Op weg om een liberaal land te worden?

Polderen in Tunis

De coup d’état in Egypte, de burgeroorlog in Syrië en de opkomst van Islamitische Staat zogen de aandacht van Tunesië weg. Maar de komende verkiezingen aldaar zijn belangrijk: het gaat om de verhouding tussen moderniteit, geloof en traditie.

Medium tun

Net als de meeste Tunesiërs weet Souad Abderrahim nog precies waar ze zich bevond toen ze hoorde dat Chokri Belaïd was vermoord. Het parlementslid van de islamitische partij Ennahda hoorde het nieuws van haar man die thuis in de keuken naar de radio zat te luisteren. Ze doorzag ogenblikkelijk de consequenties van de aanslag op haar collega-parlementariër. ‘Ik besefte direct dat we geen andere keus hadden dan uit de regering stappen.’

Belaïd werd in de vroege ochtend van 6 februari 2013 door vier schoten om het leven gebracht. De aanslag bracht het land in shocktoestand. Honderdduizenden mensen gingen de straat op om hun verdriet en boosheid te uiten. Belaïd, van huis uit advocaat, zat sinds de verkiezingen van 2011 in het parlement namens een linkse splinterpartij. Hij wierp zich op als een van de meest uitgesproken critici van Ennahda, de partij die bij de eerste vrije verkiezingen na het dictatoriale regime van Zine Abidine Al Ben Ali als grootste uit de bus was gekomen.

Souad Abderrahim geldt als ‘het moderne gezicht’ van Ennahda. Anders dan haar vrouwelijke fractiegenoten draagt ze geen hoofddoek en treedt ze vaak op in de Tunesische media. Ik ontmoet haar op de eerste etage van het Tunesische parlement. De wijd openstaande ramen bieden uitzicht op een tuin met sinaasappelbomen. Pal daarachter bevindt zich het Bardomuseum, met zijn wereldberoemde antieke mozaïeken. Bij de trap naar het kantoor van de parlementsvoorzitter zit een Siamese kat. Abderrahim draagt een doorschijnend paars gewaad en elegante leren sandalen. Ook daarin wijkt ze af van haar vrouwelijke fractiegenoten, die doorgaans in hoogsluitende regenjassen over straat gaan.

Nadat Ennahda had plaatsgenomen in een coalitieregering met twee centrum-linkse partijen werd de partij al snel mikpunt van kritiek, vertelt ze. Het partijkader werd ervan beschuldigd onder één hoedje te spelen met ultra-orthodoxe moslims. Stakingen legden het land plat, toeristen en investeerders bleven weg. De economie kromp. De gewelddadige dood van Belaïd, vermoedelijk door salafisten, zette de zaak op scherp. Zeker toen zijn weduwe op de dag van de moord Ennahda als verantwoordelijke aanwees.

‘Het veroordelen van de moord alleen had niet volstaan. De polarisatie was te sterk geworden’, vertelt Abderrahim. Het afgelopen jaar zat ze de commissie voor die zich boog over een nieuwe antiterrorismewet. Na de moord op Belaïd was ze niet de enige invloedrijke stem binnen Ennahda die het op nieuwe verkiezingen wilde laten aankomen. Ook premier Hamadi Jebali meende dat het verstandiger was dat zijn partij uit de regering zou stappen. Zeker toen op verschillende plaatsen in het land partijkantoren van Ennahda in vlammen opgingen. Op 7 februari kondigde Jebali een regering van technocraten aan. Maar het partijbestuur floot hem terug en een week later stapte Jebali zelf op.

Na een paar weken van demonstraties leek de rust terug te keren. Tot er op 25 juli een tweede politieke moord plaatsvond. Op die dag werd Mohammed Brahmi voor de ogen van zijn familie door twee onbekenden doodgeschoten. Net als Belaïd gold Brahmi als een uitgesproken criticus van de door Ennahda geleide regering. Opnieuw waren er demonstraties. Deze keer was de sfeer nog grimmiger. Het was de tijd van de massademonstraties tegen het bewind van de Moslimbroederschap in Egypte, en de val van president Morsi gaf de oppositie in Tunesië vleugels.

De nieuwe grondwet wordt algemeen beschouwd als een overwinning van de democratische krachten in Tunesië

Abderrahim wijst erop dat Tunesiërs zichzelf graag zien als een op consensus gericht volk: ‘Er is steeds sprake van een onderling gesprek. Maar nu stokte dat plotseling, heel bedreigend was dat.’ Terwijl de politieke en institutionele crisis in Tunis zich verdiepte, opende de Egyptische oproerpolitie geflankeerd door scherpschutters op 14 augustus het vuur op een vreedzame sit- in van Moslimbroeders nabij de Rabaa-moskee in het oosten van Caïro. Zo’n duizend mensen kwamen om. ‘Een aardbeving’, zou Ennahda-leider Rached Ghannouchi de gebeurtenissen in Egypte achteraf noemen.

