Essay Een nieuwe pacificatie

Polderen tegen populisme

Sinds de verkiezingswinst van PvdA en VVD afgelopen september lijkt de dreiging van het populisme geweken. Maar het volksverzet was geen oprisping: het legde de tweedeling bloot tussen een zelfvoldane bovenlaag en een verbolgen onderlaag. We moeten opnieuw gaan polderen.

Medium 2 groene

Het populisme tiert welig in Europa. Overal komen nationalistische bewegingen in het geweer tegen de economische crisis. Van de Griekse Gouden Dageraad tot Marine Le Pen in Frankrijk, van de Ware Finnen tot de United Kingdom Independence Party: het protest tegen Europa groeit. Gematigde politici van de conventionele partijen pijnigen hun hersens om hun verontruste burgers te overtuigen van de juistheid van hun middenkoers.

Behalve, zo lijkt het, in Nederland. Er zit een keurig tweepartijenkabinet aan het roer dat van bozig nationalisme weinig moet hebben. Pim Fortuyn is een vage herinnering en dat Rita Verdonk op een haar na het leiderschap van de vvd bemachtigde, lijkt een boze droom. Zelfs van Geert Wilders wordt na de laatste verkiezingen weinig vernomen.

Is Nederland het volksverzet voorbij? Zijn rust en regelmaat hier inderdaad teruggekeerd, terwijl het elders in Europa woelt van protest? Na tien jaar heftig debat is de publieke discussie over het populisme inderdaad nagenoeg stilgevallen. Been there, done that. Maar wie scherper kijkt, ziet een ander beeld. Het populisme heeft wel degelijk bressen geslagen in de maatschappelijke en bestuurlijke verhoudingen. Tegelijkertijd is de stroming in feite geaccepteerd en van de scherpste kantjes ontdaan. Het is gepacificeerd – bijgeschaafd en ingekapseld. Nu populisten geen acute bedreiging meer vormen, trekken ze minder aandacht. Daardoor lijkt het alsof Nederland de worsteling te boven is.

Medium 2 groene

Die schijn is onterecht. Het populisme is geen oprisping gebleken, geen hobbyisme van een groep met specifieke belangen. Het verzet heeft nieuwe scheidslijnen blootgelegd. Bestuurlijk Nederland likt zijn wonden, nu Fortuyn en Wilders de overlegcultuur van een wereldje van ons-kent-ons overhoop hebben gewoeld. Het aloude systeem waarmee Nederland zijn tegenstellingen overbrugde heeft gefaald, zo veel is duidelijk geworden. De huidige rust in politiek Den Haag kan niet verhullen dat de oplossing voor dit probleem nog lang niet in zicht is.

Misschien is het eerder een kwestie van timing dat Nederland in Europees verband uit de toon valt. Nederland lijkt in een volgende fase aanbeland; het is tijd om consequenties te trekken uit de golf die het land overspoelde. Hoe gaat het verder, nu de oude bestuurlijke ordening niet meer volstaat? Wat is er nog over van het poldermodel waarmee men vroeger zoveel problemen oploste? Want we waren misschien voorloper in Europa toen Pim Fortuyn elf jaar geleden zijn beweging startte, maar zijn populisme – en dat van zijn opvolgers – was tegelijkertijd zo Nederlands als maar kan.

Er is in de afgelopen jaren veel beweerd over de aantrekkingskracht van Pim Fortuyn en over de slimme tactiek van Geert Wilders. Maar waarom kon in een welvarend en egalitair land als Nederland het populisme eigenlijk zo aanslaan? Op deze vraag bestaan vele antwoorden. Het eerste luidt misschien wel: simpelweg omdat het kon. De kiesdrempel is laag in Nederland, een politieke partij is snel opgericht. Er zijn veel zwevende kiezers, dan is een nieuwkomer snel in het voordeel. Bewegingen komen en gaan aan het Binnenhof. In de jaren negentig telde Nederland drie bejaardenpartijen die vijf jaar later allemaal weer waren opgeheven. Vergelijk dat met landen die een stevige kiesdrempel of zelfs het districtenstelsel hanteren – hun politieke landschap is veel minder beweeglijk.

Het toegankelijke politieke systeem is een erfenis van de Nederlandse poldertraditie. Lange tijd gold: mensen mogen geloven wat ze willen, zolang dit de praktische samenwerking maar niet in de weg staat. Het beheer over de polder was in handen van coalities: partijen die op zichzelf weinig bij elkaar te zoeken hadden behalve deze gezamenlijke beslommering. Hier zijn altijd vele partijen vertegenwoordigd geweest, soms met een handvol zetels, ook als tegelijkertijd grote fracties de toon zetten. De Nederlandse kiezer is aldus geneigd ook partijen serieus te nemen waar hij zelf nooit op zou stemmen, zoals de populisten.

