Poëzie van onder de koeienstaarten

Er zijn van die talen waarin alles mooi lijkt te klinken. Het Fries bijvoorbeeld. Uit twee nieuwe bloemlezingen blijkt dat er een generatie Friese dichters is opgestaan die onvergelijkbare poëzie schrijft.

Eerst een gedicht:

Vandaag heb ik iets van het oerbestaan van de Friese boer gezien!
Ik zat in de greppel en de kopjes van de boterbloemen zag ik zacht
heen en weer wiegen
Daar bovenuit zag ik een man die gras bijeenharkte,
Langzaam loopt hij naar voren, ’t maairandje langs;
Dan komt er een paard en een wagen aan, met al wat gras erop;
Een man met een vork neemt gras van het randje en steekt het op – op de wagen;
Elke keer zie ik de plukken uit de lucht op de wagen vallen;
Het paard slaat met zijn staart.

O jullie ‘dichtergeneraties’, voor- en na-oorloggers,
O jullie critici die met magische kunst willen overwinnen,
Wat zeggen jullie van deze levensode?
Vliegtuigen razen over mij heen en fijne wilgenpluisjes zweven bij mij langs.
Friesland! De wereld!

Het is de Nederlandse vertaling door Jabik Veenbaas van het gedicht Gers helje/Gras ophalen van Obe Postma, een van Frieslands grootste dichters. Het is samen met het Friese origineel uit 1951 te lezen in de onlangs verschenen herziene editie van de Spiegel van de Friese poëzie. Het is meer dan een wonderschoon gedicht: het refereert in enkele regels, en met die fraaie, wat achteloze tegenstelling tussen ‘vliegtuigen’ en ‘wilgenpluisjes’ tegelijk aan de discussies die de Friese poëzie decennialang parten hebben gespeeld.
Tot ongeveer halverwege de negentiende eeuw werd het Fries vooral beschouwd als volkstaal. Voor culturele uitingen, laat staan voor poëzie, werd de taal nauwelijks gebruikt. Er zijn in vroeger tijden mooie regels en gedichten te vinden, zoals in het werk van de Gysbert Japix: ‘Aan heftig trillen is mijn hart ten prooi!/ Mijn liefst Wobbelke,/ mijn zoetste Wobbelke, Mijn dierste Wobbelke, Wat ben je mooi!’ Maar de Friese poëzie begint pas zo rond 1880.
De samenstellers van de Spiegel van de Friese poëzie, Pier Boorsma, Teake Oppewal en Geertrui Visser, hebben vooral een ‘verslag van enthousiaste ontdekkingsreizigers’ willen brengen. Toch kan zo’n verslag niet zonder kort stil te staan bij de problematiek die het dichten in een minderheidstaal met zich meebrengt. Lang was het schrijven van literatuur in het Fries verweven met het zoeken naar de Friese identiteit; de legitimatie van de taal en de Friese cultuur vormde dikwijls de inzet van strijdbare verzen. Aardig is het te zien hoe Piter Jelles Troelstra, tijdgenoot van Herman Gorter, tedere wiegeliedjes maakte naast ideologisch getint werk. Hij keerde zich definitief tot de politiek met de regels: ‘Vaarwel, oud dorp, ik moet van u gaan scheiden;/ De rusttijd is voorbij, het leven roept; (…) Eerst wil de knaap voor Friesland staan en sterven; Dat Groot’re waarin hij zichzelf verloor;’
Friesland opstoten in de vaart der volkeren, ‘Fryslân en de Wrâld’ (Friesland en de wereld), grootse idealen stonden dichter Douwe Kalma voor ogen. Het was rond 1920, en wilden ze iets gaan voorstellen, dan zouden de Friezen hun onderwerpen niet langer in en rond de boerderij moeten zoeken. Geen poëzie dicht bij huis, maar de grenzen verkennen, de wereld, buitenlandse literatuur. Jaren later vatte Obe Postma die visionaire beelden treffend samen.

