Poëzie is commercie

Gedichtendag is door Poetry International in het leven geroepen, gemodelleerd naar de Britse National Poetry Day. Elke vierde donderdag van het jaar zijn er overal evenementen in het land. Terwijl de notie poëzie zijn elitaire naam verliest, verkoopt geen enkele dichter daar meer bundels door, in de tien jaar dat de Gedichtendag nu bestaat. Charles Ducal publiceert een mooi pleidooi als Gedichtendagessay: Alle poëzie dateert van vandaag. De enige die profiteert van de Gedichtendag is de firma Moleskine.

Elf euro vijftig kost het, zo'n Moleskine-boekje. Het heeft een zachtleren kaft en een elastiek dat het dichthoudt en ook als leeslint kan dienen. Het ziet er uit als handwerk, artistiek en een beetje dandyesk. Picasso zou er gebruik van gemaakt hebben en Hemingway en dat soort grootheden. Koop het en je bent een kunstenaar. Het is duur voor een notitieboekje maar goedkoop voor een imago. Trek je Moleskine uit je zak en je bent een dichter.
Hoeveel kost één A4'tje uit een pak van vijfhonderd vellen simpel kopieerpapier? Denk je nou echt op een dag meer dichterlijke notities te maken dan er op een A4'tje passen? Vouw het tweemaal in tweeën en steek het in je zak. Moleskine is volksverlakking. We zijn allemaal dichter. Eén miljoen mensen die gedichten schrijven? 47 procent daarvan dat serieus de ambitie heeft om te publiceren? Dat kan beter. Gedichten schrijven is goed voor de inwendige mens. Het verlucht de vertroebelde geest, het schept klaarte. Het voorkomt alcoholisme, nihilisme, lamlendigheid, huiselijk geweld, verbale agressie in het verkeer en openbaar vervoer. We moeten miljoenen Nederlanders en Vlamingen aan de Moleskine helpen. Nu is het nog een rek naast de kassa in boekhandel en kantoorboekhandel, een tamelijk groot display. Ik voorzie boekhandels met alleen nog maar zwarte ruggen van deze fraaie notitieboekjes. Weg met de literatuur! Dood aan de poëzie! Leve Moleskine! Een commissie vergadert: hoe kunnen we de mensheid nog meer gedichten laten schrijven? De reclame. Direct na het journaal komt de ideale Moleskine-dichter in beeld. Een mooi iemand. Type ideale schoonzoon. Ramsey Nasr? Nee, iets te kritisch en net te bekend als acteur. Waarom kiezen we geen meisje? Dan kopen jongens het boekje niet. Weet je wat, we kiezen Arie Boomsma. Arie Boomsma als Moleskine-dichter. Hij loopt over een veld. Boven de bosrand gaat de zon onder. Muziek zwelt aan. Arie grijpt in zijn binnenzak naar vulpen en Moleskine. Hij heeft een idee, inspiratie…

Je moet poëzie niet naar de mensen brengen maar de mensen naar poëzie, dat zegt mijn schoonvader altijd. In Engeland is de kloof tussen poëzie en songtekst veel minder groot. Daarbij krijgen schoolkinderen via het vak Public Speaking op jonge leeftijd al met poëzie van doen. Je zou haast in complotten gaan denken: dat de oprichter van de Gedichtendag, de voormalige directeur van Poetry International, een huis heeft kunnen kopen in datzelfde Frankrijk waar geheel niet toevallig ook de firma Moleskine is gevestigd… En toch geloof ik dat men er niets dan nobele bedoelingen mee heeft gehad. Dat men bij Poetry in Rotterdam meende dat als poëzie voor mensen meer toegankelijk raakte, de bundels van Komrij, Kouwenaar, Kregting, Krol, Kuiper (Elmar) en Kuijper (Jan) meer zouden verkopen. Een miljoen mensen die gedichten schrijven en maar vijfhonderd die een bundel kopen, dat is natuurlijk scheef en niet zo'n beetje ook. Maar men rekende buiten de koppigheid van de Nederlandse volksaard, dat de dichtende neef nog altijd veel beter vindt dan die hotemetoot uit de krant. Gedichtendag begon tegelijkertijd met de opkomst van poëzie op internet, dat grote aantallen dichters eenvoudiger vindbaar maakte dan via gefokopieerde of gestencilde, zelf uitgegeven bundels. En doordat ook hun activiteiten op Gedichtendag werden gerubriceerd, werd hen de ilusie voorgehouden dat het niet allen maar om die paar ‘gelukkigen’ bij de grote uitgeverijen ging.

