iemand weer bij haar boven kwam zitten. We hadden het geluk dat voornoemde dochter, gek op katten en kinderen, die nacht bij ons logeerde. Ze sprak de kraamvrouw lang bemoedigend toe. Maar toen de slaap haar overmande en ze haar bed opzocht besloot poes tot een compromis: ze koos een sokkenmandje aan het voeteneind. De volgende ochtend nam ik de wacht bij zwoegende poes over. Na een kwartier klonk onbekend gepiep en zag ik een jonge moeder haar mormeltje schoon likken. Vergeef me, ik was ontroerd.