Eerder dit jaar verscheen ook Het goud op de weg: De Friese poëzie na 1880, eveneens een vuistdikke bloemlezing, samengesteld door dichter Abe de Vries.
Waar de Spiegel een zo getrouw mogelijke afspiegeling wil zijn van wat er in het Fries gepubliceerd is en van het belang dat uiteenlopende dichters hebben gehad voor de Friese literatuur is de keuze van De Vries dwarser. Zijn uitgangspunt is meer essayistisch: de Friese poëzie, zo formuleert hij het enigszins provocerend, is altijd een soort boerenpoëzie gebleven. Daarmee reageert hij op de schrijver Anne Wadman, die dertig jaar na Douwe Kalma van mening was dat de Friese literatuur ‘onder de koeiestaarten vandaan’ gehaald moest worden.
De Vries, die met zijn eigen werk – in beide bloemlezingen ruimhartig opgenomen – in 2005 de prestigieuze Gysbert Japixprijs won, wil in Het goud op de weg de Friese poëzie laten zien in haar worsteling met traditie en experiment, met volkstaal en literaire taal. De weg naar volwassen worden, zo men wil.
Dichters die sinds lang beschouwd worden als sleutelfiguren schuift De Vries soepel opzij. Opvallend is bijvoorbeeld dat hij het dichterlijk werk van Fedde Schurer negeert. Die mag dan gezegd hebben: ‘De Friese dichter vindt het goud op de weg; uit een levende volkstaal hoeft hij slechts het goede materiaal op te vissen, en in zijn handen ontstaan kostbaarheid en schoonheid’, De Vries leest ‘kunstig gesmede versjes en liedjes, eerder ingegeven door christelijke dan door literaire inspiratie’. Wie de proef op de som wil nemen, leze de vijf gedichten van Schurer in de Spiegel.
Ook naar werk van de eerder genoemde Douwe Kalma (twee gedichten in de Spiegel) is het vergeefs zoeken. De Vries volstaat met de opname van het gedicht Utflecht/Uitvlucht van Garmant Nico Visser (1910-2001), waarin hij geestig wordt weggezet: ‘Mijn jeugdheld was niet Kalma, maar Lord Lister.’
Ruim baan biedt hij ook aan de exotischer Sjoerd Spanninga (1906-1985) en aan Tjitte Piebenga (1935), die in de vernieuwende wijze waarop hij de klankrijkdom en muzikaliteit van het Fries gebruikte van invloed is geweest op dichters na hem.
Een substantieel deel van beide ruim vijfhonderd pagina’s tellende bloemlezingen is ingeruimd voor werk van de ‘generatie van na 1994’, het verschijningsjaar van de eerste Spiegel van de Friese poëzie. 1993 is te zien als het jaar waarin Kalma’s oude adagium ‘Fryslân en de Wrâld’ dan eindelijk bewaarheid werd: toen bracht Tsjêbbe Hettinga op de Frankfurter Buchmesse zijn publiek in een roes met zijn uit het hoofd voorgedragen indrukwekkende epische gedichten, in slepend en golvend Fries. De bijna blinde bard geldt inmiddels als een veelgevraagd dichter op internationale poëziefestivals.
Wat daarna gebeurde is wel omschreven als de renaissance van de Friese poëzie. Die koppige provincie die in een eeuwige strijd gewikkeld leek met haar taal en identiteit blijkt te barsten van het poëtisch talent. Dat talent wortelt weliswaar in de traditie, maar worstelt daar niet langer mee. Zie bijvoorbeeld hoe vrolijk Anne Feddema de wereldcultuur naar Friesland brengt in De alde Lyszt fytst: ‘Grimelgrammeltsje Kûperoaze/ De âlde Liszt fytst/ Op syn gromatyske âld fyts/ Oer syn eigen âlde Lisztantlit’ (Spikkelspetterje couperose/ De oude Liszt fietst/ Op zijn chromatische oude fiets/ Over zijn eigen oude Lisztgelaat’).
