Pogoënde filosoof

‘Volgende halte… next stop… Grote Markt. Paard van Troje. Music venue.’ Ik weet niet wanneer die laatste twee coördinaten zijn toegevoegd aan het automatische omroepbericht in Haagse trams, als ze de tunnel in duiken. Misschien sinds dezelfde vrouwenstem ons waarschuwt: ‘Houd u vast tijdens de rit.’

Of misschien pas sinds Scheveningen The Hague Beach moest gaan heten van de city marketeers, die zo verstandig waren om Het Paard – dit jaar voor het eerst de hoofdlocatie van Crossing Border – niet te vertalen als The Trojan Horse.

Music venue. Zoals zij het uitspreekt, stel je je er het Opera House van Sydney bij voor, Carnegie Hall of misschien Tivoli. In elk geval iets wat even helder en hygiënisch is als die omroepstem.

De echte popcultuur bloeit natuurlijk nooit in reclamestrakke venues op, maar alleen in kelders, kroegen, stegen en andere lichtschuwe achterafplekjes met de geur van gevaar.

Bij mijn eerste initiatie in dit circuit, begin jaren negentig, verging het me ongeveer als Patty Berglund, de heldin uit Jonathan Franzens Vrijheid: ‘De herrie was niet te harden. Richard en twee andere Traumatics krijsten in hun microfoons: “I hate sunshine! I hate sunshine!” En Patty, die een beetje zonneschijn altijd wel waarderen kon, wendde al haar basketbaltechnieken aan om weg te komen.’

Bandjes! Die troonden boven aan de statuspiramide van de middelbare school, onwrikbaar als de banen van de planeten, en dat zal niet zijn veranderd. Je kon nog zo mooi pianospelen, tekenen of dichten – tegenover iemand die een groovy basloopje of een kinky riffje uit z’n instrument kon plukken, met een scheurend distortion uit de versterker – stond je machteloos.

In een bandje spelen betekende onderdeel zijn van het ondergrondse circuit van kraakpanden en illegale feesten, geheimzinnige extase en het vermoeden van uitzinnige seks.

Ik was uitsluitend met klassieke muziek opgegroeid: het apollinische principe van de schone kunsten, de harmonische ordening, de stilering. Maar hier walmde de dionysische waanzin die iets onweerstaanbaars had. Rond die tijd las ik Nietzsche’s Götzen-Dämmerung: ‘Om de muziek als speciale, afzonderlijke kunst mogelijk te maken heeft men een aantal zintuigen, in het bijzonder het zintuig van de spieren, stilgelegd: zodat de mens niet meer alles wat hij voelt meteen lijfelijk nabootst en uitbeeldt. Toch is dat in feite de normale dionysische toestand, in elk geval de oertoestand.’

Bandjes! Die troonden boven aan de status­piramide van de middelbare school

Pogoënde lijven die op elkaar in sprongen en rondstuiterden – het waren de jaren van Smells Like Teen Spirit – dat was de oertoestand die wij volgens Nietzsche zo hadden verwaarloosd.

Lang heeft mijn carrière als pogoënde filosoof niet geduurd. Waarschijnlijk omdat ik, alle adviezen van Nietzsche ten spijt, toch bleef denken wat Patty Berglund dacht: ‘De muziek was als eten dat te heet was om nog enige smaak te hebben.’

Later – tien of twintig jaar later – belandde ik nog wel eens min of meer per ongeluk op een van die ooit zo verboden plekken. Het is een beetje als terugkeren bij je kleuterschool, die ook ineens twee keer zo klein lijkt als dat hij in je verbeelding leek. In werkelijkheid waren ze ook minder donker dan in de herinnering, die de neiging heeft om de plekken waar je veel alcohol hebt geconsumeerd altijd te verduisteren. Onnodig om te zeggen dat ook de seks lang niet zo uitzinnig was.

Later – tien of twintig jaar later – ben ik ook Nietzsche gaan herlezen. Die bleek ook al veel minder buitenissig-demonisch dan de gestalte die hij in mijn puberfantasie had aangenomen. In feite was het een redelijk evenwichtige man, althans, hij pleitte voor een evenwicht tussen het apollinische en het dionysische, die allebei voor de kunst noodzakelijk zijn. Louter Apollo is vorm zonder ziel, loze formaliteit en dode spielerei. En andersom is louter Dionysos een vormloze extase. Kunst is een cross-over van die twee goddelijke krachten, iets wat neerslaat in het evenwicht van die twee. Ongeveer wat Crossing Border doet door literatuur en popmuziek samen te brengen onder één dak.

Wat dat betreft doet Het Paard van Troje zijn naam eer aan, al kantelt de mythe er een halve slag. Want het is het paard dat jou naar binnen lokt met monumentale gevels met sierlijsten en ander strooigoed uit de Hollandse Renaissance – daarbinnen is alles gesloopt: plafonds, muren, trappenhuis. Alles is vervangen door een immense bak waarbinnen het is zoals het in een popcentrum moet zijn: met de geur van gevaar.

Music venue. De keurige tramstem – volgens mij is het dezelfde vrouw als in de TomTom – is een apollinische mezzosopraan, door en door vormelijk en ontzield door computers en marketing. Maar in werkelijkheid is ze de lokroep van het Trojaanse paard.

En over Nietzsche gesproken: had hij niet toen hij krankzinnig werd in Turijn een paard omhelsd?