Poezekind (2)

Vorige week hier onze tweede bevalling: na ons kind nu een poesje. Wij woonden tijdelijk in moederpoes’ huis en ik had een grootvadergevoel. Vrouw en dochter prezen moeder vanwege moed, beleid, trouw en bovenal haar prachtkind. Vrouwen zijn daar eigenaardig in. Elke nieuwgeborene, hoezeer ook gelijkend op gevild konijn of Egyptische mummie, wordt een schoonheid bevonden die bovendien ‘sprekend lijkt op’ - en dan volgt niet konijn maar nabij of ver familielid. Die daardoor zowaar gevleid is. Sympathiek is het wel: de kraamvrouw verdient hulde omdat zij de boetedoening voor de erfzonde helemaal alleen op zich nam en de hoogste beloning schuilt in lof voor haar kind. Bovendien worden zo alle baby’s voor even gelijk.

Maar in dat mandje lag een, weliswaar ontroerend, maar zeer onaanzienlijk drolletje met veel te kleine pootjes dat iets weg had van de ratten die ze later geacht werd te vangen. Wel geef ik toe dat ze op haar moeder leek: een lapje. Met rond een oog een zwarte plek in de vorm van een lap zoals zeerovers die volgens striptekenaars plachten te dragen. Dus doopten we haar Fabian, naar de ‘zeeroverhoofdman’ uit Pippi Langkous.
Omdat poes nog steeds niet alleen wilde blijven en de eigenaar iets had gemompeld van 'drie hartjes’, maakten we een wachtschema. Natuurlijk is dit achterlijk gedoe van stadsmensen - als boerenfamilies zo waren, was er brood noch vlees noch melk te koop. Maar van een nest van een hadden we nooit gehoord. Bovendien, wat maakt een modern mens die niet naar house-party of motorrace gaat nou mee in zijn televisie- en centrale-verwarmingbestaan? En hier hadden we iets weliswaar kleins maar tegelijk toch ook groots onder handbereik.
Maar wat er kwam, geen zusje of broertje. We belden de dierenarts die vond dat we langs moesten komen. We verhuisden moeder en kind in mand naar de auto. M'n dochter was naar huis, m'n vrouw ziek en zo begon ik alleen aan een helletocht. Twintig kilometer langs onbekende provinciale wegen, met een poes die in wanhoop huilend door de auto, langs de voorruit, over mijn rug en zelfs hoofd klom, terwijl 'sportieve rijders’ halsbrekende passeermanoeuvres uitvoerden. Dokter voelde nog een kleintje, tot dat een buitensporig gezwollen blaas bleek. Hij lachte hartelijk om de 'drie hartjes’, term uit geavanceerde techniek die mensen is voorbehouden. Vreemd genoeg bleek poes gerustgesteld want op de terugweg gedroeg ze zich voorbeeldig.
Twee weken zagen we hoe ons ratje rat werd. Maar toen was de vakantie ten einde. En leek ons eeuwig slapend kleintje nog van geen kant op de stoeiende Whiskas- katjes waar Bram van der Vlugt al z'n kennis over proteinen aan besteedt. Fabian is inmiddels dood, weggelopen bij een nieuw tehuis.
Dit jaar huren we hetzelfde huis met dezelfde poes. Die is voor ons plezier vroeger in het jaar bevallen. Drie. Twee zijn al elders. Die ene blijkt de troost van onze ouwe dag. Is televisiereclame altijd idyllischer dan het echte leven, Brams schatjes halen het niet bij dit rennend, springend, vechtend kleintje. Het is niet anders: schattig.