BOEKEN OVER POËZIE EN LITERATUUR OP KOMST

Poëzie als schoffering

Poëzie vestigt altijd de aandacht op de twijfelachtige aspecten van haar eigen medium, de taal. Is poëzie daarom niet altijd subversief, hoe slecht of braaf ze ook is?

HAZARD ADAMS
THE OFFENSE OF POETRY
University of Washington Press, 284 blz., $ 24.95

GEERT BUELENS
ONEIGENLIJK GEBRUIK: OVER DE BETEKENIS VAN POËZIE
Vantilt, 304 blz., € 19,90

HANS VERHAGEN
ZWARTE GATEN
Nijgh & Van Ditmar, 63 blz., € 14,90

Poëzie is raar taalgebruik. Veel gedichten bevatten rare woorden, rare zinnen en rare regelafbrekingen. Andere gedichten bedienen zich weliswaar van normale taal, maar doen iets raars met de combinatie van de afzonderlijke zinnen. En zelfs de allernormaalste mededeling wordt een beetje raar zodra je haar in een dichtbundel zet. Kennelijk is het de bedoeling van poëzie dat de lezer raar opkijkt. In die zin onderscheidt poëzie zich niet van cartoons, circusacts, extreme sporten en bizarre porno. Het belangrijkste verschil schuilt in haar enorme pretenties. Poëzielezers zijn immers fijnbesnaarde wezens die zich in alle bescheidenheid laten voorstaan op hun eruditie, sensitiviteit en hang naar spirituele ervaringen. Poëzie ademt wijsheid en milde ironie, zij doet de wereld kantelen en biedt vuurwerk voor het ingedut gemoed. Bovendien vestigt poëzie altijd de aandacht op de twijfelachtige aspecten van haar eigen medium, de taal. Iedere versregel is een kwetsbaar teken van haar eigen willekeurigheid. Is poëzie daarom niet altijd subversief, hoe slecht of braaf ze ook is?
In The Offense of Poetry (2007) betoogt Hazard Adams dat poëzie een aanstootgevende kunst is. Poëzie schoffeert de lezer door het rare, soms regelrecht irritante taalgebruik, maar vooral doordat ze gekenmerkt wordt door wat Adams ‘antitheticality’ noemt. In het dagelijks leven nemen we onophoudelijk standpunten in, verzetten we ons tegen opvattingen waarmee we het niet eens zijn, leveren we strijd om ons leven en de wereld te verbeteren, compromitteren we ons, maar altijd in de veronderstelling dat waarheid en leugen, werkelijkheid en fictie van elkaar te onderscheiden zijn. Het fundamenteel eigen karakter van poëzie heeft in dat licht een verwarrende werking. Goede gedichten nemen afstand van de wereld zonder haar te verwerpen, ze bieden alternatieven zonder partij te kiezen, ze plaatsen tegenstellingen naast elkaar zonder ze op te heffen of een ervan tot winnaar uit te roepen. Een goed gedicht is principieel getekend door tweespalt. Dat wekt ergernis op, maar ook fascinatie.
Adams constateert dat sinds Plato de poëzie keer op keer wordt aangevallen, hetgeen erop wijst dat haar status eerbiedwaardig genoeg is om intellectuele arbeid aan te spenderen. Alleen wie van poëzie houdt laat zich door haar opwinden. Bij Plato is dat al heel evident, omdat hij zijn felle tirades tegen de dichtkunst heeft vervat in hoogst poëtische dialogen, die ook nog eens doorspekt zijn met citaten uit zijn favoriete dichters, waarbij Homeros, de gebeten hond bij uitstek, de kroon spant. Plato’s grootste bezwaar is dat het grootste deel van wat dichters zeggen domweg niet waar is, terwijl het daarnaast tot heilloze emoties aanzet. En Plato kan het weten, want als weinig andere schrijvers verstaat hij de kunst tegenstrijdige emoties op te roepen en de werkelijkheid te manipuleren.
Uiteraard worden de aanvallen steeds opnieuw weerlegd door dichters of liefhebbers van poëzie, maar volgens Adams hebben de verdedigers onwillekeurig de neiging vast te houden aan de categorieën die door hun tegenstanders zijn geïntroduceerd. Zegt Plato dat gedichten onwaar zijn? Dan luidt de verdediging dat ze juist een hogere waarheid vertegenwoordigen. Leiden gedichten tot gevaarlijke emoties? Nee, die emoties zijn juist heel belangrijk. Is poëzie duister? Jawel, maar dat scherpt de geest. Met andere woorden: de verdedigers van de poëzie – Aristoteles, Thomas van Aquino, Shelley, Schiller – begaan de vergissing dat ze ingaan op argumentaties die zelden de kern van de poëzie raken. En die kern is, aldus Adams, haar ‘offensiveness’.