Anders dan in februari toonde Ennahda zich nu wél bereid de regering te verlaten, zij het onder strenge voorwaarden. Op 6 oktober 2013 zette Ghannouchi zijn handtekening onder de routekaart die moest resulteren in een grondwet, een zakenkabinet en nieuwe verkiezingen. Slopende onderhandelingen volgden. Op 14 december werd bekend dat er een akkoord was. En anderhalve maand later, op 26 januari van dit jaar, had Tunesië een nieuwe grondwet. ‘Dat was een indrukwekkend moment’, zegt Abderrahim. Ze herinnert zich hoe parlementsleden van uiteenlopende politieke gezindten kriskras door elkaar heen liepen, elkaar feliciterend. ‘De opluchting was zó groot. Veel parlementsleden stonden met tranen in hun ogen, ik in ieder geval.’

De nieuwe grondwet wordt algemeen beschouwd als een overwinning van de democratische krachten in Tunesië. Hij geldt als de meest liberale van de Arabische wereld. Gelijkheid tussen mannen en vrouwen wordt erin gewaarborgd, net als de vrijheid van meningsuiting en de godsdienstvrijheid. Er is geen referentie aan de sharia, de islamitische wet. Wel zijn er paragrafen over het klimaat, vrouwenrechten en gehandicapten. De macht wordt gedeeld door parlement en president in wat in de wandelgangen ‘een gemengd systeem’ heet. Verkiezingen voor het parlement zullen op 26 oktober plaatsvinden; de presidentsverkiezingen in november en december. Als parlementariër raakte Abderrahim doordrongen van de noodzaak om samen te werken met andere partijen. ‘Zonder consensus gaat het niet’, zegt ze. Bij oppositiepartijen klinken identieke geluiden. Het is de dure les die de Tunesische politiek in de afgelopen drie jaar heeft geleerd. Dat geldt voor Ennahda, maar even goed voor de overige politieke partijen.

Medium tun2

Van de Arabische-lentelanden is Tunesië de positieve uitzondering gebleken. Egypte zonk terug in militaire dictatuur; Jemen viel als vanouds ten prooi aan stammenstrijd; Libië is een gewapende anarchie; Syrië transformeerde tot een gruwelkamer waar iedere volgende misdaad de vorige in wreedheid lijkt te overtreffen. Tunesië steekt daar gunstig bij af. De politieke partijen gaven in Tunesië blijk van volwassenheid en wisten tot dusver te vermijden dat de democratische transitie van de rails liep. Toch is de revolutie van 2011 nog allerminst in veilige haven. De economische situatie, de directe aanleiding van de opstand tegen Ben Ali, is er alleen maar slechter op geworden. Daarbij zijn er tal van gewapende islamistische groepen actief: de terreurdreiging is reëel. De instabiele toestand van buurland Libië helpt ook niet. En het is nog maar helemaal de vraag hoe stevig de consensus van afgelopen jaar in werkelijkheid is.

De coup d’état in Egypte, de burgeroorlog in Syrië en de razendsnelle opkomst van Islamitische Staat zogen de aandacht van Tunesië weg. Maar wat daar gebeurt is te belangrijk om te negeren. De inzet is niet minder dan de vraag naar de moderniteit in de Arabische wereld. Hoe verhoudt die zich met het geloof en de traditie? Kunnen politieke islam en liberale democratie in Tunesië met elkaar worden verzoend?

‘Ik pleit helemaal niet voor de invoering van het kalifaat! Dat zou ook niet in de geest van de Tunesische revolutie zijn’

De verkiezingsoverwinning van Ennahda in 2011 werd door sommigen gezien als de ironie van de geschiedenis. De opstand tegen Ben Ali werd gedragen door jongeren die individuele vrijheid en werk eisten. De protestbeweging was nationaal en seculier, verwijzingen naar de islam waren nergens te bekennen. Maar al spoedig was uitgerekend een partij die zich op de islam beroept het gesprek van de dag. Bovendien werd de partij geleid door een bejaarde man die al twintig jaar geen voet op Tunesische bodem meer had gezet.

Deze ontwikkeling was echter minder verrassend dan op het eerste gezicht leek. Ennahda had diepe wortels in de Tunesische samenleving. Na een poging tot verkiezingsdeelname werd de partij eind jaren tachtig verboden. Haar leden verdwenen in duistere kerkers. Maar de partijleiding, voortvluchtig in Londen, Parijs en Libanon, vergat hen niet; voor hun families werd gezorgd.

In het roerige postrevolutionaire Tunesië konden de nahdhaouis rekenen op moreel krediet. Anders dan de gevestigde politieke partijen hadden zij nooit samengewerkt met het corrupte en tirannieke regime dat nu verjaagd was. Daarbij was de tijd rijp voor een politieke partij die refereerde aan de islam. Niemand ontkende dat de seculiere staat, zoals die was opgebouwd door president Habib Bourguiba en voortgezet door Ben Ali, Tunesië veel had gebracht. Het land heeft een goed onderwijssysteem en een speciaal ‘persoonlijk statuut’, waardoor vrouwen relatief veel vrijheden genieten. Maar het opgelegde karakter van Bourguiba’s moderniteit ging tegenstaan. Zeker bij het gestaag groeiende aantal moslims dat de behoefte voelde zijn islamitische identiteit te vieren. Zo was het vrouwen die in overheidsdienst werkten verboden een hoofddoek op het werk te dragen. Ghannouchi op zijn beurt was zich goed bewust van het wantrouwen dat hij en zijn partij opriepen bij de op Frankrijk georiënteerde elite in en rond Tunis. Hij pleitte voor individuele vrijheid, gelijke rechten voor mannen en vrouwen en bezwoer de overwegend seculiere grondwet te zullen respecteren.

