INTERVIEW MET GABRIEL LESTER  

‘Polanski, die is zo breed!’

Kunstenaar Gabriel Lester zoekt het vooral in de breedte. Dat heeft met vernieuwing te maken, met jezelf voortdurend heruitvinden. Verschillende disciplines onderzoeken.

EEN SPEELFILM MAKEN (of een speelvideo, in dit geval) waarin geen woord gesproken wordt, waarin eigenlijk ook niks gebeurt en die toch spannend is, het volle half uur dat hij duurt, dat is knap. Gabriel Lester presteert het met The Last Smoking Flight. Je kijkt in de lengterichting van een nauwe vliegtuigcabine. De passagiers zitten stevig te paffen en verveeld, gespannen of geamuseerd voor zich uit of naar buiten te kijken. Je ziet wat zij buiten zien: een traag voorbij glijdende ijszee van grillige wolkenpartijen, en je volgt een tijdlang de kringelende rook van hun sigaretten. Dat is het wel zo’n beetje, en het verveelt geen moment. Gabriel Lester: ‘Belangrijk is dat je de toeschouwer opzadelt met een dilemma. Ik heb niks aan een toeschouwer die afhaakt en zegt: “Ik snap het niet”, maar ik heb ook niks aan een toeschouwer die meteen zegt: “O, ik snap het al”.’ Wat wil Lester de toeschouwer vertellen? Dat is precies de vraag. En het antwoord is: niets bepaalds. Nauwkeuriger gezegd: de toeschouwer bepaalt dat. ‘Abstract-narratief’ heeft Lester zijn werk wel genoemd.
Sinds een jaar woont hij weer in Nederland, na jaren in Brussel gewoond te hebben. We spreken elkaar in een atelierwoning boven in een fris gerenoveerd jaren-twintigpand in het Amsterdamse stadsdeel De Baarsjes. Een weids uitzicht over de stad, hoge luchten, veel licht. ‘Het uitzicht is feitelijk het beste onderdeel van deze woning, maar ik zit hier vanwege de studioruimte boven.’ Hij somt op waar hij verder gewoond heeft: ‘Londen, New York, Tblisi, IJsland, Stockholm. Nederland is een lastig land voor een kunstenaar. Ik ben hier bijvoorbeeld nog nooit voor een prijs voorgedragen, in België wel. Het heeft toch weer met dat maaiveld te maken, met dat doe-maar-gewoon… Vanaf het moment dat ik succes kreeg, ben ik steeds weggegaan. In marktopzicht kan ik weliswaar niet concurreren met Aernout Mik of Erik van Lieshout, maar wel in bereik. Ik publiceer ook veel en werk mee aan veel niet-commerciële initiatieven, aan wat je de nouvelle vague zou kunnen noemen. In Nederland drijft een kliek aan de oppervlakte, een generatie die in dezelfde tijd kunstgeschiedenis heeft gestudeerd of zo, die dol is op het exotische. Er is natuurlijk niks zo spannend als een Servische, lesbische videokunstenares, maar wil je… Als je als Nederlandse kunstenaar succes wilt hebben, moet je naar het buitenland, maar te weinigen proberen dat. Na De Rijke/De Rooij ben ik van mijn generatie de enige…’ Hij bedenkt zich: ‘Ben ik naast Folkert de Jong, Melvin Moti en Erik van Lieshout de enige die het in het buitenland maakt. En kijk nu ’s naar het Sint-Lucas in Brussel: David Claerbout, Hans Op de Beeck, Tina Gillen, Wim Catrysse, Gert Robijns, Jan De Cock: allemaal studiegenoten van mij, allemaal succes in het buitenland.’

Gabriel Lester (Amsterdam, 1972) groeide op in een commune in Pieterburen (‘Ja, die van Meander van Tessa de Loo. Kom ik ook nog in voor. Als meisje’). Zat van z’n achtste tot z’n twaalfde op de Vrije School. ‘M’n enige reguliere opleiding. Vanaf m’n twaalfde heb ik altijd m’n eigen pad gezocht. Ben daarin gestimuleerd en gesteund door mijn ouders. Lange tijd ook een uitkering gehad. Was heel normaal. Mijn ouders hadden die ook, of leefden op uitkeringsniveau, zaten in de BKR en zo. Ik ben ook altijd gestimuleerd om dingen te maken, maar het lag nooit in mijn bedoeling om beeldend kunstenaar te worden. Ik maakte muziek en schreef verhalen. Ik realiseerde me op een gegeven moment dat je om schrijver te worden rijper moest zijn, en wat de muziek betreft: ik ontdekte dat ik als uitvoerend musicus mijn beperkingen had, wel talent, maar niet genoeg. Toen bedacht ik: muziek + tekst –> cinema.’
Hij volgde opleidingen in die richting aan de Sint-Joost Academie in Breda en de Sint-Lucas Academie in Brussel en ging videoclips en commercials maken. Dat hij uiteindelijk in de hoek van de beeldende kunst belandde, kwam door de Mexicaanse kunstenaar Carlos Amorales: ‘Die speelde mee in een van mijn eerste films. Drie, vier jaar later ging hij naar de Rijksacademie en op een gegeven moment vroeg hij mij voor een rol in een cyclus performances van hem. Zo ontdekte ik de Rijksacademie. Toen ik weer een paar jaar later behoefte kreeg aan meer verdieping en terugverlangde naar het meer autonome dat ik in Breda en Brussel had leren kennen, meldde ik me aan bij de Rijks.’ Op de Rijksacademie maakte hij in 1999 de installatie How to Act, die hem op slag tot een bekendheid maakte in de kunstwereld. How to Act bestond uit een witte ruimte, waarin vijftig gekleurde spots aan- en uitflitsten op de maat van flarden muziek uit Hollywood-films. ‘Dat was de eerste stap verwijderd van cinema. De muziek was er nog, het formaat van zestien bij negen min of meer, het licht, het idee van montage, alleen het beeld niet. Cinema-min-één zou je kunnen zeggen.’