Het aanstootgevende karakter van gedichten openbaart zich in vier in elkaars verlengde liggende aspecten, waarvan Adams toegeeft dat ze soms ook bij andere kunsten zijn aan te treffen, zij het nergens zo pregnant als in poëzie. De vier beledigingen zijn gesture, drama, fictie en het gebruik van tropen, zoals de metafoor. Het eerste begrip, dat we kunnen vertalen als ‘houding’ of ‘gebaar’, is het belangrijkste. Zoals mensen door hun manier van lopen, hun gebaren en mimiek veel meer zeggen dan in hun woorden maakt ook elk gedicht een gebaar dat nauwelijks valt te parafraseren. Het is een kwestie van toon, van stijl, van presentatie. Bij een goed gedicht is het gebaar altijd lichtelijk ongepast, waardoor je je ongemakkelijk gaat voelen, alsof iemand in een beschaafd gezelschap steeds nét de verkeerde dingen zegt.
De andere drie offenses zouden beschouwd kunnen worden als specifieke verschijningsvormen van gesture. Ieder gedicht is, ten eerste, een toneelstuk, omdat de dichter een masker draagt, zodat de spreker nooit samenvalt met de persoonlijkheid van de dichter, maar er ook niet helemaal van te scheiden is. Als lezer weet je niet wie er tegen je praat, dus je kunt ook niet antwoorden. Bovendien komt het vaak voor dat gedichten meerstemmig zijn: er vindt een debat plaats zonder eenduidige uitkomst. Daarmee hangt, ten tweede, het fictieve karakter van poëzie samen. Wat een goed gedicht zegt is niet helemaal waar en zet de werkelijkheid naar zijn hand, maar nooit in die mate dat het onherkenbaar of geheel ongeloofwaardig wordt. Daardoor blijf je je bewust van de spanning tussen fictie en realiteit, wat voor rechtlijnige mensen onverteerbaar is. Ten slotte maakt poëzie gebruik van beeldspraak, die de betrouwbaarheid van betekenissen lijkt aan te tasten. Natuurlijk is metaforisch taalgebruik ook in het dagelijks leven heel gewoon, maar in poëzie wordt het op de spits gedreven, waardoor er altijd meer staat dan er staat.
Om te ontkomen aan de dwingende eisen van sociale aangepastheid, economie en wetenschappelijkheid heeft de poëzie zich sinds het begin van de negentiende eeuw teruggetrokken teneinde, superieur en op zichzelf gefixeerd, of woedend en verongelijkt, een eigen wereld in de marge op te bouwen. Daarbij wordt de poëzie ofwel autonoom en onbenaderbaar, zoals in de ongastvrije taalconstructies van Mallarmé en Faverey, ofwel een strijdbare oorlogsmachine die de maatschappelijke structuren poogt te ontwrichten, zoals opeenvolgende avant-garde-bewegingen hebben gedaan: dadaïsten, futuristen en surrealisten, de Vijftigers, de Nieuwe Stijl en de Maximalen, en laatstelijk militante dichters als Dirk van Bastelaere en Maria van Daalen. Wat alle vernieuwende poëzie van de afgelopen eeuw gemeen heeft is een zekere mate van onleesbaarheid, die ertoe leidt dat ze maatschappelijk irrelevant is. In dat opzicht gaat de ontwikkeling in de literatuur gelijk op met die in de gecomponeerde ‘serieuze’ muziek. Het geldt aanzienlijk minder voor popmuziek, jazz, film en beeldende kunst. Wat is er mis gegaan?
In zijn recente essaybundel Oneigenlijk gebruik probeert Geert Buelens, hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde te Utrecht en daarnaast een succesvol dichter, de raakvlakken tussen wereld en poëzie te onderzoeken. Hoe komt het dat poëzie zo machteloos is geworden? Of lijkt dat maar zo? En snakken wij, geborneerde kunstliefhebbers en intellectuelen als we zijn, niet heimelijk naar ongecompliceerd genot, naar schoonheid, naar herkenbare emoties, naar ‘expliciete lyriek’?
De ontwikkelingen die geleid hebben tot een steeds eigenzinniger poëzie kunnen niet teruggedraaid worden. We zijn ons diepgaand bewust geworden van de kloof die tussen taal en werkelijkheid gaapt, we beseffen dat taal altijd ideologisch geladen is, zodat we er, zelfs als we dat niet willen, door worden gemanipuleerd, we vinden dat poëzie vervreemdend en ontregelend moet zijn om te voorkomen dat we ons lethargisch amuseren, en bovendien zijn we de Grote Verhalen kwijt. Wie nu nog weent om ‘bloemen in de knop gebroken’ of met dromerige blik prevelt dat wat blijft nooit terugkomt, plaatst zich buiten het gangbare discours. Melancholie is niet cool.
