Poëziefilm

Wat is poëziefilm? Literaturwerkstatt Berlin vroeg een aantal dichters om een statement te schrijven over poëzie en film voor de Unesco Wereld Poëziedag. Ja, die bestaat, en wel op 21 maart ieder jaar. En landen die niet naar Brits of Amerikaans model een Gedichtendag hebben ingesteld doen eraan mee.

Een poëziefilm is een tussenruimte, zegt de Duitse Uljana Wolf, een genre dat niet benoemd kan worden maar bij iedere poging opnieuw uitgevonden. Dat klinkt legitiem, maar ook een beetje al te algemeen. Videogedichten, cinepoèmes, poëzie op het scherm: iemand als de Hongaarse Canadees Tom Konyves maakt ze al sinds 1978. De resultaten doen opnieuw beseffen dat poëzie en ook de visuele variant ervan in ieder land verschillend is, dat wie er vastomlijnde ideeën op nahoudt beter thuis kan blijven.

Onze eigen - sorry voor dit grensoverschrijdende fraternalisme - Paul Bogaert reageert met een oproep. Dichters, bezoek ‘poëziefilm city’, schrijft hij, anders worden we overspoeld met hippe clips, kitsch, en krijgen we een warenhuis van mooie animaties of een hel van tekstillustraties. Als dichters er niet een straat of twee bezetten, op vakantie gaan of een kijkje komen nemen, wordt het niets, zo stelt de Vlaamse dichter. Hijzelf reageert met een link naar een film van Karsten Kraus, You and Me, waar een tekst over found footage wordt uitgesproken en de beelden en de stem een mooie relatie aangaan. De beelden doen denken aan films van Péter Forgacs, die gevonden films op rommelmarkten verknipt en aan elkaar plakt. Het heeft iets teders, de film, en is helemaal in de lijn van de Favoriete dingen van Bogaert, dus gelukkig ongegeneerd subjectief.

Ik denk dat Bogaert gelijk heeft - en niet zozeer omdat ik zelf pleitbezorger van het ondefinieerbare genre zou zijn, maar omdat veel van de resultaten inderdaad of in of helemaal naast de roos zijn. Er is de mogelijkheid dat de dichter zich de techniek heeft eigen gemaakt en aan de slag is gegaan. Paul Bogaert heeft dat gedaan en ook Tonnus Oosterhoff, van wie er eigenlijk na zijn eerste drie bundels twee dichters zijn, een die bundels maakt en de ander die op www.tonnusoosterhoff.nl in Flash werkt. Er is de mogelijkheid dat een dichter samenwerkt met iemand anders die de techniek beheerst en voeling heeft met diens poëzie. Maar juist die figuren bestaan er in zeer beperkte mate. Dirk Vis is er een, die samenwerkt met K. Michel, en de ander Alfred Marseille die samenwerkt met Jan Baeke. Dat is heel prettig voor het werk van beide dichters en kost hun de nodige tijd en overleg, maar daarmee hebben we niet de hele dichtkunst op het scherm.

De andere voorbeelden doen me een beetje denken aan muzikale begeleiders van dichters in de jaren tachtig. Je kon er per optreden drie geeltjes mee verdienen, een dichter begeleiden (dat is 75 gulden, zo'n 34 euro) en daar was je blij mee, maar het was natuurlijk niet echt hip, het was niet de main thing, niet met je band het podium op of iets componeren of de studio in. De dichtersbegeleiders stonden dan ook altijd op het podium met een gezicht van ik hoor er helemaal niet bij, kijk maar niet naar mij. Met name in Den Haag, waar men de beatstad van de jaren zestig wilde evenaren, had je goede muzikanten die graag wat wilden bijverdienen. Een uitzondering die wel overeind is gebleven is de band Poetry in motion rond Mark Boog, maar die jongens zien er juist uit alsof ze het samen zeer naar hun zin hebben. Vormgevers, kunstenaars, videomakers, ik kan me moeilijk voorstellen dat ze allemaal weglopen met poëzie. Het Letterenfonds heeft al een tijdje een project lopen dat eerst Poëzie op het scherm en later in samenwerking met het Mondriaan Fonds Digidicht is gaan heten. De bijdragen zijn soms aardig, soms niet, soms illustratief, soms doen ze denken aan ‘en nu krijgen we een filmpje van studenten van de Hogeschool van…’ die je tijdens de tv-quiz Twee voor twaalf ziet. Met kunstenaars in de zaal bij de presentatie kreeg je soms ongegeneerd spontane negatieve reacties, die zijn wat minder ongegeneerd daarin dan dichters doorgaans zijn. Er zijn ook kunstenaars die opzettelijk iets maken waar de dichter tevreden mee is, ook als ze er zelf niet in geloven en het beeld artistiek eigenlijk armzalig vinden en het werk buiten hun cv houden. Wat dat betreft vraagt de ‘city’ waar Bogaert het over heeft inderdaad om een Occupy-beweging en deel ik zijn oproep: maak er iets van dat in z'n geheel goed is, in alle facetten.

