HUGO CLAUS 1929-2008 (II)

Poëzie die in de herfst naar vrouwen ruikt

Hugo Claus was een moeilijk grijpbare dichter, niet vast te pinnen op één stijl of thema, die moeilijker werk afwisselde met, zoals hij zelf ooit zei, ‘kermisgeschater’.

‘Claus is een zegen voor de Nederlandse poëzie omdat hij in zijn eentje tien genres beoefent, die zonder hem afgeschreven zouden worden’, beweerde zijn Vlaamse collega Herman de Coninck. Hugo Claus leek een alleskunstenaar – hij schreef toneel, romans, scenario’s, libretti, hij was regisseur en beeldend kunstenaar – maar voor alles was hij een dichter. In een van de vele tv-items die kort na zijn dood te zien waren, herinnerde vriend en collega-schrijver Harry Mulisch daar nogmaals aan.
Als dichter debuteerde Hugo Claus in 1947. Begin jaren vijftig vertrok hij naar Parijs en maakte daar kennis met de schilders van de Cobra-beweging; ook ontmoette hij er Nederlandse experimentele dich-ters als Gerrit Kouwenaar, Remco Campert en Lucebert:
‘Ooit ben je hem geweest, alhoewel slordig./ In die tijd zocht je naar munten in de goot,/ dat heette ook poëzie’, schreef hij jaren later in het gedicht Vijftiger. Een literaire Proteus werd hij wel genoemd, een moeilijk grijpbare dichter, niet vast te pinnen op één stijl of thema, en die moeilijker werk afwisselde met ‘kermisgeschater’, zoals hij het zelf eens omschreef.
In 1955 verscheen De Oostakkerse gedichten, wel beschouwd als een van de hoogtepunten uit zijn poë-tische oeuvre. Het is een ongrijpbare bundel, die wat ‘levensadem’ betreft tot de poëzie van Vijftig te re-kenen valt, maar die zich verder geen enkel etiket laat opplakken, behalve een met de naam van de schrijver. Het zijn gedichten die zijn geworteld in Vlaanderen, vol verwijzingen naar oude natuurmythen, naar de Bijbel, de literatuur: in 2003 verscheen een facsimile-uitgave van De Oostakkerse gedichten, een integrale herdruk van het eigen exemplaar van de schrijver. In de kantlijn staan hier en daar aante-keningen gekriebeld, bronnen van Claus, zo blijkt. ‘Byron’ schrijft hij ergens, of ‘een oud Egyptisch ge-dicht’, maar ook ‘de verlaten steden in de woestijn in cowboy films’, of ‘naar een afzichtelijk plaatje in een vitrine van een boekhandel voor medische studenten’.
Claus’ gedichten zijn hechte vlechtwerken van allusies uit hoge en lage cultuur, verwijzingen naar ande-re schrijvers – soms antwoordt hij een collega: ‘En vier flessen Loire-wijn./ Is dat ook poëzie, Remco?’ – stemmen, liedjes en wat al niet nog meer. Ook herneemt hij zichzelf regelmatig, herschrijft hij gedichten, becommentarieert hij eerdere verzen.
‘Gedichten leiden voor mij een soort eigen leven, en na twee of drie jaar acht ik het noodzakelijk om er iets aan te veranderen.’ Een ‘af’ laat staan ‘volmaakt gedicht’, daartoe achtte hij zich niet in staat. Zo deed hij het althans voorkomen. Want in interviews en ook in zijn eigen gedichten wekt hij vaak de in-druk dat hij het zelf allemaal niet té serieus neemt. Vaak lijken zijn gedichten nonchalant, zonder al te veel nadenken en bijschaven op papier gezet en met het rijm ‘schmiert’ hij graag: ‘o,/ vraag me niet waarvoor, voor/ het riet langs de stroom of voor/ de gemelijke geest van El Greco’. Maar wie een gedicht gaat ontleden, ziet hoe Claus achter de schmier assoneert en allitereert met welhaast de precisie van een borduurwerk.
Hugo Claus was een erudiet dichter die ook over voetbal schreef, een die de sensueelste liefdesgedich-ten schreef naast satirische gelegenheidspoëzie, die ontroerende autobiografische gedichten (het mooie Op Thomas zijn vierde verjaardag, of Broer) publiceerde naast geëngageerde verzen. Claus was be-trokken bij wat er om hem heen gebeurde. In vroeg werk staan politiek getinte verzen als Cuba libre of Korea, juni 1951. In het in 2004 verschenen In geval van nood wordt een monumentje opgericht voor de negen maanden oude, aan ernstige verwaarlozing overleden Leonardo.
Hugo Claus beoefende inderdaad tien genres, en misschien nog wel meer. Hij werd er meermalen voor bekroond. In 1994 kreeg hij de eerste VSB Poëzieprijs toegekend, voor zijn bundel De sporen, met daar-in het prachtige Envoi:

Mijn verzen staan nog wat te gapen.
Ik word dit nooit gewoon. Zij hebben hier
 lang
genoeg gewoond.
Genoeg. Ik stuur ze ’t huis uit, ik wil niet
 wachten
tot hun tenen koud zijn.
Ongehinderd door hun onhelder misbaar
wil ik het gegons van de zon horen
of dat van mijn hart, die verraderlijke spons
 die verhardt.
Mijn verzen neuken niet klassiek,
zij brabbelen ordinair of brallen al te nobel.
In de winter springen hun lippen,
in de lente liggen zij plat bij de eerste
 warmte,
zij verzieken mijn zomer
en in de herfst ruiken zij naar vrouwen.

Genoeg. Nog twaalf regels lang op dit blad
hou ik ze de hand boven het hoofd
en dan krijgen zij een schop in hun gat.
Ga elders drammen, rijmen van een cent,
elders beven voor twaalf lezers
en een snurkende recensent.

Ga nu verzen, op jullie lichte voeten,
jullie hebben niet hard getrapt op de oude
 aarde
waar de graven lachen als zij hun gasten
 zien,
het ene lijk gestapeld op het andere.
Ga nu en wankel naar haar
die ik niet ken.