In een prachtig essay schetst Buelens de snelle opkomst van de Amerikaanse free jazz, die van meet af aan verbonden was met de Civil Rights Movement en Black Power. Politieke ontvoogding moest samengaan met bevrijding uit muzikale structuren. Ornette Coleman, wiens verbijsterende free jazz-plaat in 1961 verscheen, zei zelfverzekerd: ‘I believe music is really a free thing, and any way you can enjoy it you should.’ Free jazz heeft muzikanten gedwongen vaste patronen te doorbreken, nieuwe geluiden te exploreren, terug te gaan naar de bronnen van creativiteit en extase, en in de loop van de jaren zestig heeft dat hier en daar schitterende muziek opgeleverd. Albert Ayler, John Coltrane, Archie Shepp, Pharoa Sanders: als je uit je stoel geblazen wilt worden ben je hier aan het goede adres. Het probleem was echter dat bijna niemand ernaar wilde luisteren. Veel critici beschouwden de muzikanten als charlatans die hun instrumenten niet beheersten. De beweging trok alleen een incrowd van zich superieur achtende fijnproevers. Wat bevrijdend had moeten werken, bleek hoogst elitair te zijn geworden.
Popliedjes worden massaal meegezongen, André Rieu trekt een miljoenenpubliek, de poëzie van Jean Pierre Rawie en Herman de Coninck gaat grif over de toonbank. Lezers, luisteraars en toeschouwers zoeken naar herkenning, naar emotie, troost en wijsheid. Uit veel moderne poëzie en muziek lijkt de mens te zijn verdwenen. Daar is het misgegaan. Aan de hand van werk van onder anderen Raymond van het Groenewoud, Lucebert, Wouter Godijn en John Ashbery laat Buelens zien dat er een uitweg is. Als filosofische aforismen, uitspraken over de wereld en expliciet uitgedrukte emoties worden ingebed in een meerduidige context, of als de dichter het probleem van de directheid thematiseert, kunnen ook grote sentimenten ineens door de beugel. Helderheid moet omringd worden door duisterheid, weemoed en liefde zijn toegestaan mits ze tegelijkertijd in twijfel worden getrokken. Zoals in de chaos van Colemans free jazz tot opluchting van de luisteraar periodiek ineens een herkenbaar thema opduikt, herademt de lezer van Faverey wanneer hij in een onbegrijpelijk gedicht deze regels leest: ‘Zelfs de verschrikking/ heeft sporen nagelaten van liefde/ en van ingehouden ontsnapte schoonheid’. Hoewel Buelens de principiële onbepaaldheid van de moderne poëzie graag in stand wil houden, schrijft hij: ‘Maar de deur mocht eindelijk wel eens op een kier, waardoor het gedicht opnieuw een voelende, denkende, handelende ik binnenlaat, die spreekt tot ons als heeft hij iets te zeggen. Want als hij niets te zeggen heeft, waarom spreekt hij dan?’
Ik vind deze visie niet overtuigend, omdat ze suggereert dat dichters bewust hun best doen het de lezer zo moeilijk mogelijk te maken, terwijl ze diep in hun hart eigenlijk iets anders willen. Als Buelens gelijk heeft, zijn dichters inderdaad charlatans, gisse jongens en meisjes die er op uit zijn hun publiek te schofferen, maar de lezers op gezette tijden een vette kluif toewerpen om te voorkomen dat ze weglopen. Complexiteit om de complexiteit, onbepaaldheid om de onbepaaldheid: het zoveelste bewijs dat ideologie de dood in de pot is, dat gedwongen vrijheid leidt tot de tirannie van de nonsens. Waarom kan poëzie niet scherp en lyrisch tegelijk zijn? Waarom zouden expliciete uitspraken automatisch eenduidig worden? Waarom mogen emoties alleen via een omweg worden toegelaten? En wat is er eigenlijk tegen onbekommerd ergens van te genieten?
Bob Dylan en Tom Waits slagen erin artistiek en politiek relevant te blijven zonder afstand te doen van pakkende ritmes en melodieën, het persoonlijke timbre van hun stemmen dwingt tot luisteren, de lyriek is heftig maar nergens eenduidig. Bestaat het dus toch, schoonheid die tegelijkertijd offensive is? Hans Verhagen, die archetypische buitenstaander, heeft zich recentelijk uitgelaten over schoonheid. Expliciete lyriek en bijna schokkende platitudes, lelijke woorden en schijnbaar onbeholpen rijmwoorden vormen samen een verwarrend statement over heldendom en dichterschap dat het verdient in reusachtige letters uitgebeiteld te worden op het hoofdkantoor van om het even welke multinational aan de Zuidas, als manifest van vanitas en levenskracht:

SCHOONHEID

Alleen bij heldere hemel
kun je de zwarte gaten onderscheiden,
met heel het naakte bestaan erin

Moet je dat belachelijke kapseizen eens zien,
het schreeuwen van de elementen op het scherm;
de schoonheid van de ridicule dromer
die zijn leven weggooit voor één hartveroverende melodie,
hardhorend bovendien

Wie rood ziet stelt zich tevens bloot aan blauw,
de sloper bouwt;
zij die heilig geloven in de tijd zullen spoedig sterven

Wie onbekommerd in de zwarte gaten stapt
zal zich een heldere hemel verwerven