Ger Groot

Polanco

Jesús de Polanco is dood. In de Nederlandse pers zal dat nauwelijks een rimpeling hebben veroorzaakt, maar Spaanse vrienden belden me er op zondagochtend op mijn vakantieadres voor op. Ik zou vast wel in touw moeten voor een necrologie. Want Jesús de Polanco was God in Spanje. Hij bestierde het mediaconglomeraat Prisa, waarvan het dagblad El País het vlaggenschip vormt, geflankeerd door de nodige radio- en tv-zenders, uitgeverijen en tijdschriften. Die streven bijna allemaal naar een hoog of minstens redelijk journalistiek en cultureel niveau. Dat is een van de opvallende verschillen tussen Polanco en zijn Italiaanse evenknie Berlusconi, maar het beslissende onderscheid is de publieke presentie van de laatste: als show-tycoon, als gentleman-misdadiger, als charmeur en gemankeerd staatsman. Polanco had niets van die opzichtige ijdelheid. Hij bleef grotendeels achter de schermen, als een godfather die weet dat zijn naam alleen voldoende is voor het in stand houden van zijn macht.

Want genoemd werd Polanco des te vaker. Bijna dagelijks in zijn eigen media en als gevolg daarvan ook in die van anderen. Daarmee werd El País mondiaal gezien vermoedelijk de kwaliteitskrant met de meeste autobombo – wat met explosieven niets te maken heeft, maar met snoeverigheid des te meer. Geen dag is er de afgelopen jaren voorbijgegaan zonder dat deze krant uitgebreid berichtte over het eigen wel en (hoogst zelden) wee, op gezette tijden toegelicht door Polanco of een van diens ondergeschikten. El País draagt de eigen bestuurders een warm hart toe. Hoe warm, bleek op de dag van Polanco’s dood. 27 pagina’s reserveerde El País voor beschouwingen over hem. Op de daaropvolgende dag besloeg de reportage van zijn begrafenis nog altijd acht fotopagina’s vol schrijvers, journalisten en politici die daarbij aanwezig waren geweest. In de daaropvolgende dagen bleef de krant berichten over de onderscheidingen (al dan niet uit eigen koker) die de overledene postuum werden toegekend, waarna de tv-rubrieken het mochten overnemen: dagenlang werden er documentaires en interviews met de overleden tycoon uitgezonden op de zenders van de eigen groep. Als nakomertje mocht een lezeres zich er in een ingezonden brief over beklagen dat slechts zo weinig vrouwen Polanco’s lof hadden gezongen. Het opvallendst is niet dat El País zich niet schaamt voor dit exhibitionisme, zo weinig in overeenstemming met de mondiale kwaliteitskrant die hij zo graag wil zijn. Onthutsend was vooral dat dit in Spanje breeduit normaal gevonden werd. ‘Het is toch zijn krant’, was steevast de reactie op de verwondering die ik erover uitsprak – niet alleen onder de marskramers op de markt van mijn vakantiedorp, maar ook onder universiteitsdocenten die beter zouden moeten weten.

Caciquismo heet in Spanje de overtuiging volgens welke degene die de macht en het geld heeft de wereld als het ware in persoonlijk eigendom heeft. Het is een diepgewortelde feodale opvatting, die nog altijd doorsmeult onder de democratische hypermoderniteit waarmee Spanje zijn eigen werkelijkheid voortdurend overschreeuwt. Maar af en toe toont ze zich in haar naakte gestalte – het vaakst in de politiek. Steevast laat Spanje’s grootste rechtse partij, de Partido Popular, doorschemeren de socialistische psoe slechts te beschouwen als een horde oproerige usurpators van de macht die rechtens de bezittende bourgeoisie toekomt. Zelfs de linkse schrijver-minister Jorge Semprún bleek in zijn grootburgerlijke afkomst al eens een vage voorbeschikking tot zijn hoge ambt te zien. En ook de grootfamilies die als oprichters en investeerders achter El País schuilgaan, schromen niet subtiel te laten merken dat zij nog altijd dezelfde zijn als die welke vóór de burgeroorlog de culturele en politieke scène beheersten.

Dat Polanco door zijn eigen dagblad werd gelauwerd als de grote voorvechter van democratische persvrijheid, is dan ook nogal ironisch. Diezelfde Polanco deed er alles aan om dagbladen die het monopolie van El País konden verstoren in de knop te breken of om zijn goede contacten binnen de socialistische familie aan te wenden om felbegeerde zenderfrequenties te bemachtigen, want voor wat hoort nu eenmaal wat. Politiek is in Spanje dan ook synoniem gebleven met het vermogen tot het uitdelen van privileges: het voornaamste machtsmiddel van de cacique. Daarom bestaat het politieke debat er, na dertig jaar democratie, nog altijd meer uit scheldpartijen en wederzijdse karikaturisering dan uit een redelijke gedachtewisseling – nauwelijks anders dan in de vroege jaren tachtig, toen ik er voor het eerst verbaasd kennis van nam. In de tweestrijd tussen een schril progressisme en een nauw verhulde franquistische nostalgie is de cacique in zijn element. Polanco is nog lang niet dood.