Poëzie, kleur en warmte

SJOERD VAN FAASSEN EN SALMA CHEN (RED.)
ROOMSE RUZIE: DE SPLITSING TUSSEN DE GEMEENSCHAP EN DE NIEUWE GEMEENSCHAP
Vantilt/Letterkundig Museum, 472 blz., € 34,90

MARJET DERKS
HEILIG MOETEN: RADICAAL-KATHOLIEK EN RETRO-MODERN IN DE JAREN TWINTIG EN DERTIG
Verloren, 431 blz., € 34,-

PAUL LUYKX
‘DAAR IS NOG POËZIE, NOG KLEUR, NOG WARMTE’: KATHOLIEKE BEKEERLINGEN EN MODERNITEIT IN NEDERLAND, 1880-1960
Verloren, 375 blz., € 29,-

De jongemannen van het tijdschrift De Gemeenschap, de Vrouwen van priester Van Ginneken en vele bekeerlingen vormen het bewijs dat de katholieke kerk in de eerste helft van de twintigste eeuw heel wat minder kleurloos, eenvormig en eentonig is geweest dan vaak wordt aangenomen.

‘De katholieken! Dat is het meest schunnige, belazerde, onderkruiperige, besodemieterde deel van ons volk! Maar díe naaien er op los! Die planten zich voort! Als konijnen, ratten, vlooien, luizen. Die emigreren niet! Die blijven wel zitten in Brabant en Limburg met puisten op hun wangen en rotte kiezen van het ouwels vreten!’ Zo rabiaat als W.F. Hermans de hoofdpersoon uit Ik heb altijd gelijk zich laat uitdrukken, zullen de meeste niet-katholieke Nederlanders zich niet hebben geuit, maar erg flatteus is het beeld van katholieken nooit geweest. Beslotenheid, conformisme en traditionalisme – dit waren niet alleen in de ogen van ‘andersdenkenden’ kenmerken van katholiek Nederland, ook was dit het beeld dat de roomse zuil lange tijd van zichzelf koesterde en waarnaar sinds de ‘ontzuiling’ met veel nostalgie werd teruggeblikt.
Vroeger kende iedereen zijn plaats nog en hield zich aan de talrijke voorschriften en regels van de kerk. Toen was men nog ‘onder ons’, speelde het gehele leven zich af binnen door de kerk geleide organisa-ties, was er nog een specifieke katholieke ‘nestgeur’ en was de wereld nog overzichtelijk. Dat waren de jaren van het ‘rijke roomse leven’, toen de gelovige zich nog niet het hoofd hoefde te breken over maat-schappelijke en levensbeschouwelijke vraagstukken, maar ‘mijnheer pastoor’ hem precies vertelde wat hij moest denken en doen. En wat dat laatste betreft, de herderlijke aanwijzingen strekten zich zelfs uit tot het huwelijksbed.
Critici zagen dit zelfbeeld als bewijs van een suf conservatisme. Zowel in maatschappelijk als cultureel opzicht zou het Nederlandse conservatisme dood water zijn geweest. Vooral vanaf de jaren zestig ga-ven veel ex- en niet-katholieken gretig af op dit ‘roomse leven’, dat in hun ogen rijk maar bekrompen was geweest.
Waar die criticasters zich meestal niet bewust van waren, was het feit dat in katholieke kring dergelijke kritiek al sinds de jaren twintig te horen was. Vooral onder een deel van de jongeren kwam er verzet te-gen het burgerlijke, zelfgenoegzame katholieke establishment, dat zo trots was op de bereikte emanci-patie van het roomse volksdeel, dat in Nederland zo lang een ondergeschikte rol had gespeeld, en op de opbouw van een bloeiende organisatie die werkelijk alle aspecten van het leven omvatte. Dit katholi-cisme was in de ogen van sommige jongeren veel te ‘lauw’. Het miste, in de woorden van Anton van Duinkerken, ‘hart en vurigheid’.
Van Duinkerken behoorde tot een generatie van jonge schrijvers en intellectuelen die zich organiseer-den rond tijdschriften als Roeping en De Gemeenschap, en die van mening waren dat de katholieken zich, ondanks de officiële leer, veel te veel hadden aangepast aan de moderne, dus burgerlijke samen-leving. Dit was ten koste gegaan van de religieuze diepgang, van het élan en de strijdlust die volgens hen zo kenmerkend waren geweest voor het katholicisme van de Middeleeuwen. Hoewel die moderne samenleving – met haar rationalisme, materialisme en schrijnende sociale onrechtvaardigheid – niet deugde, voelden deze jongeren zich sterk aangetrokken tot de modernistische cultuur en wilden zij niets weten van de sentimentele kunst en de priesterpoëzie die in katholieke kring zo populair waren.
Vooral over De Gemeenschap, dat er typografisch zeer modern uitzag en waarin soms ook niet-katholieken publiceerden, is reeds veel geschreven. In Roomse ruzie zijn alle artikelen en documenten gebundeld die betrekking hebben op de scheuring die zich binnen dit blad voltrok, en die in 1934 leidde tot de oprichting van De Nieuwe Gemeenschap. De redacteuren van dat laatste tijdschrift stonden een veel radicalere koers voor en evolueerden in meerderheid in de richting van fascisme en antisemitisme. Een van hen, Albert Kuyle, publiceerde in 1935 een artikel waarin hij De Groene Amsterdammer afschil-derde als een ‘uitverkoopachtig’ blad, dat werd volgeschreven door ‘joden die met hun handen praten’, van wie te hopen viel dat ze over niet al te lange tijd zouden worden opgeborgen in een concentratie-kamp.