Maar dit leek te mooi om waar te zijn. Tegenstanders riepen dan ook op tot waakzaamheid en loerden op een kans de grote boze wolf van zijn schaapsvacht te ontdoen. ‘Het is gewoon bangmakerij’, schamperde Ghannouchi toen ik hem destijds opzocht in zijn huis even buiten Tunis. ‘Mijn partij zou een gevaar zijn voor de stabiliteit van het land, de positie van de vrouw, de goede relaties met het Westen, het toerisme en ga zo maar door. Maar ik pleit helemaal niet voor de invoering van het kalifaat! Dat zou ook niet in de geest van de Tunesische revolutie zijn, die werd gevoerd uit naam van de vrijheid en rechtvaardigheid.’

De prominente journalist Soufiane Ben Farhat behoorde destijds tot degenen die bereid waren Ghannouchi met open vizier tegemoet te treden. Verkiezingsdeelname van Ennahda beschouwde hij niet als een bedreiging, maar als een kans. Hij refereerde aan de evolutie van de democratie in West-Europa, hoe deze lang onverenigbaar met de godsdienst werd geacht en hoe uiteindelijk de christen-democratie zich daarin nestelde. En daarbij: zó gemakkelijk zouden de Tunesiërs zich heus niet door die islamisten laten inpakken. Hij wees me op de lange traditie van tolerantie en gematigdheid, op buffers als het juridische corpus (de eerste Tunesische grondwet dateert van 1871) en het seculiere onderwijs. ‘Tunesiërs peinzen er niet over hun kind naar een islamitische school te sturen. Bij het aflopen van de ramadan wordt er massaal wijn ingeslagen. Tunesiërs zijn een volk van hedonisten. Denk maar niet dat we ons zulke pleziertjes laten ontzeggen.’

Maar wanneer ik hem deze zomer opzoek, heeft Ben Farhat geen goed woord meer over voor Ennahda. Hij ontploft bijna van verontwaardiging als ik de naam van de partij laat vallen. ‘Wie denken ze wel niet wie ze zijn?!’ briest hij. ‘Voor mij bepalen hoe ik moslim moet zijn, dat kan ik prima zelf.’ Hij wijst op een reeks van incidenten variërend van het (te lang) laten begaan van gewelddadige salafisten tot het benoemen van partijgetrouwen binnen het overheidsapparaat. Ook het feit dat de partij bleef pushen om een verwijzing naar de sharia in de grondwet op te nemen, shockeerde hem. Net als de suggestie een artikel in te lassen dat stelde dat vrouw en man ‘complementair’ waren (en niet gelijk). Beide voorstellen haalden het niet, maar het toont volgens Ben Farhat aan dat Ennahda in de kern niet veranderd is, zoals een vos die zijn oude streken niet verleert.

‘Wie denken ze wel niet wie ze zijn?! Voor mij bepalen hoe ik moslim moet zijn, dat kan ik prima zelf’

Sinds de revolutie van 2011 heeft Ben Farhats carrière een hoge vlucht genomen. Daarvoor was hij een gevierd romancier en had hij een veelgelezen column in de Franstalige staatskrant La Presse. Nadat het juk van de censuur was weggevallen, kwam daar een dagelijkse radioshow bij en nog weer later een wekelijkse politieke talkshow op televisie. Hij liet een villa bouwen ten oosten van de hoofdstad.

Ben Farhat is gedrongen en heetgebakerd. Hij groeide op in de nauwe straatjes van de medina, het historische hart van Tunis. Een straatvechter. Maar ook iemand die geanimeerd vertelt over de meervoudige identiteit van de Tunesiërs, gestructureerd door een verleden dat teruggaat tot de Puniërs en de opkomst van Carthago. Vanaf het dakterras kijken we hoe de zon geleidelijk wegzakt in de baai. Aan de overkant van de straat zitten twee agenten in burger in een geparkeerde auto. Ze wijken niet van zijn zijde sinds Ben Farhat vorig jaar doodsbedreigingen ontving uit radicaal-islamitische hoek. Sommigen denken dat hij daardoor plotseling zo fel anti-Ennahda is geworden. Anderen onderschrijven zijn argumenten.

De nieuwe grondwet en de huidige politieke rust dankt Tunesië volgens Ben Farhat aan het martelaarschap van Belaïd en Brahmi, de twee vermoorde politici. ‘Daar ging een grote mobiliserende kracht vanuit. Die duizenden mensen in de straten gaven de partijleiding van Ennahda te denken. Maar die betogers zeiden ook: laat Tunesië voor wat het is, probeer het niet naar jullie beeld aan te passen.’