Er zijn veel mensen die tegenwoordig de schouders ophalen over de poldertraditie, maar dat getuigt van weinig historisch besef. De polder staat voor gelijkheid – voor vlak, egaal land, zo ver het oog reikt. Van verre afstand kun je waarnemen wat je buren doen, er zijn geen heuvels, laat staan bergen om kwesties aan het zicht te onttrekken. Dat heeft zijn weerslag op de landsaard. Gelijkheid is een belangrijk begrip in de Nederlandse cultuur – het land is ervan doortrokken. Dat weten ze zelfs in het buitenland; going Dutch betekent dat bij een uitje de rekening eerlijk wordt gedeeld.

Het is hier tevergeefs zoeken naar dure paleizen met spiegelzalen; ze zijn gewoonweg niet gebouwd. Terwijl in omringende landen koningen en keizers heersten, was Nederland een republiek waar burgers verregaande rechten en vrijheden genoten. Nu zijn we een monarchie, maar het koningshuis moet zich wel gedragen wil het op steun kunnen rekenen. Dus: geen villa in Mozambique, wél dagelijks fietsen naar school. Het adagium luidt: houd de verschillen beperkt.

De druk van de gelijkheid vertaalt zich in de Nederlandse manier van doen. Als het even kan, zoeken wij de consensus. Die neiging stamt al evenzeer uit de polder. De strijd tegen de zee en de winning van polderland waren het resultaat van intensieve samenwerking tussen boeren, burgers en edelen. Het was essentieel dat iedereen akkoord was en daadwerkelijk meedeed. Het kon veel tijd kosten om alle belanghebbenden op één lijn te krijgen. Maar als een akkoord werd bereikt, was iedereen ook gehouden aan uitvoering van de afspraak. Consensus was aldus een wonder van pragmatiek: met een minimum aan autoriteit kreeg men flink wat voor elkaar.

Daar is de klad in gekomen, en ook dat heeft bijgedragen aan de opkomst van het populisme. Tegenwoordig staat polderen nog wel voor lang praten, maar niet meer voor samen de schouders eronder, laat staan voor aansprekend resultaat. Dat is natuurlijk nogal dramatisch voor een land waarin het overleg en de consensus zozeer deel uitmaken van de nationale identiteit. Wisten de vakbonden in de jaren zeventig en tachtig nog aanpassing af te dwingen door middel van stakingen en bezettingen, in de jaren daarna is het poldermodel steeds meer een vergadercircus geworden. Polderen nam de vorm aan van onderonsjes tussen belangenbehartigers, die weliswaar het beste voor hadden met de mensen die ze zeiden te vertegenwoordigen, maar die gaandeweg meer gemeen hadden met hun tegenvoeters aan de vergadertafel dan met de mensen voor wie ze het in alle oprechtheid dachten te doen. De achterban herkende zich niet meer en werd vatbaar voor amok.

En terwijl het protest groeide, deed de Nederlandse bovenlaag wat ze volgens historicus James Kennedy in de jaren zestig ook had gedaan: meebuigen en accommoderen. De Nederlandse bestuurlijke elites zijn niet geneigd hun standpunten en belangen ten principale te verdedigen, althans, niet zo fel als in ons omringende landen. Ze kiezen eerder voor repressieve tolerantie, het oogluikend toestaan van de nieuwe stroming, in de hoop dat die zichzelf civiliseert, waarna het protest hopelijk afsterft. In Nederland geen cordon sanitaire, integendeel. Men ontwijkt waar mogelijk het conflict en probeert ruimte te scheppen voor aanpassing. Daarmee rem je het populisme natuurlijk niet direct af.

Onder leiding van Geert Wilders ontwikkelde de beweging zich verder. Het werd steeds duidelijker dat het Nederlandse populisme zich niet enkel – misschien niet eens voornamelijk – richt tegen de multiculturele samenleving. Populisten grijpen alles aan waar gewone burgers zich boos over kunnen maken: bankiers en hun bonussen, de EU, de Griekse staatsschuld, jonge Marokkaanse criminelen. Zoals James Kennedy zei: ‘Uiteindelijk zijn populisten veel bozer op de elites dan op de immigranten.’ Deze boodschap is gaandeweg tot de bovenlaag doorgedrongen.

Nu heeft Nederland van oudsher een moeizame relatie met haar elites. Liefst deed men alsof die niet bestonden, want iedereen in Nederland was toch gelijk? Zowel de lagere als de hogere klassen waren lange tijd gewend zich hiernaar te gedragen. De Nederlandse elite – die natuurlijk wel degelijk bestond – was een burgerlijke elite: ze stamde uit gegoede, calvinistische families, voor wie bescheidenheid een voorname deugd was en opzichtige rijkdom een gruwel. Men zette zich vanuit plichtsbesef in voor de publieke zaak.

Het kenmerkende Nederlandse zuilenstelsel hielp daarbij. Binnen een zuil verkeerden alle geloofsgenoten met elkaar, de zuil verschafte een identiteit. Men ging naar dezelfde scholen, lag in dezelfde ziekenhuizen, winkelde bij dezelfde bakker. De elite bestuurde de kerk en het weeshuis. Wekelijks trof men elkaar in de kerkbanken, ieder in zijn eigen rij, maar toch. Men kende elkaar, men groette elkaar, er was een gezamenlijke band.