Poëziefilm kan een poëtische film zijn (maar wat is poëtisch en kom je dan niet uit bij een shampooreclame?), het kan een film zijn waarin letters in beeld komen en het kan een film zijn waarbij je een stem hoort die een gedicht voorleest. Mijn persoonlijk manco is dat ik de functie van het beeld en de opeenvolging ervan zo belangrijk vind dat als ik de regie over een poëziefilm krijg alle tekst overboord kieper om te kijken of ik met montage van beelden alleen ver genoeg zou komen. En is het dan wel een poëziefilm? In Berlijn bestaat er een festival voor, Zebra Poetry Film Festival genaamd, ieder jaar in oktober. De voornoemde statements zijn te vinden op www.lyrikline.org, dat een archief is van ontelbare internationale dichtersstemmen, met uitklapbaar meerdere vertalingen in verschillende talen. Er schuilt iets prettigs in om uit te gaan van een stem. Het maakt niet uit in welke taal het is, je hoort de intonatie, het is persoonlijk. Lyrikline heeft inmiddels zeven miljoen bezoekers sinds de oprichting. De website maakt onderdeel uit van Literaturwerkstatt Berlin, maar zou de basis moeten vormen van een nieuw Huis der poëzie in de Duitse hoofdstad. Dat is geen luxe: hoewel er iedere avond op veel plekken in de stad voordrachten zijn, is in de gemiddelde boekhandel nauwelijks poëzie te vinden. Zelfs de vermaarde Autorenbuchhandlung nabij de Savignyplatz koopt ze niet meer in: ze hebben nog wel twee kasten vol, maar nieuwe bundels worden niet meer toegevoegd. Er wordt wel poëzie gepubliceerd, niet veel, zeker niet voor een groot land, maar nog wel aanzienlijk. Alleen raakt men de plek ervoor in de boekhandel kwijt. De Duitse dichter Lutz Seiler noemt poëzie een soort parasiet of een soort niet te verdelgen bacterie, die overal weer opduikt.

De vraag is hoe die poëzie dan wel verspreid wordt. De jongste spruit van de maandelijkse schrijversborrel in de Amsterdamse Pels zal je nog proberen uit te leggen dat je niet een roman maar wel een gedicht op het scherm kunt lezen, vergetende dat een gedicht onderdeel is van een liefst goed samenhangende bundel, een geheel dat je ook niet integraal online gaat lezen. In Frankrijk verschijnt poëzie minder bij grote uitgeverijen, meer bij kleine gespecialiseerde uitgevers, maar in iedere boekhandel zijn daar altijd wel wat bundels te vinden. In Duitsland is het niet ongebruikelijk dat je als consument direct bij de uitgever bestelt.

Toen de tegenhanger van lyrikline.org, de in Rotterdam gecoördineerde website www.poetryinternational.org werd opgericht, klonk tijdens de bijeenkomsten die Tatjana Daan daarvoor hield alleen protest van Franse zijde, in persoon van Henri Deluy. Typisch de Fransen die er niet mee kunnen leven dat het Engels nu eenmaal lingua franca is, zou je zeggen - en precies dat dacht ik toen ook. Maar er zat een addertje onder het gras dat nu naar boven lijkt te komen. Een Boliviaan die gedichten van de Italiaan Andrea Raos wil lezen, zal voor de site van Poetry International Engels moeten kennen. Via het Engels als mediator maakt hij twee vertalingen, een dubbele slag. Poetry staat erom bekend betere vertalingen te verzorgen dan andere festivals, voor het festival maken ze niet alleen Nederlandse maar ook Engelse vertalingen van de gasten, wat voor de gasten onderling ook prettig is om te horen met wie ze een week zitten opgescheept en onderstreept het internationale karakter. De kwaliteit van de vertalingen op lyrikline.org is wisselvalliger, dichters kunnen ze ook zelf aandragen. Het biedt wel de mogelijkheid de stem van de dichter te horen en de vertalingen in een taal die je kent mee te lezen en zo het gedicht te ondergaan. Dan is er natuurlijk de selectie. Staat mijn voorbeeld de Italiaan Andrea Raos op de Duitse site? Nee, die ontbreekt er.