Volgens Shadi Hamid, auteur van het recent bij Oxford University Press verschenen Temptations of Power: Islamists Illiberal Democracy in a New Middle East, waren het wantrouwen en de polarisatie die zich na de val van Ben Ali van het Tunesische politieke landschap meester maakten onvermijdelijk. ‘Zelfs als Ennahda alles goed gedaan had, dan nog zou het niet afdoende zijn geweest’, schrijft Hamid. ‘Probleem is dat er sprake is van twee onverenigbare wereldvisies.’

Ennahda is een partij en vooral een beweging. Ze komt voort uit de Egyptische Moslimbroederschap en als ze daar nu op wezenlijke onderdelen van verschilt, is dat vooral te danken aan de intellectuele inspanningen van Rached Ghannouchi. De partijleider ontwikkelde een islamitische variant van volkssoevereiniteit en beargumenteerde dat moslims de sharia naar eigen inzicht konden toepassen. Dat waren belangrijke innovaties van het discours van de politieke islam, zoals dat gedurende de twintigste eeuw vorm kreeg. Niet alleen effenden ze de weg voor de acceptatie van democratisch pluralisme, ook maakten ze het mogelijk om af te zien van bijvoorbeeld de gevreesde lijfstraffen.

Ghannouchi groeide op in een traditioneel religieus milieu op het Tunesische platteland. Zijn vader was boer en kende de koran uit het hoofd. In 1956, het jaar van de onafhankelijkheid, trok Ghannouchi junior naar de hoofdstad om een religieuze opleiding te volgen. Het onderwijs aan de Zitouna-universiteit – traditioneel een van de belangrijke centra van de soennitische islam – viel hem echter tegen. Azzam Tamimi, auteur van Rachid Ghannouchi: Democrat within Islamism (2001), schrijft dat Ghannouchi en zijn generatiegenoten het idee hadden dat ze door een museum dwaalden zonder dat dat ook maar de minste relevantie voor het heden had. Tijdens de colleges kwam nooit ter sprake hoe het islamitische gedachtegoed toepasbaar zou kunnen zijn op moderne, actuele vraagstukken over zaken als economie, kunst of staatsinrichting.

Handafhakking of steniging, hoewel voorgeschreven door de koran, kunnen niet-langer-van-deze-tijd worden verklaard

Het was de periode waarin Bourguiba de Tunesische samenleving naar Frans model moderniseerde, met de nadruk op een strikte scheiding tussen religie en politiek. Dit deed de president eigenhandig als het moest. Op YouTube staat een filmpje waarin hij een moslima haar hoofddoek af trekt en ooit dronk hij tijdens de ramadan op televisie een glas jus d’orange leeg. De arbeidsproductiviteit mocht niet lijden onder al dat gevast, zo was de boodschap. Hij schiep de wereld waarin een op Parijs gerichte elite de opeenvolgende decennia zou floreren. Maar bij Ghannouchi en zijn vrienden werkte de ‘aanval’ die Bourguiba op de religieuze instituties inzette juist een gevoel van vervreemding in de hand. ‘Meer nog dan een overwinning op de kolonisator behaalde Bourguiba een overwinning op de Arabisch-islamitische identiteit’, zo zei Ghannouchi begin jaren negentig in een interview met een Franse journalist.

In 1964 vertrok hij naar Caïro, op zoek naar de bronnen van de identiteit waar hij zo naar verlangde: de Egyptische literatuur, de liederen van Oum Kalthoum en de toespraken van Nasser. Door tegenwerking van de Tunesische ambassade lukte het hem niet zich in te schrijven aan de universiteit. Hij reisde door naar Damascus, waar hij onder invloed raakte van de ideeën van de Moslimbroeders. In de huidige discussies over politieke islam en de Moslimbroederschap wordt vaak vergeten dat het hier in oorsprong ging om een beweging die zich afzette tegen wat ze als de ‘decadentie’ van de westerse beschaving beschouwde.

Individualisme en consumentisme hadden traditionele waarden als gemeenschapszin, familie en religie ondermijnd. Zelfs het nationalisme en het pan-arabisme van Nasser, hoezeer aanvankelijk ook door Ghannouchi bewonderd, bleken niet vrij van westerse invloeden. Opmerkelijk genoeg stonden westerse denkers aan de basis van deze kritiek. De werken van Arnold Toynbee en Oswald Spengler, auteurs die ieder op hun manier de ondergang van het Avondland beschreven, prijkten hoog op de leeslijstjes in Caïro en Damascus. Diepe indruk maakte de wereldwijde bestseller L’homme, cet inconnu (1934) van de Franse arts en Nobelprijswinnaar Alexis Carrel. Volgens Ghannouchi vormde het boek zelfs de belangrijkste inspiratiebron van de Egyptenaar Sayyed Qutb, een van de grondleggers van de politieke islam. ‘Door Carrel leerden we dat de islamitische wereld niet zozeer de wetenschap en de technologie als wel de ziektes van de westerse beschaving doorgegeven had gekregen.’ Zouden Ghannouchi en de zijnen beseft hebben hoe modern zij met hun zoektocht naar identiteit eigenlijk waren? ‘Vervreemding’, die o zo westerse aandoening. De afgedwongen secularisering van Bourguiba? Dat was natuurlijk gewoon oikofobie op z’n Tunesisch. Hún thuis vonden Ghannouchi cum suis bij de Arabische cultuur en bij het corpus van de politieke islam: van Ibn Taymiyya tot Qutb.

