Poëzie als streng project

Lucas Hüsgen, Vederbeds Lumiere. € 19,95

Nog geen minuut duurt het filmpje dat de gebroeders Lumière in 1895 aan een select gezelschap vertoonden. In deze film, die het startpunt vormt van wat de dominante kunst van de twintigste eeuw zou worden, zien we tientallen arbeiders, zowel mannen als vrouwen, een dubbele fabriekspoort verlaten. Onder hen bevindt zich een hond, die meteen weer uit beeld verdwijnt maar vlak voor het einde een korte rentree maakt. Ondanks de beperkte lengte van de film vergt het kijken ernaar enige inspanning, omdat de cineasten nog niet op het idee zijn gekomen de camera op specifieke personen of details te richten. Op het scherm vindt van alles tegelijk plaats, waardoor je niet weet waarop je moet letten. Wat ontbreekt is concentratie. De keerzijde daarvan is dat je als toeschouwer vrij wordt gelaten. Er is geen sturing die de perceptie voorprogrammeert.
In zijn nieuwe bundel heeft Lucas Hüsgen (1960) het werk van de gebroeders Lumière als uitgangspunt genomen. Verwijzingen naar de filmpjes - die allemaal op YouTube zijn te vinden - duiken herhaaldelijk op in de zestien lange gedichten waaruit het boek is opgebouwd. Evenmin als de cineasten heeft Hüsgen de neiging de blik van de lezer te sturen. Op iedere pagina gebeurt zo verschrikkelijk veel tegelijk dat het meestal onmogelijk is om aan te geven waar zich het centrum van de tekst bevindt. Het merendeel van de gedichten lijkt elke vorm van focus te ontberen. Je zou kunnen volhouden dat de dichter maar wat doet.
Hoewel Hüsgen al sinds 1993 poëzie publiceert, was ik er tot nu toe nooit in geslaagd een bundel van hem uit te lezen. Doorgaans stagneerde de lectuur al na enige pagina’s, omdat ik in de stortvloed van woorden geen enkel aanknopingspunt kon vinden om zelfs maar het begin van betekenis toe te kennen. Daar kwam bij dat ook de afzonderlijke flarden oninteressant waren en er zelden een beeld werd opgeroepen dat de aandacht wist vast te houden. IJdele woordenkraam, pretentieus geneuzel, meer vermocht ik er niet in te zien. Toch knaagde de twijfel, want Hüsgen is een erudiet man die bij vlagen heel verstandige dingen over poëzie zegt. Zou ik me vergissen? Las ik zijn werk misschien verkeerd?
Dit is een fragment uit een gedicht van bijna tien pagina’s:

Monitor
wuift

naar de vacante kussens in
de stoel, haalt uit het ravijn
de oude vleugel van de
vlinder: bespaar de warmte

handen van de dader, vastgeklonken,
verder verweerd in kelk van botten,
voordat zich naam samenvattend
wendt (af) van com-

pendia met aroma in een
(…/////;;;;) verbeten samenspel
tussen atrium, regime, de
cinematoscopie van

vorm: vandalisme.

Wat bij eerste lezing irriteert is de totale willekeur in de regelafbrekingen en de afstandelijkheid van de verteller die geen serieuze poging doet me bij zijn observaties te betrekken. Toch is wat hier staat geen onzin. Het gedicht refereert aan de Herculaneum-tentoonstelling in Museum het Valkhof (2007) en nodigt de lezer uit de brokstukken uit het verleden onbevangen op zich in te laten werken. Hüsgen spreekt van een ‘Warboel zonder onderwerp: parasitair/ omkleed met Vesuviaans as,// zooi van mogelijkheden’.
Als de camera van de Lumières registreert Hüsgen wat zich voordoet. Dat is op zichzelf een respectabel uitgangspunt, ware het niet dat de omvang van de gepresenteerde fragmenten in de meeste gedichten te gering is. Steeds twee, drie, hoogstens vijf woorden in samenhang, dan doet zich al weer een nieuw beeld voor, dat in de volgende regel op zijn beurt moet plaatsmaken voor iets anders. De poëzie lijdt daardoor, niettegenstaande de lengte van de afzonderlijke gedichten, in hoge mate aan kortademigheid.
Slechts in enkele gevallen is de montage geslaagd. Vederlicht is een gedicht naar aanleiding van leven en werk van de zestiende-eeuwse Koreaanse dichteres Ho Nansorhon, met fraaie regels als deze: 'Het penseel met konijnenhaar/ in je gewaad behoedt je zwemdiploma/ voor de voorde - als een agaat, tinkelend,/ strek jij (…) jezelf tussen lissen/ in de lentezon uit, kussen zich lankmoedig/ de oevers dankzij de golven’. Bijna ongeremd lyrisch is een gedicht met de pervers klinkende titel Ik wilde het oplikken voor je, lief. Ook maatschappelijk engagement ontbreekt niet: 'De politieke partijen vertrouwen bergen toe aan wie ze aanvreten.’
Veelvuldig laat Hüsgen zich uit over zijn eigen ambacht. Zo vraagt hij zich af: 'kan men zich in het gedicht bevrijden/ van het gedicht’. Daar zit misschien het probleem. Deze dichter ziet de poëzie als een streng project dat zich niet leent tot ontspannen consumptie. Zou het niet mogelijk zijn zonder verlies van integriteit iets meer lyriek toe te laten? Is genieten van iets moois en eenvoudigs zo abject?

Zij houden best wel van thermiek -
met wat vluchtige techniek. Beroezenis in
huiselijkheid van vrijelijk roteren,

mis- en ontkend: onttrekken
tot een anakoloet de volzin die, elegant,
gracieus, gelijk dat behoort in poëzij, met
vele mismaakte partikelen van ganse zegening,

gehaat wordt als een mallemoer, eindelijk
voortvluchtig, verweesde fluim. Schenken
de kaaimannen langs de oevers, uitgespuugd,
de ezel plus een palm en aangebrande ravigote.

Uit: Zal zijn!

LUCAS HÜSGEN
VEDERBEDS LUMIÈRE
Querido 144 blz.,, € 19,95