Poëzie en haar pleitbezorgers

Ik zit onhandig door Ben Lerners essay ‘Waarom we poëzie haten’ te bladeren. Overal door de tekst staan gedichten en flarden van gedichten – Whitman, Moore, Pound, Shelley, Rankine –, keurig mee vertaald vanuit het Engels naar het Nederlands.

Lerner ontleedt die gedichten vaak woord voor woord, zoals het beroemde ‘I dwell in Possibility’ van Emily Dickinson.

‘Het gedicht doet zijn uiterste best om de afstand tussen de korte “i” van “this” en de lange “i” (uitgesproken als “ai”) van “Paradise” te benadrukken’, schrijft Lerner bijvoorbeeld, ‘… en daardoor voelen we de afstand tussen dit gedicht op aarde en wat het ook is dat in de hemel voor Poëzie doorgaat.’

Om dit mee te kunnen voelen moet ik achter in het boekje de originele tekst opzoeken, want de Nederlandse vertaling biedt geen uitkomst: daar staan ‘dat’ en ‘Paradijs’, en de afstand tussen de ‘a’ en de ‘ij’ beslaat bijna het hele alfabet – te groot, kortom, om een glimp van de hemel op te vangen.

I dwell in Possibility –
A fairer House than Prose –

Een vertaler, in dit geval Peter Verstegen, kan er niets aan doen dat hij het oorspronkelijke gedicht omsmelt en laat stollen tot een nieuwe vorm, een interpretatie eerder dan een replica.

Ik heb nooit begrepen waarom nadenken over kunst de kunst zelf in de weg zou staan

Ik woon in Mogelijkheid –
Mooier dan Proza’s huis –

In het Engels is proza zelf het huis, in het Nederlands woont proza in een huis. In het Engels kun je ‘dwellen’, en hoewel dat ‘wonen’ betekent in het Nederlands, is ‘dwelling’ iets wat alleen in het Engelse huis van de taal kan. En waar in het Engels ‘possibility’ een prachtig open, rond en zacht woord is, heeft het Nederlandse ‘mogelijkheid’ de vorm van een rechthoek. En zo verder – je kunt de Nederlandse taal er moeilijk de schuld van geven Nederlands te zijn.

Het mooie aan dit gedoe, is het gedoe. De kieren die ontstaan in vertaling, zijn de kieren die ik nodig heb om door het gedicht te glippen. De opening tussen de ene en de andere taal maakt dat ik probeer mee te bewegen met Dickinson (en Verstegen, en Lerner), in plaats van alleen langs de zijlijn te staan toekijken. Als Lerner schrijft over de onoverbrugbare ruimte tussen het idee van Poëzie en de feitelijke gedichten die dat ideaal eerder in de weg staan dan kunnen benaderen, schrijft hij over iets wat een uitdrukking vindt in mijn geïrriteerde geblader, tussen de pagina’s en de regels door, van voor naar achter en terug, van ‘this’ en ‘dat’ naar de dichtkunst (Dichtkunst) in het algemeen. Lerner wil de ruimte tussen Dichtkunst en gedichten onderzoeken, terwijl hij weet dat die ruimte niet werkelijk bestaat – of niet als ruimte kan bestaan. Om de ontoereikendheid van gedichten te tonen, kan hij niet anders dan gedichten aandragen en daarover schrijven. Alsof hij een glas steeds bijvult om het leeg te maken. Een glas dat ook nog eens geen glas is maar een vergiet.

Het is een gangbare opvatting dat je over poëzie niet moet schrijven omdat een gedicht voor zichzelf spreekt. Toen ik literatuurwetenschap studeerde, vroegen veel mensen mij bezorgd of al dat analyseren mijn leesplezier niet bedierf. Ik begrijp die behoefte aan kunstervaring als iets wat puur en spontaan is, zonder tussenkomst of diepgaande kennis van wat dan ook. De paar keer dat ik zelf zoiets ervoer behoren misschien wel tot de hoogtepunten van mijn leven (toen ik bijvoorbeeld als tiener de eerste pagina’s van Whitmans ‘Song of Myself’ las – for every atom belonging to me as good belongs to you – voelde ik al die atomen door de wereld suizen, zonder ook maar iets van atomen te weten, of de wereld, of de poëzie). En toch heb ik nooit begrepen waarom nadenken over kunst de kunst zelf in de weg zou staan – als iets mijn leesplezier heeft vergroot, dan is het wel dat eindeloze analyseren in achterafkamertjes van het universiteitsgebouw (inmiddels omgebouwd tot luxehotel; kennis is rijkdom, maar niet langer van het soort waarmee je grachtenpanden financiert).

In Dickinsons karakteristieke en overvloedige gebruik van het gedachtestreepje, ziet Lerner ‘markeringen van de begrenzingen van het feitelijke’ en ‘vectoren die naar zaken wijzen waarvoor woorden niet toereikend zijn.’

Het is niet per se nodig dat Lerner dit aan Dickinsons werk toevoegt, of dat iemand überhaupt nog iets aan het werk van Dickinson toevoegt, en juist daarom – omdat het niets anders kan zijn dan overschot, een glas met zoveel wijn dat het er aan alle kanten overheen klotst – kan ik niet anders dan sympathie voelen voor de poëzie en haar pleitbezorgers. Ze zijn vectoren die naar zaken wijzen waarvoor woorden niet –