‘Landelijke gedichtendag? Geile dijklandgedachten!’ jubelde Willem de Geus vanuit Zeeuws-Vlaanderen in dat eerste jaar van de Gedichtendag, het jaar 2000. De Geus publiceerde bij Perdu een bundel getiteld Het wasgoed van een onbekende jongen, was cabaretier en ontwierp een homo-erotisch T-shirt genaamd de Ypsillon. Dichtregels van hem stonden dat jaar op het pakje shag van het merk Drum, net als dichtregels van Chrétien Beukers en Gilles Boeuf. Zo kon het ook, poëzie verspreiden.
Serieus, het heeft iedereen meer betaalde voordrachten gebracht, die Gedichtendag. Er is een poëzieclub gekomen die een blad uitgeeft, Awater, en dat de leden drie keer per jaar een bundel toestuurt. En dat betekent voor die bundel een afname van negenhonderd exemplaren en meestal meteen een tweede druk. Heel wat effectiever dan een prijs of een nominatie of vermelding op een jaarlijstje, zou je kunnen bedenken. Ook die club is gemodelleerd naar een oudere club in Engeland, The Poetry Book Society.
Awater leek in het begin een beetje op hoe literatuur gebracht werd op de middelbare school: leuk, toegankelijk, veel plaatjes en aardige anekdotes, niet te moeilijk doen. De toon was eerder wervend dan kritisch, hier werd poëzie aanbevolen. Langzaam maar zeker begint het blad steeds journalistieker te worden. In het nieuwe winternummer staat de Fries Tsjêbbe Hettinga op de kaft, die de Gedichtendagbundel heeft geschreven: Aan schor en Stad niks voorbij / Oan leech en Stêd niks foarby. Er zijn de jaarlijstjes en de poll onder critici die leidt tot de Awaterprijs. Dit jaar wordt die uitgereikt aan Arjen Duinker voor de lijvige bundel Buurtkinderen, die net een punt meer heeft gekregen dan de bundel Divan van Ghalib van Nachoem M. Wijnberg. Er staan een stuk of vijftien recensies in het blad. En het meest opvallend is een stuk van Maria Barnas over een bloemlezing uit het werk van Lucebert, Er is alles in de wereld, gekozen en ingeleid door Ilja Leonard Pfeiffer.
Het stuk van Maria Barnas heet ‘Waar ik moet staan’ en lijkt op een zelfonderzoek. Ze spiegelt zich aan het werk van Lucebert en vooral aan de receptie ervan. Is de poëzie van Lucebert werkelijk noodzakelijk voor haar? Even moest ik terugdenken aan hoe Barnas de laudatio uitsprak voor Mark Boog toen hij de VSB-prijs 2005 won voor zijn bundel De encyclopedie van de grote woorden. De Vijftigers zouden de grote woorden in de poëzie taboe hebben verklaard en Boog zou ze weer hun plaats hebben gegeven, dat was kort samengevat Barnas betoog. Het stemde me een beetje ongemakkelijk. Met alle respect voor het werk van Mark Boog, de titel van zijn tweede bundel Zo helder zagen wij het zelden leek haast een dichtregel van Kouwenaar. Was Barnas niet bezig om de poëzie vanuit de beeldende kunst te zien, waarin stromingen en generaties elkaar sneller lijken op te volgen? Mark Boog als boegbeeld van de anti-Vijftigers, ik had er moeite mee er in te komen zoals zij het voorstelde. Wat was nu precies het bezwaar van Barnas tegen de Vijftigers?
In haar stuk over Lucebert is ze onomwonden. ‘Ik zie een fontein opengaan. Een jubelfontein van taal’, schrijft ze. Lucebert houdt volgens haar van woorden en dan vooral van veel woorden. ‘Ik zie schoonheid in het werk van Lucebert, zoals ik schoonheid zie in een schroothoop.’ Dat heeft ooit zijn functie gehad, in het opengooien van de poëzie en de spot drijven met religie. Maar nu? ‘Het doet me niets’, stelt Barnas.