Lester is geen cineast, hij is een beeldend kunstenaar die zijn verhaal vertelt met cinematografische middelen. Met noties en elementen uit de wereld van de film (locatie, timing, decor, rekwisieten, spanningsopbouw, verhaalstructuur, beeldclichés en zo meer) bouwt hij installaties die een sculpturaal of architectonisch karakter hebben. Zoals een wand van verticaal geplaatste latten die de langslopende toeschouwer de sensatie geeft dat niet hij beweegt maar dat de geometrische ornamenten bewegen die achter die wand aan de muur hangen. Of een wand met documenten, foto’s en schilderijen die een samenhangende geschiedenis suggereren, maar die niet in één opslag te overzien is doordat er op regelmatige afstanden dwarswandjes tegenaan zijn gezet. De toeschouwer moet zich verplaatsen om alles, in delen, te zien. Er ontstaat een sequentie, tijd. ‘De kunstvorm die het dichtst bij de filmkunst staat, is architectuur. Eisenstein zei het al.’
Het verhaal dat Lester met deze elementen vertelt is zonder inhoud. De inhoud wordt geleverd door de kijker. Bij Lester neemt de kijker deel aan het werk, kijker en kunstwerk zijn voor hem geen onderscheiden entiteiten. Lester levert het kader, de kijker interpreteert zijn ervaring, legt verbanden, ziet betekenis, construeert een verhaal. ‘Daar wordt het geconditioneerde kijkersbrein automatisch toe aangezet.’ Als het goed is, wordt de kijker zich tevens bewust van dit mechanisme: ‘Ik wil dat de kijker een aangename ervaring heeft, maar ook dat de constructie van de illusie gezien wordt.’
In het geval van The Last Smoking Flight lukt dat uitstekend. Je raakt gefascineerd door de uitdrukking op de gezichten van de luchtreizigers en vraagt je af wat ze denken. Waar elders op de wereld ze in gedachten zijn, en wat ze daar doen. Welke gebeurtenissen zich in hun hoofd afspelen. Tot je je realiseert dat zwijgende personages hoogstwaarschijnlijk geen gedachten hebben als personages en dat je naar acteurs zit te kijken die vliegtuigpassagiers spelen, en dat je je dient af te vragen waar de acteurs aan denken. Je komt ook in een prettig serene stemming tijdens het kijken naar de wolken en de rook, en krijgt gedachten van boeddhistische aard, in de trant van ‘alles stroomt, niets blijft hetzelfde’. Je denkt ook aan andere films.


Lester is weer in Amsterdam gaan wonen omdat hij films wil gaan maken. Echte. Speelfilms dus. Films van anderhalf uur, waarin gesproken wordt en dingen gebeuren. Maar eerst komt er een korte. Die is in voorbereiding. Voor zoiets zit je beter in Nederland dan in Brussel. Vanwege de subsidies. Brussel is een prima stad om je geconcentreerd aan iets te wijden, je werk te verdiepen, Amsterdam is beter als je nieuwe dingen wilt beginnen. Voor de duidelijkheid: hij gaat niet stoppen met installaties bouwen: ‘Maar ik wil ook gewoon films gaan maken. Installaties zijn een lastig, ondankbaar medium. Er zijn maar weinig kunstenaars van wie installaties door musea of verzamelaars worden aangekocht. Ze zijn moeilijk te conserveren, vaak zijn ze site-specific, waardoor ze in een collectie wel passen als idee, maar niet zoals ze gebouwd zijn. Het is ook een slopend medium, je moet keihard werken. En dan het geld dat ermee gemoeid is. Ik heb nu een positie bereikt dat men er best voor in de buidel wil tasten. De installatie tijdens de Biënnale van Gotenburg kostte 25.000 euro, Almere was ook zoiets. En dan komt Londen: pats, 45.000 pond. En na afloop wordt het allemaal weggegooid en verbrand. Het is uiteindelijk gewoon mdf.’
Gevraagd naar helden, naar grote voorbeelden, noemt hij David Bowie en Roman Polanski: ‘Iemand als Mick Jagger is alleen de eerste jaren van z’n carrière interessant, Bowie is dat al z’n hele carrière, veertig jaar lang inmiddels.’ Het heeft met vernieuwing te maken, met steeds andere dingen doen, met andere vormen vinden, met steeds jezelf opnieuw ontdekken, jezelf voortdurend heruitvinden. Met ‘breedte’: ‘Iemand als Polanski, die is zo breed! Ik bedoel, wat die maakt: comedy, horror, avonturenfilms, kinderfilms. Zo wil ik het ook. Een heleboel dingen die ik doe, kán ik ook helemaal niet. Het is ook helemaal niet leuk om dingen te doen die je gemakkelijk afgaan. Het is veel bevredigender om goed te worden in iets wat je moeilijk afgaat. Als ik op m’n zeventigste nog kunst maak, dan hoop ik nog steeds zo te werk te gaan.’ Als hij erop gewezen wordt dat hij een musicus en een cineast, maar geen beeldend kunstenaar als lichtend voorbeeld noemt, kijkt hij verrast op. Hij moet even nadenken. ‘Ja, dan Bruce Nauman natuurlijk.’

The Last Smoking Flight is te zien als onderdeel van de Biënnale van Liverpool.
www.biennial.com, www.gabriellester.com