Poëzie isnu eenmaal alles

JACOB GROOT
BILLY DOPER
De Harmonie, 171 blz., € 17,50

Hoe te schrijven over een roman die liever geen roman wil zijn? Je hebt romans die juist extreme aanspraken maken op dit genre, ze benen het uit tot in het oneindige, zoeken de grenzen ervan op, de extremiteiten, leveren groteske commentaren op het genre en laten impliciet of expliciet het bedachte en het geconstrueerde zien van wat men algemeen onder ‘de roman’ verstaat. In Engeland had je natuurlijk Laurence Sterne (1713-1768) die met The Life and Opinions of Tristram Shandy, Gentleman (1759) een voorloper was van deze romancommentatoren. In Duitsland timmerde de veel- en vreemdschrijver Jean Paul (1763-1825) eveneens aan de weg met romans die allerlei eigenschappen van dit onuitputtelijke genre onder het vergrootglas legden. Hij schreef ondoordringbare, maar tegelijk ook humoristische en groteske romans als Siebenkäs (1796) en Flegeljahre (1805) waarin hij doelbewust excelleerde in duizelingwekkende zijpaden die de hoofdweg nog wel eens aan het zicht onttrokken. Hij was er zeker niet op uit om het genre te vernietigen, hij verlustigde zich er juist in. Ook Ulysses (1922) van James Joyce kun je in deze traditie plaatsen: hij wilde met dit boek het genre niet naast zich neerleggen of ‘vernietigen’, maar een encyclopedie geven van de mogelijkheden ervan. En een mooi boek schrijven natuurlijk.
Maar bij Jacob Groots roman Billy Doper ligt het anders. Er staat het woord ‘roman’ op de kaft, zoals dat hoort, maar voor de rest wijkt dit boek in veel opzichten af van wat we onder een roman verstaan. Niet dat hij het genre onder de loep legt om de mogelijkheden ervan te onderzoeken, of het te bekritiseren, deze roman is geen al of niet schools ‘onderzoek’ met een uitkomst. Deze roman is de act van een verdwijnkunstenaar, misschien is dat de beste formulering, al is er een verhaal, in Parijs nog wel. Er treden allerlei personages in op, er is een hoofdfiguur, de titelheld, Billy, er is een meisje, Fille, waarop de held verliefd is, maar Groot laat zijn personages voortdurend balanceren op de rand van bestaan en niet bestaan. Zijn ze er wel? Ze ontbreken, ze willen ontbreken, ze willen afwezig zijn en daarmee hun presentie juist aan de orde stellen. En dus ook de presentie van deze roman, ja, van de romankunst. Deze roman wil zich aan het oog onttrekken, was het liefst niet geschreven omdat schrijven altijd een surrogaat is van het ontbrekende en het verlangen, om het maar eens lacaniaans te zeggen. De personages erin twijfelen ernstig aan hun talige functioneren. Groot geeft ze wel uitvoerig de ruimte in exuberante taalwoekeringen, zodat ze dus echt bestaan, maar tegelijkertijd ontbreken ze toch omdat je in taal alleen niet present kunt zijn.
Groot expliciteert zijn opzet met soms sterk ironiserende zinnen als: ‘Ontbrekende, zegt Billy weer, waar ben je?’ Of: ‘Wat ik zeg verlangt naar wat ik niet zeg?’ Of neem een fragment dat ik in verschillende opzichten beschouw als een kenmerkende passage van de roman: ‘Je oorspronkelijke versie bestaat niet. Ook je landschap zie je als een versie ervan, bijvoorbeeld van de eerste keer dat je Fille zag maar ook dat was een versie van een versie. Daarom jaag je naar die eerste keer, nee naar de keer daarvoor ad infinitum. Elke volgende versie van Fille is doordrenkt van de vorige ad infinitum. Hoe meer je Fille abstraheert of sublimeert, hoe meer je naar haar verlangt. Daarom denk je nu niet aan haar maar dring je haar struiken binnen, haar trui, haar zweet, duw je je hoofd in haar billen, lik je haar reet. Ad infinitum.’ Jagen op versies, dat verstaat Groot onder het schrijven van romans, jagen op het ontbrekende en het zich altijd onttrekkende. Het boek staat vol van dit type redeneringen waarin het aanwezige en afwezige wordt bediscussieerd. ‘Want, als het spreken namelijk niet in de blinde vlek van het onuitsprekelijke lag, was het onuitsprekelijke dan toch de blinde vlek van het spreken?’ Tegelijkertijd gaat Groot het banale niet uit de weg, zie bovenstaand citaat over de billen van Fille en een zin als: ‘Pas als zijn lul groot genoeg was verliet Billy het huis.’
Misschien kun je het personage Billy Doper opvatten als een ‘oplichter’, als iemand die zijn eigen bestaan, dat van anderen en dat van de roman in het algemeen oplicht, ook in de betekenis van dat hij een licht erop laat schijnen, het (niet-)bestaan laat oplichten. Wat dit betreft deed het me denken aan Herman Melville’s laatste grote prozawerk, dat op 1 april 1857 verscheen: The Confidence Man. Ook in dit raadselachtige werk over een oplichter gaat het om identiteit en werkelijkheid, ja ook van de roman zelf. Er zijn meer verwijzingen naar Melville, de naam Billy verwijst duidelijk naar Billy Budd uit Melville’s gelijknamige novelle, waarin de onschuld van de matroos Billy ter discussie staat. Wat mij betreft te veel verwijst Groot in de meer filosofische passages expliciet naar filosofen als Wittgenstein, Foucault en Derrida. Zijn paradoxale roman zou ook zonder deze verwijzingen zijn eigenaardige kracht blijven ontlenen aan de talige schoonheid ervan, de beeldspraak over Parijs, de komische en ook melige terzijdes op rijm, de poëtische dwangmatigheid. Want waar proza bij Groot in deze roman aan het woord probeert te komen, neemt de poëzie het toch altijd over. Poëzie is nu eenmaal alles.