Het is een moedig stuk. Na publikatie van de Verzamelde gedichten van Lucebert zwoeren de voornaamste critici bij het werk. De receptie van Lucebert leek rotsvast en eensgezind. Soms kreeg je zelfs het idee dat een regel die Lucebert ooit voor de grap schreef bij die critici als een wet boven hun werktafels hing. Maria Barnas gaat daar frontaal tegenin. Lucebert heeft voor haar ‘geen voorbeeldfunctie’. Volgens haar dicht hij als of hij ‘staat te schuimbekken’. En met die notie lijkt ze vooral ruimte voor iets anders op te eisen. ‘Er is alles in de wereld. Maar soms is er te veel. Ik moet daar iets tegenover stellen.’ Lucebert is voor Barnas vooral gedateerd. ‘Hij heeft in een tijd dat poëzie nog een park was met aangelegde perken, waarin je het gras niet mocht betreden, laten zien dat poëze, behalve het park, ook het riool is dat eronderdoor loopt.’ Voor die fundering heeft ze waardering, maar dat gebeurde wel vijftig jaar geleden, en dat terwijl iets dergelijks in andere landen al in de jaren twintig gebeurde. Barnas waardeert wel bij Lucebert de vastheid van zijn toon. Maar hij schreef volgens haar te veel, met als gevolg dat hij zijn ideeën ‘uitsmeert als te weinig honing op een boterham’.
Maria Barnas heeft een duidelijk motief: ze wil ruimte voor een ander soort poëzie, of in haar eigen woorden iets anders tegenover de werkelijkheid stellen. Ze heeft een aparte, eigen stem in de Nederlande poëziekritiek. Ik denk dat de poëzie van Lucebert nog steeds resoneert, ook bijvoorbeeld bij Tsead Bruinja en Arjen Duinker. Maar deels herken ik me wel in wat ze schrijft. Lucebert is me dierbaar, maar hij is vooral de dichter van de generatie van mijn ouders. Mijn vader mocht de Vijftigers niet lezen van zijn leraar Nederlands, dat was geen literatuur. Toch kreeg hij voor een opstel over hen een tien. Diezelfde leraar vond het goed geschreven, het maakte hem veel duidelijk over de Vijftigers. Die anekdote herken ik terug in de gepubliceerde herinneringen van Nederlandse schrijvers en van de Fransman Henri Deluy, die hier in de vroege jaren vijftig woonde. Het vroege werk van Lucebert was voor hen revolutionair. Ook ben ik verzot op regels van Lucebert als ‘horror rorrer razer raar/ ik ben zwaar belegen waar’. Ik vind ze humoristisch en groots, zowel in de versie waarop mijn vader ze ooit voorlas, hoe Jaap Blonk ze op het podium uitvoerde, maar ook op papier in deze bloemlezing. De functie die de Vijftigers voor de Nederlandse poëzie hebben, is niet te onderschatten. En toch blijft juist het werk van Lucebert lezen alsof je de muziek van je ouders opzet: je kent het goed en het raakt je. Maar is het je daarmee helemaal eigen?

Of Gedichtendag de poëzie werkelijk ontheiligt, van haar voetstuk neemt, aan het volk geeft, uit het domein van de kunst haalt, is maar de vraag. In de Volkskrant van dinsdag 26 januari staan vier gedichten die zijn ingezonden voor de poëzieprijs van de Turing Foundation. Geen poëzielezer zal de namen van de vier auteurs van die gedichten kennen. Het zijn onbekenden die via die prijs boven zijn komen drijven. Opvallend is dat de krant ze niet op de kunstpagina heeft staan, maar op twee pagina’s die als kop ‘leven’ hebben. Gaat poëzie dan toch over mens, maatschappij en samenleving? Kunnen we het voortaan onderbrengen in de culinaire rubriek?
Charles Ducal publiceerde het Gedichtendagessay, een aardig initiatief uit Vlaanderen. Aan het woord is een dichter die 35 jaar ervaring heeft met het brengen van poëzie als leraar aan schoolkinderen. Het boekje Alle poëzie van vandaag bestaat uit een geestig en begeesterd betoog. Ducal schrijft met gemak en zwier en citeert om de haverklap gedichten die zijn verhaal stutten. Eerst is er het schoolmeisje Klaartje dat niets met gedichten heeft maar ze als spelletjes verzint en opdreunt. En er is de leergierige schooljongen Eugène die gedichten leert en er alles over leest en puber wordt, avant-gardegedichten gaat schrijven, brieven aan zichzelf ondertekent met ‘prins Mysjkin’ en een vriendin heeft met telkens nieuwere en interessantere zelfmoordplannen. Dan wordt hij gered uit zijn pose doordat hij in een boekhandel een gedicht tegenkomt van Neeltje Maria Min. Eugène wordt leraar en blijkt de dichter van het essay zelf te zijn. Bij het mondeling examen kiest een van zijn leerlingen voor een gedicht van Lucebert, want ‘bij een experimenteel gedicht is uw eigen interpretatie ook juist, mijnheer’. Ducal laat Eugène voor het gemak ook sterven want hij moet door met zijn betoog en wel in de ik-vorm.