Na enkele omzwervingen door Europa ging Ghannouchi aan de slag als docent filosofie op een middelbare school in Tunis. Met gelijkgestemden richtte hij een informeel gezelschap op: ‘de hoeders van de koran’. Publiceren deden ze in Al Maarifa, een maandblad dat in 1979 een oplage van 25.000 bereikte. Net als de Moslimbroederschap waren ze op allerlei terreinen actief in de samenleving, in liefdadigheid met name. Maar anders dan hun geestverwanten in Egypte bekeerden ze zich in de jaren tachtig tot de democratie. Zoals Ghannouchi later zou stellen in een van de eerste interviews na de revolutie van 2011: ‘Waar islamisten elders hem slokje voor slokje opdronken, sloegen wij de beker van de democratie in één teug achterover.’

Wanneer Ben Ali in 1987 aan de macht komt, hopen Ghannouchi en zijn vrienden mee te kunnen doen met de verkiezingen die voor het jaar erna zijn aangekondigd. Om iedere referentie aan het geloof te vermijden, kiezen ze de naam Ennahda, ‘wedergeboorte’. Maar Ennahda krijgt geen toestemming van de kiescommissie. Uit protest vaardigt de partij onafhankelijke kandidaten af. Rudimentaire peilingen wijzen uit dat die mogelijk kans maken op dertig procent van de stemmen. Maar als het zo ver is, pakt de partij van Ben Ali alle zetels. Een golf van arrestaties volgt. Ghannouchi wijkt uit naar Londen. In Tunesië wordt hij bij verstek tot levenslang veroordeeld. De gewapende islamistische groepen die rond deze tijd in buurland Algerije dood en verderf beginnen te zaaien, lijken het gelijk van Ben Ali te bewijzen.

Maar in 1994 publiceert Ghannouchi al-Hurriyat al-’amma fi’l-dawla al-Islamiyya (Publieke vrijheden in de islamitische staat), het boek waarmee hij de politieke islam juist tracht te moderniseren. Centraal in het denken van Ghannouchi staan enkele koranverzen waar God het volk als zijn plaatsvervanger aanwijst (istikhlaf). Vers 2:30 met name. Dit is mogelijk omdat het volk de rol van hoeder van Zijn wet heeft geaccepteerd. Waar andere geleerden wijzen op de verplichting van moslims zich te onderwerpen aan Gods kundige vertegenwoordigers (de heersers, de juristen), daar begint Ghannouchi zijn behandeling van noties als vrijheid, verantwoordelijkheid en soevereiniteit juist bij de mensen zelf. In het belangwekkende artikel Genealogies of Sovereignty in Islamic Political Theology stelt de aan het Amerikaanse Yale verbonden onderzoeker Andrew March dat Ghannouchi’s voornaamste theologische innovatie daarin gelegen is dat hij mensen zelf laat uitmaken hoe zij de sharia interpreteren. Het volk en zijn gekozen vertegenwoordigers kunnen niet om Gods wetten heen, maar ze bepalen zelf wat vast ligt en wat context- en tijdgebonden is en herinterpretatie behoeft. Zo kunnen bijvoorbeeld lijfstraffen als handafhakking of steniging, hoewel voorgeschreven door de koran, niet-langer-van-deze-tijd worden verklaard.

‘Onder Ben Ali konden we gewoon doen alsof al die conservatieve kiezers niet bestonden. Heel arrogant natuurlijk’

Betekent dit alles nu ook dat Ghannouchi adhesie betuigt aan de democratie zoals wij die in het Westen kennen: de liberale democratie? Nee. Want hoe innovatief en verstrekkend ook, Ghannouchi’s doctrine van istikhlaf is, in de woorden van March, ‘een interne beweging binnen de politieke islam die weliswaar in democratische richting wijst, maar niet per se de Europese parlementaire democratie als einddoel heeft’. Er blijft altijd een ideologische kloof gapen. Immers: volkssoevereiniteit bij Ghannouchi is mogelijk, maar op de voorwaarde dat het volk de rol van Gods plaatsvervanger op zich neemt. Nu, dat zou voor seculieren per definitie al niet mogelijk zijn omdat de staat, vanuit het liberale gezichtspunt, er niet is om Gods wil en wet te weerspiegelen en te respecteren. Daar komt bij dat noties als ‘het volk’ of ‘de mensen’ bij Ghannouchi verwijzen naar de umma, de geloofsgemeenschap van moslims, en niet naar een willekeurige groep mensen die een polis wil stichten. In hoeverre, vraagt March zich af, zijn Tunesische medeburgers die seculier zijn en de sharia niet als uitgangspunt nemen onderdeel van de democratie die Ghannouchi voor ogen staat? Dit is waar Shadi Hamid op doelt wanneer hij het over onverzoenbare wereldvisies heeft. ‘Liberalism cannot hold within islamism’, schrijft hij. Maar andersom geldt dat ook. En dat kan ook niet anders, want politieke islam was nu juist nadrukkelijk bedoeld om anders te zijn.