Het zijn dichters ook die hun eigen werk vertalen, of naar gelang in het Fries of in het Nederlands schrijven. Tweetalige dichters als Tsead Bruinja of Albertina Soepboer problematiseren hun Friese afkomst en taal niet zozeer, maar maken daar gebruik van. Bruinja’s Friese werk is misschien mede dankzij het zangerige Fries lyrischer dan zijn Nederlandse. De landschappen die Soepboer schept, vinden hun oorsprong in die vlakke provincie, met zijn weidse luchten, en overstijgen die. Interessante nieuwkomer is ook Elmar Kuiper, wiens scenische poëzie en hoekig absurdisme invloeden uit film en beeldende kunst verraden. En Friese namen blijven dankbaar poëtisch materiaal, zie Hidde Boersma: ‘Er moet een Doede komen/ die gewoon een visje eet/ zonder gevoel of gedoe’.
Sinds de vorige Spiegel is een generatie opgestaan die onvergelijkbare poëzie schrijft; is de emancipatie van de Friese poëzie dan voltooid? Tsead Bruinja liet, samen met Hein-Jaap Hilarides, het brede spectrum dat deze dichters bestrijken al zien in de bundeling Droom in blauwe regenjas (2004). Het boeiende van de recente bloemlezingen is dat die ‘jonge’ dichters context krijgen.
De aanleiding voor beide boeken loopt uiteen, toch is er meer overeenkomst dan verschil. Een enkele keer kiezen de samenstellers ander werk van eenzelfde schrijver, soms komt dan een geheel andere dichter naar voren: in de Spiegel las ik compleet over de regels van Bartle Laverman heen. In Het goud op de weg viel ik voor zijn ‘worstige oktobers’. Een andere keer, zoals in het geval van Harmen Wind, vullen de keuzes elkaar goed aan. Een enkele dichter krijgt wel een plaats in Het goud op de weg, maar niet in de Spiegel, wat pleit voor de eigenzinnigheid van Abe de Vries. Al is dit wrange beeld van Eppie Dam alleen in de Spiegel te vinden: ‘de hunkering waarmee de motorkap/ zich aan de stam vastklampte’.
De ware ambassadeurs van de Friese dichters zijn misschien wel de vertalers. Zonder hen zou het werk slechts toegankelijk blijven voor het handjevol Friezen dat poëzie leest. Voor het overgrote deel hebben beide bloemlezers dezelfde vertalers aan het werk gezet, of gebruik gemaakt van bestaande vertalingen, Interessant is het om te zien hoe vertalers de taal kleuren, ook al is het niet altijd gelukt om geschikte equivalenten te vinden. Dan blijkt een fletse Nederlandse regel als ‘Er lag een moeheid over ’t middaguur geplooid’ in ‘Der lei in tsjokke wargens oer ’t tolf-oere-skoft’ een standvastiger klinkende Friese pendant te hebben.
Beide kloeke boeken zijn zorgvuldig vormgegeven, Fries en Nederlands helder naast elkaar. Het goud op de weg telt een paar slordigheden, met name op spellinggebied, maar daarover niet gezeurd.
In beide boeken is genoeg en meer te ontdekken en te herontdekken. Wat opvalt is dat onder het grote aantal dichters nog relatief weinig dichteressen zijn. De vrouwelijke, maar onnadrukkelijk getoonzette gedichten van bijvoorbeeld Margryt Poortstra bieden compensatie, en de jonge Grytsje Schaaf is een belofte. Hopelijk betekent deze hausse ook de definitieve doorbraak van Cornelis van der Wal: ‘In een vijver leef ik samen met mijn zweetklieren/ deze drukke dieren schieten cirkelend heen en weer in het groene/ water en spuiten fris kruidenzweet voor de zieke vissen.’
Er zijn van die talen waarin alles mooi lijkt te klinken. Het Fries is zo’n muzikale taal die je makkelijk meevoert. Een taal om niet alleen te lezen, maar ook te horen. De samenstellers van de Spiegel hebben een overzicht opgenomen van de uitspraak. Dat is sympathiek, maar veel Nederlanders struikelen al bij het uitspreken van Frjemde kusten, de titel van de bundel waarmee Tsjêbbe Hettinga zijn weg naar het publiek vond. Misschien een volgende Spiegel met cd? Dan kunnen we ook beluisteren dat er onder die koeienstaarten verdraaid mooie poëzie te vinden is.

SPIEGEL VAN DE FRIESE POËZIE
SAMENSTELLING PIER BOORSMA, TEAKE OPPEWAL, GEERTRUI VISSER
Meulenhoff, 525 blz., € 29,90

HET GOUD OP DE WEG: DE FRIESE POËZIE SINDS 1880
SAMENSTELLING ABE DE VRIES
Bornmeer, 576 blz., € 35,-