Een groot deel van het essay valt samen te vatten met de tussentitel ‘Lees maar, er staat wat er staat’. De kwaliteit van poëzie onderkennen zou zoiets zijn als wijnproeven, waarbij alleen de kenner er verstand van heeft. Wijn is wijn, zo zegt mijn zwager Martijn. Dat proeven en dat onderscheiden maakt poëzie nou net kunst. Ducal parafraseert Jos Joosten die stelt dat ‘minder mensen dan ooit maar enig benul hebben van wat poëzie eigenlijk is’. En op dat moment signaleert ook Ducal dat de ‘hausse in poëziebedrijvigheid’ rond Gedichtendag geen toename in de bekendheid van de poëzie zelf heeft opgeleverd. Tegelijk met die bedrijvigheid is er juist stelselmatig in alle kranten en tijdschriften minder ruimte voor literaire kritiek. Maar Ducal ziet ook een lichtpuntje: ‘de prestigieuze aura is ontegensprekelijk verminderd’.
‘Ik ben er voor te lezen wat er staat’, zegt Ducal onomwonden. En hij citeert Herman Servotte: ‘Poetry is highly organised speech’. Alleen door werkelijk te lezen wat er nu feitelijk staat, kun je ook zien wat er niet staat. ‘Een gedicht lezen is om te beginnen strikter, secuurder en geconcentreerder lezen dan men doorgaans gewoon is. (…) En het vraagt tijd.’
Ducal voert enkele andere personages ten tonele. Zijn vriend André die van school is weggelopen maar zijn werk leest en er altijd iets over zegt. Die noemt poëzie ‘vaak interpretabel maar zelden of nooit ontoegankelijk’. Jeanine die graag proza leest en eigenlijk van poëzie verlangt dat het proza is en niet ‘een taalervaring’. Ook de scholieren uit de klas krijgen een stem in het essay. Ducal springt in zijn voorbeelden van Paul van Ostaijen over op Els Moors. Hij wil dat ‘de barst de vorm van een vraagteken heeft’. Het gedicht moet coherent en sprekend zijn: ‘ik word niet verleid tot willekeur’. Hij haalt gedichten uit een hoge hoed en ze passen allemaal wonderwel in zijn verhaal. Het gaat hem om ‘het moment dat men ophoudt de dichter aanstellerig en zichzelf dom te vinden’. Door de regel van Nijhoff dat er niet staat wat er staat, denkt de argeloze lezer: er staat wat ik wil dat er staat. Zo is een koe in het veld eigenlijk een zatlap die in de sloot is beland, volgens een scholiere. Ducals aanpak is de beeldspraak leesbaar te maken, onder het adagium teacher don’t leave those kids alone. ‘Naarmate een tekst zich ontsluit, groeit de eensgezindheid erover en versmalt de interpretatieve ruimte.’ Het gaat de overmoeibaar enthousiasmerende Ducal om aanvaarding van de ‘onbegrijpelijkheid als uitdaging’. Willekeur maakt het gedicht kapot; het opent alleen maar ‘stemmings- en toevalsdeurtjes’ in het hoofd in plaats van het gedicht.
Die feitelijkheid is innemend, ook als Ducal een boze e-mail krijgt van een oud-scholier die lekker nog steeds een eenduidig en simpel gedichtje van Hans Andreus op een poster boven haar bed heeft hangen, ondanks al zijn lessen. Het boek eindigt met drie antwoorden op dat mailtje, stuk voor stuk apologieën voor zijn dichterleraarschap. ‘Poëzie is kunst, overigens maar een klein kamertje in dat grote huis.’ Die opvatting dat poëzie ‘een kunstdiscipline is waarvan men de taal (en geschiedenis) moet leren, is bezig geruisloos te verdwijnen’. Vooral in het onderwijs dan. En: ‘Ik ben ervan overtuigd dat wie regelmatig en met een open geest poëzie leest zijn smaak ontwikkelt en onvermijdelijk zijn onderscheidingsvermogen aanscherpt.’ De dichter heeft zijn gevoelens en verlangens ontdaan van zijn ‘persoonlijke kleverigheid’, wat een treffende beeldspraak is.
En dat is toch mooi van de Gedichtendag. Charles Ducal heeft al zijn ervaringen gestold in een zeer goed leesbaar en toegankelijk boekje. En dat kost maar twee euro vijftig. Dat is meer dan vier keer zo goedkoop dan die pedante Moleskine van u. Niet laten liggen!

Moleskine. Gelinieerd. 192 blz., € 11,50
Poëzietijdschrift Awater. Jaargang 9, nummer 1. Stichting Poëzieclub. € 6,90
Charles Ducal. Alle poëzie dateert van vandaag. Poëziecentrum / Atlas. 64 blz., € 2,50