De ideologie waarop Ennahda zich beroept biedt een reëel alternatief voor het westerse model van democratie en dat is ook de reden waarom de partij zoveel wantrouwen oproept. Net als andere partijen toont ze zich bereid het spel van de (liberale) democratie mee te spelen. Maar wat nu als dat spel uiteindelijk vooral middel is en geen doel? Of wanneer ze halverwege plotseling de regels in haar voordeel verandert? Dit is waarom Tunesiërs die de islam (ook hún islam!) buiten de politiek willen houden iedere beweging van Ennahda met argusogen volgen. En dat is ook waarom de straten volstroomden op de momenten dat geprobeerd werd religieuze referenties in de grondwet op te nemen. Beoordeel ons op wat we doen, zeggen ze bij Ennahda. Maar liberale Tunesiërs beoordelen haar juist op wat zij is en zijn bang voor wat de partij zou kunnen doen. ‘Het is een constante strijd geweest’, zegt Houda Sherif, zakenvrouw en destijds een van de drijvende krachten achter de kleine liberale partij Afek Tounes. ‘Ennahda liet aldoor proefballonnen op en bond in wanneer ze merkte dat een voorstel te veel weerstand opriep. Uiteindelijk is de société civile te sterk gebleken.’

Ik spreek Sherif in de marge van de lancering van ConnectinGroup Tunisie, een door haar opgericht vrouwennetwerk dat het glazen plafond voor vrouwen in de Tunesische politiek wil doorbreken. De lancering vindt plaats in een gerestaureerd stadspaleis in het hart van de medina. Geen van de veertig aanwezige vrouwen draagt een hoofddoek. ‘Voor het wantrouwen was alle reden’, zegt Sherif. ‘Dat neemt niet weg dat in 2011 wél 35 procent van de kiezers op Ennahda heeft gestemd. Tunesië is veel conservatiever dan we hier in de hoofdstad denken.’

In de kringen waarin Sherif zich beweegt bestaat de neiging om Ennahda’s bestaansrecht te ontkennen. ‘Onder Ben Ali konden we gewoon doen alsof al die conservatieve kiezers niet bestonden’, erkent Sherif. ‘Heel arrogant natuurlijk. En ook onverstandig, want het is een werkelijkheid waar we niet omheen kunnen. We kunnen niet de neus van ons gezicht wrijven, Ennahda is er en gaat niet zomaar weer weg.’

Iemand die de onvrede jegens Ennahda de afgelopen paar jaar handig wist te mobiliseren was Beji Caïd Essebsi. De bijna 88-jarige ‘bce’ incarneert als geen ander het seculiere en (autoritaire) Tunesië. In de jaren vijftig van de vorige eeuw was hij compagnon de route van Bourguiba in diens gang naar het presidentschap en vervulde onder diens bewind talrijke belangrijke ministerschappen (Binnenlandse Zaken, Buitenlandse Zaken, Defensie). Als interim-premier speelde hij een cruciale rol tijdens het tumultueuze eerste jaar na de revolutie van 2011. Hij oogstte lof voor de trefzekere wijze waarop hij het land richting de verkiezingen loodste en ten slotte de macht overdroeg aan de winnaar: Ennahda. Maar met zijn status van elder Statesman nam hij geen genoegen. Tijdens de zomer van 2012 stelde Caïd Essebsi zich aan het hoofd van een nieuwe politieke partij, Nidaa Tounès. Zijn belangrijkste motivatie: Ennahda.

Als het aantal lijfwachten aan het begin van de oprijlaan een barometer is van het politieke klimaat in Tunesië is er storm op til. Nadat we een paar honderd meter stapvoets hebben gereden doemt er een bungalow op. Ook hier staan lijfwachten. Binnen schenkt Caïd Essebsi muntthee en serveert met pijnboompitten omhulde zoetigheden. ‘Terwijl de rest van het politieke speelveld was versplinterd nam één partij, Ennahda, een hegemoniale positie in’, zo licht hij de oprichting van Nidaa Tounès toe. ‘Daar moest iets tegenover staan.’

Aanhangers van de politieke islam hebben de tijd. ‘Wat is tachtig jaar in de geschiedenis van de mensheid!’