Toch merkte ik via een uiterst subjectieve steekproef dat de Rotterdamse site in Engelstalig Canada goed bekeken werd in 2005, op een festival in Ottawa. Op een festival in Istanbul in 2011 ging het erover of de dichters op lyrikline.org stonden of niet. We zijn als Nederlanders toch uitzonderlijker in ons gebruik van het Engels dan we zelf doorhebben. Hier in de Berlijnse wijk Charlottenburg wonen Oost-Europeanen die hun eigen taal en Russisch spreken en net als ik Duits aan het leren zijn. Er wonen Noord-Afrikanen die Frans spreken en zich ook het Duits eigen proberen te maken. Engels spreek je er niet met elkaar, de Duitsers spreken het ook niet makkelijk. Als melting pot tussen oost en west is er blijkbaar geen nood aan, is het Engels een taal te veel.

In Istanbul gebeurde nog iets opmerkelijks. Na een voordracht in het Italiaans Instituut kwam een jongen op me af, gaf me een briefje en liep meteen weer weg. Het was in het Turks gesteld. Ergens denk je toch even aan een doodswens, overdreven natuurlijk maar niet helemaal ondenkbaar als je als vertegenwoordiger geprogrammeerd staat van een land met een regering die gedoogd wordt door een stel idioten die allemaal rare dingen aan het roepen zijn. De Slowaakse op het festival vroeg me telkens jennend naar mijn deathwish. Toen ik het briefje liet vertalen bleek het een aanbeveling. Mijn poëzie had de jongen aan Nâzim Hikmet doen denken en ik moest nu Nâzim Hikmet gaan lezen en heel veel van zijn werk gaan houden. Twee dagen later schoof de jongen naast me op een boot op de Bosporus en begon uit een oud boek Hikmet voor te lezen. In het Turks, ik begreep er geen woord van. Ik vroeg hem naar de aantekeningen die ik in zijn boek zag staan. Hij antwoordde - en de tolk vertaalde - dat hij die nodig had om het werk te begrijpen, het was in oude stijl geschreven. Het was een plechtig moment, zelfs de Slowaakse was er stil van.

Nâzim Hikmet - de fraaie bloemlezing Moderne Turkse poëzie opent met hem, laat de moderniteit met hem aanvangen. Er is een keuze De mooiste van Hikmet in de reeks van Lannoo/Atlas. Maar het briefje dat ik in Istanbul kreeg komt pas goed aan als ik in de reeks ‘Poesiealbum’ van Verlag Neues leben - met onder anderen Giuseppe Ungaretti, Vasko Popa, Welemir Chlebnikov en Arseni Tarkowski, de vader van de filmer - het deeltje van Hikmet aantref en een gedicht lees, Die kalte zigarette, in vertaling van Bernd Jentzsch. Toch een doodswens!? Ik vertaal het hieronder, ik weet dat het bij poëzie niet mag, voor het gemak maar even vanuit het Duits:

De koude sigaret

Deze nacht zal hij sterven.

Een kogel heeft zijn colbert geschroeid.

Hij treedt deze nacht de dood in,

de angst al ver achter zich.

Vraagt nog: sigaret?

Ja, zeg ik.

_ Vuur?_

_ Ik zeg: nee,_

steekt u hem aan de kogel aan.

En hij neemt de sigaret en gaat.

Misschien ligt hij al

geveld op de aarde,

tussen de lippen

de koude sigaret,

in zijn borst

de wond.

Ga weg daar,

raak verwijdert, treedt

de dood in.

Mehmet Yildirim, Mehmet Çetin, Sytske Sötemann, Moderne Turkse poëzie. Atlas, 768 blz., € 49,90.

Op 17 mei worden nieuwe poëziefilms gepresenteerd van Arnoud van Adrichem, Wim Brands, Maarten Doorman, Hélène Gelèns, Saskia de Jong en Elmar Kuiper om 16.00 uur in het Trouwgebouw, Wibautstraat 131, Amsterdam