Aan dit handjevol jonge katholieke mannen – van wie eigenlijk alleen Van Duinkerken en Jan Engelman niet bezweken voor de verleiding van het fascisme – is altijd al veel aandacht besteed. Zij waren echter bepaald niet de enigen die in het interbellum ten strijde trokken tegen het bekrompen en zelfgenoegza-me katholieke establishment. In Heilig moeten beschrijft Marjet Derks de activiteiten en denkbeelden van een flink aantal jonge vrouwen dat zeer fel katholiek was, maar dat helemaal niet past in het geza-pige beeld van het katholicisme waarin voor vrouwen slechts een rol was weggelegd als moeder of als non.
De kort na de Eerste Wereldoorlog opgerichte lekenorganisaties Vrouwen van Bethanië en Vrouwen van Nazareth waren allesbehalve suf en gezapig. De leden ervan, afkomstig uit welgestelde katholieke ge-zinnen, behoorden tot de eerste generatie vrouwen die mochten doorleren. Voor de rol van echtgenote en moeder voelden zij niets, zij verlangden naar religieuze diepgang en spirituele bevrediging. Tegelij-kertijd trok het traditionele kloosterleven hen evenmin aan, omdat ze midden in de wereld wilden staan. Niet omdat ze de moderne samenleving zo geweldig vonden, maar omdat ze die wilden herkerstenen.
Beide organisaties waren opgericht door de charismatische, zeer getalenteerde en extreem zelfbewuste taalkundige en priester Jacques van Ginneken S.J. Volgens hem waren deze vrouwen uitverkoren om, uiteraard onder zijn leiding, het ingeslapen christendom te redden. Hierbij zou deze antimoderne bewe-ging volop gebruikmaken van moderne transport- en communicatiemiddelen, avant-gardistische kunst-vormen, nieuwe psychologische inzichten, sport, spel en dans.
De vrouwen gingen samenwonen in speciale huizen, waar een strikt regime van door Van Ginneken be-dachte regels gold en dat veel strenger was dan in de traditionele kloosters. Van hieruit waren ze actief in de samenleving en trachtten ze mensen te bekeren. Met dit doel verrichtten ze sociaal werk in achter-buurten, boden ze niet-katholieken de mogelijkheid in retraite te gaan, gingen sommigen naar het bui-tenland om missiewerk te verrichten en organiseerden ze cursussen en bijeenkomsten voor fabrieks-meisjes. De Vrouwen van Nazareth gaven tevens leiding aan de in 1928 opgerichte Graalbeweging, waar tienduizenden meisjes lid van waren en die zich in hun kleurige uniformen zeer opvallend manifes-teerden. De Graal past helemaal in het beeld van de vooroorlogse jeugdbewegingen, zoals de sociaal-democratische AJC, die binnen haar eigen zuil de fakkel van het idealisme hooghield en uitdrukking gaf aan een nieuwe, antiburgerlijke cultuur.
De kerkelijke leiding bezag deze activiteiten van de Vrouwen, die hun kritiek op het establishment niet onder stoelen of banken staken, met gemengde gevoelens. In de tweede helft van de jaren dertig, nadat Van Ginneken de leiding van de beweging was ontnomen, werden de touwtjes strakker aangetrokken. De Vrouwen van Bethanië werd een reguliere kloosterorde en de Vrouwen van Nazareth werd in 1939 zelfs opgeheven. De keuzemogelijkheden van de katholieke vrouw werden weer teruggebracht tot het oude, vertrouwde tweetal: moeder of non.