Caïd Essebsi oogt behendig en strijdbaar. In november doet hij mee met de presidentsverkiezingen. Hij is huizenhoog favoriet. Of zijn gevorderde leeftijd hem parten zal spelen? Caïd Essebsi lacht, buigt zich voorover en zegt dat hij het interim-premierschap na de revolutie parttime deed. ‘Ik werkte ’s ochtends, ’s middags rustte ik uit en ontving ik gasten. Een kwestie van effectief management.’ Behalve incompetentie neemt hij Ennahda kwalijk dat ze alle macht naar zich toe trachtte te trekken.

Caïd Essebsi’s partij is een samenraapsel van liberale en linkse (tot extreem-linkse) partijen zonder duidelijke ideologie. Nidaa Tounès wil bovenal ‘modern’ zijn en zet zich af tegen de ‘achterlijkheid’ van Ennahda. ‘De moderniteit van Bourguiba, maar dan zonder diens autoritarisme’, zoals Caïd Essebsi het omschrijft. Tegenstanders wijzen erop dat die ‘moderniteit’ zo heel modern nu ook weer niet is. ‘Wat wil je, het is een vrouw!’ riep Caïd Essebsi vorige week toen hem werd gevraagd te reageren op een beschuldiging van Meherzia Labidi, de vrouwelijke vice-parlementsvoorzitter (Ennahda). Wat die beschuldiging was, doet nu niet ter zake; wat Caïd Essebsi wilde uitdrukken was dat Labidi geen verstand van zaken had. Bij Ennahda schilderen ze de partij van Caïd Essebsi af als de voortzetting van de partij van Ben Ali. Feit is dat Nidaa Tounès onderdak biedt aan tal van prominenten van het ancien régime. De partij groeide in korte tijd uit tot de belangrijkste rivaal van Ennahda. In de campagne voor de parlementsverkiezingen van 26 oktober gaan de twee min of meer gelijk op. Twee machtsblokken tekenen zich af; de kleinere middenpartijen moeten nog maar zien of ze eraan te pas komen.

Medium tun3

Tijdens de hete zomer van 2013 wierp Caïd Essebsi zich op als leider van de oppositie die het ontslag van de regering en de ontbinding van het parlement eiste. Op straat was de spanning te snijden; het waren de weken dat de democratische transitie van Tunesië aan een zijden draad hing. In een poging de impasse te doorbreken, staken de vakbond ugtt, de werkgeversvereniging uttica, de Orde van Advocaten en de Tunesische Liga van de Mensenrechten begin september de koppen bij elkaar. Ze namen het voortouw in wat de ‘Nationale Dialoog’ zou gaan heten, een deftig woord voor een ultieme bemiddelingspoging tussen Ennahda en Nidaa Tounès. ‘We hadden de dure plicht er als Tunesiërs uit te komen’, zegt Houcine Abassi in zijn kantoor in hartje Tunis. De secretaris-generaal van de ugtt was zich bewust van zijn historische missie. ‘Overal elders in de regio waren de revoluties op catastrofes uitgelopen. Dat mochten we in Tunesië niet laten gebeuren, alle hoop was op ons gevestigd.’

Net als Caïd Essebsi wordt ook Abassi zwaar beveiligd. Steeds nieuwe antichambres en nerveus ogende mannen in zwartleren jasjes bieden uiteindelijk toegang tot een vertrek ter grootte van een balzaal. Aan het uiteinde prijkt een massief bureau; in het midden van het zitje bij de deur waar Abassi me naartoe gebaart staat een glazen tafel waarop hij met een onopvallend gebaar een wit mapje met het logo van de ugtt neerlegt. Het blijkt de routekaart die hij Ghannouchi en Caïd Essebsi voorlegde en die het land voor een val in de afgrond moest behoeden. Het document bevat paragrafen over onder meer de kieswet, de neutraliteit van moskeeën en voorwaarden voor de benoeming van de premier die een kabinet van technocraten zou gaan leiden. Toen hij eind 2013 aankondigde dat er een akkoord bereikt was, werd Abassi in de nationale media ‘de redder van Tunesië’ genoemd. ‘Het was niet eenvoudig’, zegt hij met gevoel voor understatement. ‘Ik zat met mensen om de tafel die elkaar aanvankelijk niet eens de hand wilden schudden.’ Hij paste een klassieke onderhandelaarstechniek toe: hij draaide de deur op slot en hield die net zo lang gesloten tot de twee antagonisten eruit waren.

Abassi prijst de consensusbereidheid van Ennahda en Nidaa Tounès, maar is ook behoedzaam. ‘Iedere keer wanneer het erop leek dat we op de goede weg waren, vond er een terroristische aanslag plaats die alles weer op scherp zette’, zegt hij. Het consensusmodel is volgens Abassi op de langere termijn wenselijk noch houdbaar. Daarvoor zijn er in Tunesië te uiteenlopende belangen te verdedigen. Niettemin hoopt hij dat de consensus nog zeker een paar jaar standhoudt. ‘Studie van succesvolle democratische transities wijst uit dat het van groot belang is dat er de eerste vijf jaar na de omwenteling geen sprake is van al te grote polarisatie.’ Bezorgd toont Abassi zich in dat verband vooral over de hoge werkloosheid en de aanhoudende terrorismedreiging. ‘Dat kan tot hernieuwde polarisatie leiden, met een oncontroleerbare dynamiek.’

