In zijn Kleine encyclopedie schetst Herman Vuijsje nieuwe inzichten over Nederland aan de hand van neologismen. Deze week: pointillisering. Vanuit de lucht gezien is het Nederlandse landschap door de jaren heen steeds een ander schilderij.

Neêrlands kust heeft een bijzondere plaats in ons hart. Van de blanke top der duinen juichen wij over het vlakke strand: ‘’k Heb u lief, mijn Nederland!’ (bis). Geen wonder dat het voornemen van minister Schultz om de mogelijkheden tot bouwen aan de kust te verruimen, een golf van protest opriep.

De afgelopen drie jaar kwamen er langs de kust drieduizend nieuwe ‘recreatie-eenheden’ bij, berekende Natuurmonumenten, en voor de komende drie jaar staan er nog vierduizend op stapel. Zelfs in beschermde gebieden worden strandhuisjes, duinbungalows en appartementen gebouwd. Vaak onder het murmelen van de compensatiemantra: om het goed te maken wordt elders een weerloos stuk weiland tot oernatuur omgeploegd.

Schuifzand is de strandvariant van schuifgroen – dierbaar en zeldzaam landschap wordt steeds verder opgeschoven – maar spreekt meer aan. Intussen is de ontwikkeling overal elders al ver gevorderd, met platte dozen langs de snelweg, ‘zichtlocaties’ in het weiland en bedrijventerreinen die zich aaneenrijgen tot door niemand geplande ‘corridors’.

‘Je rijdt over de snelweg, en denkt: wat is dit voor megalomane stad?’ verzuchtte Ineke Bakker, die van 2001 tot 2007 leiding gaf aan de Nederlandse ruimtelijke ordening. ‘En dan is het Zaltbommel!’

Maar om die wildgroei echt op je te laten inwerken, moet je niet in de auto stappen. Je moet de lucht in. Stel je voor dat je honderd jaar geleden in een luchtballon boven Nederland zweefde en naar beneden keek. Je zag een duidelijke scheiding van stad en platteland, en dat platteland was ‘robuust’, met duidelijk uiteenlopende bestemmingen. Een expressionistisch schilderij met flinke vegen in heldere kleuren: een Appel.

Later volgden ruilverkaveling en ruimtelijke ordening. Vloog je in de jaren vijftig in een Fokker Friendship boven ons land, dan zag je onder je een consequente vlakverdeling: grote stukken land met een specifieke bestemming en een specifieke aanblik, vaak door rechte lijnen van elkaar gescheiden. Met elk hun eigen kleur: hier een groot stuk groen, verderop blauw, dan weer het rood van steden en dorpen. Een Mondriaan, of een tweedimensionale variant van een Rietveld- of Duiker-gebouw.

Nu, na een paar decennia van verzelfstandiging, privatisering en decentralisatie, is van die overzichtelijkheid weinig meer te bespeuren. We hebben de besluitvorming over de ruimtelijke inrichting het veen in geduwd. Niemand die nog overzicht heeft en centraal toezicht houdt, sinds het rijk de zaak uit handen heeft gegeven aan provincies en gemeenten. Die willen stuk voor stuk van alles een beetje, omdat die lui verderop dat óók hebben.

Iedere lokale bestuurder streeft nu naar dezelfde waaier van ruimtelijke bestemmingen. ‘Elk dorp bouwt zijn eigen bedrijventerrein met een rondweg, tot in Ruurlo en Lochem aan toe’, aldus landschapsarchitect Adriaan Geuze onlangs in de Volkskrant. ‘Er is geen planning of afstemming. Politici denken allemaal dat het wel zal meevallen. Nee dus.’

Overal is nu alles mogelijk, maar vanuit de helikopter gezien wordt het landschap juist eentoniger: overal hetzelfde schilderij van woonwijkjes, stadsparkjes, schaambosjes, recreatieplasjes, bedrijventerreintjes en natuurgebiedjes met wat villaatjes ertegen om het betaalbaar te maken en welvarende Nederlanders de behuizing te bieden waar zij recht op hebben. ‘Rood voor groen’ heet dat: bouwen in het groen om méér groen te krijgen… jaha, dat kan, want met het geld dat die gebouwen opbrengen kan elders groen worden ‘gecompenseerd’.

Deze metamorfose van Nederland is het resultaat van grotendeels ongerichte processen, veroorzaakt door het terugtreden van de centrale overheid. Intussen wordt wel ruimschoots voorzien in planologische slogans die de indruk moeten wekken dat de veranderingen de neerslag zijn van doordacht en gewenst beleid. In werkelijkheid heeft niemand het ontstaan van een ‘rasterstad’, ‘netwerkstad’ of ‘tapijtmetropool’ beoogd, het zijn achteraf aangebrachte etiketten. Gewoon het paard achter de wagen spannen en zeggen dat het goed is.

De gevolgen worden zichtbaar als we doorvliegen naar de toekomst, zeg naar 2060. We komen terug van een weekendje zonnen in Kenia of Bali en wat zien we vanuit onze supersonische shuttle? Ergens boven Naaldwijk of Hilvarenbeek doemt de eerste stedelijke bebouwing op, die zich daarna zonder herkenbare onderbreking voortzet tot Schiphol. De grens tussen stad en platteland is vervaagd: Nederland is veranderd in een ‘hybride’ landschap, een amorfe grootstedelijke parkstad.

Het landschap doet nu aan confetti denken. Nederland is veranderd in een pointillistisch schilderij. De vegen van Appel en de vlakken van Mondriaan hebben plaatsgemaakt voor een eindeloze verzameling stipjes, allemaal met hun eigen kleur.

Een overspannen museumbezoeker heeft er een paar forse halen in gekerfd: de kaarsrechte lijnen van grootschalige elementen als de hsl en de Betuwelijn. Alleen aan de hand daarvan, van de grote rivieren en de kust kunnen we ons nog een beetje oriënteren. Voor het overige hebben we in Nederland de ruimtelijke variant gerealiseerd van de Blokker/Etos/Hema-eenheidskoopstraat.

Nederland is aan pointillisering ten prooi. Van Appel naar Mondriaan naar Seurat – dat is de ontwikkeling van het Nederlandse landschap als het een schilderij zou zijn. En als we zouden voortgaan op de ingeslagen weg.