Wat kenmerkend was voor zowel de jonge mannelijke literatoren rond tijdschriften als De Gemeenschap als voor de radicaal-religieuze vrouwen van Van Ginneken was hun verzet tegen de moderne samenle-ving, die ze met moderne middelen bestreden. De kritiek op de burgerlijk-kapitalistische samenleving zoals die zich in de loop van de negentiende eeuw had gevormd, was tijdens het interbellum wijd ver-breid. Veel mensen wezen deze cultuur af als te rationalistisch, te materialistisch, te oppervlakkig. Men miste bezieling en idealisme. Velen zochten hun heil bij politieke religies als het fascisme of het commu-nisme, anderen wendden zich tot het christendom.
Op deze zoekende zielen leek het katholicisme veel meer aantrekkingskracht uit te oefenen dan welk van de vele protestantse kerkgenootschappen dan ook. Frederik van Eeden, in de jaren twintig de be-roemdste bekeerling tot het katholicisme, had reeds in 1884 in een toneelspel de bezwaren tegen het protestantisme beschreven: ‘… in uw hart en kerk is alles koud,/ Zoo dor als doodsch, zoo kleur- als le-vensloos!’ Nee, dan de kerk van Rome: ‘Daar is nog poëzie, nog kleur, nog warmte’. Deze laatste be-schrijving heeft de Nijmeegse historicus Paul Luykx gebruikt als titel voor zijn onderzoek naar de ‘beke-ringsgolf’ die vanaf het einde van de negentiende eeuw zichtbaar was.
Kwantitatief werd die golf voor het overgrote deel veroorzaakt door mensen die zich bekeerden om met een katholieke partner te kunnen trouwen, maar daarnaast hebben vele tientallen figuren uit de culturele en maatschappelijke elite zich uit volle overtuiging katholiek laten dopen. Vooraanstaande bekeerlingen waren onder anderen Herman de Man, Helene Nolthenius, Willy Corsari, Jan Toorop, de architecten M.J. Granpré Molière en A.J. Kropholler, de voormalige feministe Cecile de Jong van Beek en Donk, de psycholoog F. Buytendijk en de filosofe Cornelia de Vogel. Soms had een dergelijke keuze ingrijpende gevolgen. Zo werd de vrijzinnig-democratische minister H.P. Marchant door zijn partij geroyeerd en werd Frederik van Eeden uit de redactie van De Groene Amsterdammer verwijderd.
Van vrijwel al deze mensen heeft Luykx kunnen vaststellen dat hun bekering voortkwam uit onvrede met de moderne, snel veranderende en daardoor in hun ogen losgeslagen samenleving. ‘Rome’ werd gezien als de hoeder van tradities, als burcht van waarheid en zekerheid, als een veilige haven in een wereld die steeds stormachtiger en onheilspellender leek te worden. In hun enthousiasme idealiseerden zij de katholieke kerk zozeer dat sommigen na verloop van tijd teleurgesteld weer vertrokken. Samen met de jongemannen van De Gemeenschap en de Vrouwen van Van Ginneken vormden de bekeerlingen ech-ter het bewijs dat de katholieke kerk in de eerste helft van de twintigste eeuw heel wat minder kleurloos, eenvormig en eentonig is geweest dan vaak wordt aangenomen.