Abassi’s bezorgdheid is niet overdreven. Je merkt het in provinciestadjes als El Kef, diep verscholen in het verwaarloosde achterland. Voor de mensen hier is er weinig veranderd sinds 2011. De jongerenwerkloosheid loopt tegen de zestig procent. Zorgwekkend veel jongeren toonden zich gevoelig voor de lokroep van de radicale islam. Naar schatting lopen er in Syrië (en Irak) zo’n drieduizend Tunesische jihadi’s rond, een kwart van het contingent buitenlanders. Zo’n zesduizend werden er door Tunesische autoriteiten belet te vertrekken. Gewapende groepen plegen regelmatig aanslagen. In de week dat ik in Le Kef was liep dertig kilometer verderop een groep soldaten in een hinderlaag. Vier van hen kwamen om. Een week later nog eens vijftien.

Vanaf het moment dat het technocratenkabinet van premier Mehdi Jomaa begin dit jaar aantrad, loste de politieke spanning als bij toverslag op. Verdwenen is de koortsachtige sfeer in de Tunesische media; op de Avenue Bourguiba, waar zich anders woedende menigten manifesteren, bleef het rustig, alsof iemand een gevechtspauze had ingelast.

Ondertussen put het partijkader van Ennahda zich uit in mea culpa’s. Ja, de grondwet hééft te lang op zich laten wachten; ja, door ons gebrek aan ervaring hébben we blunders begaan; ja, we hébben te lang gedacht dat we de radicale moslims via de dialoog konden beteugelen. ‘We hebben fouten gemaakt, maar niet alles is onze schuld’, zegt Ajmi Lourimi op de vierde etage van het hoofdkwartier van Ennahda in de zakenwijk Montplaisir. ‘Neem de economie, Tunesië was geen boom die kon worden gesnoeid. Wat we aantroffen was een stronk zonder takken.’

Lourimi is lid van het partijbestuur en een van de têtes pensantes van de partij. Hij nadert de vijftig, maar met zijn jeugdige oogopslag contrasteert hij met veel van zijn partijgenoten, grauw geworden door de lange jaren in de gevangenis. Hij studeerde filosofie aan de Sorbonne in Parijs en behoort met mensen als Zied Ladhari tot de pragmatici binnen Ennahda, diegenen voor wie de islam slechts een referentie is en waar niet noodzakelijkerwijs een hele staatsinrichting uit voortvloeit. ‘Als winnaar van de verkiezingen wilden we onze verantwoordelijkheid destijds niet uit de weg gaan’, zegt Lourimi. Hij benadrukt dat zijn partij het er uiteindelijk nooit op heeft laten aankomen en steeds compromissen heeft gesloten. ‘President Morsi van Egypte dacht dat hij met 52 procent van de stemmen zijn wil aan het land kon opleggen, maar zo werkt het niet.’

De Franse analist Thierry Brésillon prijst de politieke volwassenheid die Ennahda tijdens haar regeerperiode aan de dag legde. ‘Die steekt schril af bij de hysterische reacties die ik bij de oppositie heb gezien’, zegt hij in een restaurant in een zijstraat van de Avenue Bourguiba. Het leiderschap van Ennahda weerstond de conservatieve krachten die eisten dat er een referentie aan de sharia in de grondwet zou worden opgenomen. Maar dat wil volgens Brésillon niet zeggen dat Ennahda afstand heeft gedaan van de ambitie om de Tunesische samenleving te islamiseren. ‘Waar Bourguiba ooit van bovenaf moderniseerde, daar hoopt Ennahda van onderop te islamiseren, het is een wisseling van perspectief.’

In Temptations of Power komt Shadi Hamid tot een vergelijkbare conclusie. ‘Na enkele voorzichtige pogingen heeft het partijkader van Ennahda ingezien dat de Tunesische samenleving niet klaar is voor hun project.’ Nóg niet, benadrukt Hamid, en voor de aanhangers van de politieke islam is dat niet erg, want ze hebben de tijd. ‘Wat is tachtig jaar in de geschiedenis van de mensheid!’ citeert hij een van de leiders van de Moslimbroederschap. Tegelijk leert de betrekkelijk korte geschiedenis van de politieke islam ook dat islamisten zich steeds bereid toonden zich aan te passen in ruil voor een plek onder de zon. Maar hoeveel ideologische veren kunnen ze laten zonder op te houden islamist te zijn? Moderner dan Ghannouchi krijg je het ideologisch niet. Dat maakt alle gepraat in Tunesië over ‘consensus’ enigszins bedrieglijk. Vooralsnog is er sprake van co-existentie van wereldvisies, niet van de verzoening ervan.


Beeld: Alle foto’s zijn gemaakt in Sidi Bouzid, de Tunesische stad waar straathandelaar Mohamed Bouazizi zichzelf in brand stak tegen de inbeslagneming van zijn waren. Hij ontketende hiermee de Arabische lente (Davide Montelleone / VII / HH).