Het zuilensysteem is nu op sterven na dood. Er is geleidelijk een alternatief voor in de plaats gekomen: horizontale verbanden, in plaats van verticale. Economisch en maatschappelijk gelijkgestemden wonen in dezelfde buurt en komen elkaar overal tegen. Ze vormen veelal zelfverkozen groepen. Dat geldt in het bijzonder voor degenen die hun eigen leven met gemak in eigen hand hebben weten te nemen: de nieuwe Nederlandse bovenlaag.

De nieuwe – en nog steeds uitdijende – bovenlaag is geen elite van goede families; ze zijn er grotendeels op eigen kracht gekomen. Hun opmars is het resultaat van een idee dat al in de jaren vijftig postvatte en dat in Nederland ruim aansloeg: de meritocratie. Dit komt erop neer dat de slimste, hardst werkende en meest getalenteerde mensen de beste posities in de samenleving zouden moeten bezetten. Toen de Britse socioloog Michael Young deze term bedacht, schetste hij ook meteen de schaduwkanten. Want het idee oogt egalitair: niet je geboorterecht, maar je inzet en talent dienen te bepalen op welke positie je terechtkomt. Maar onderscheid naar verdienste zal uiteindelijk leiden tot een bovenlaag van zichzelf feliciterende mensen die zullen proberen hun machtsbasis zo lang mogelijk veilig te stellen.

De voorbeelden dringen zich op. Zie de recente discussie over hoogopgeleiden die meer zorgpremie betalen dan ze zelf verbruiken en die niet willen betalen voor laagopgeleiden die er zogenaamd op los zouden drinken en eten. Young had gelijk: de nadruk op intelligentie tast de waardigheid en het zelfrespect aan van iedereen die iets minder slim, snel of ijverig is. De opkomst van de meritocratie heeft het sociale landschap in Nederland wezenlijk veranderd, met name in de (grote) stad. Van het ene milieu vol Ons Soort Mensen – soortgenoten op basis van godsdienstovertuiging – zijn Nederlanders in een ander milieu van Ons Soort Mensen gerold: soortgenoten naar opleiding en inkomen. Dat geldt vooral voor het groeiend leger van hoogopgeleiden.

In de booming jaren negentig zijn de zaadjes van het populisme geplant. Demografisch onderzoek laat zien dat gedurende deze jaren de hoogopgeleiden zich zijn gaan ontwikkelen tot een eigen klasse, mede dankzij de succesvolle vrouwenemancipatie. Hoogopgeleide stellen met dubbele inkomens trokken naar bepaalde wijken. Ze bleven hoe dan ook vaker in de stad wonen. Hun kinderen gingen naar dezelfde scholen en naar dezelfde buitenschoolse opvang. Daarnaast troffen ze elkaar op dezelfde hockeyclubs. Stamden hun ouders misschien nog uit de nadagen van de verzuiling, en hadden ze in een gemêleerde klas gezeten, deze kinderen wisten niet beter of je verkeerde de hele dag onder soortgenoten.

Dit werkte ook door in de economie. Professionele bestuurders verhoogden in één klap hun salarisniveau, eerst in het bedrijfsleven, al snel gevolgd door de toplaag in de semi-publieke dienst. Ze werkten er toch hard voor? Ze deden het toch goed? Ze waren toch op eigen kracht omhoog gekomen? De logica van de meritocratie was onverbiddelijk: dit waren succesvolle mensen die oprecht van mening waren dat ze hun succes aan zichzelf te danken hadden en dus een goede beloning verdienden. De wetten van de meritocratie, door Michael Young zo scherp verbeeld, manifesteerden zich onontkoombaar. Een groeiende bovenlaag van beter opgeleiden schermde zich geleidelijk af.

Medium 2 groene

Terwijl de hoger opgeleiden steeds vaker elkaars gezelschap opzochten, raakte de onderlaag juist steeds diverser van samenstelling. De Rotterdamse socioloog Godfried Engbersen beschreef al in 2001 hoe cultureel homogene stadswijken, waar voorheen arbeiders of _middle class-_gezinnen woonden, veranderden in multiculturele wijken vol drop-outs, kleine en grote criminaliteit en een groeiende werkloosheid. Hij schreef: ‘Het sociale weefsel van deze wijken is aangetast en de oude gedragsregels voor de omgang tussen de bewoners hebben geen algemene geldigheid meer.’

Elf jaar later beschreef NRC Handelsblad in een mooie reportagereeks uit Eindhoven hoe dit verschil zich in de praktijk manifesteert. Een gevalletje van burengerucht wordt door de bewoners van de keurige middenklassewijk soepeltjes opgelost. De klager doet een briefje in de bus bij de aanstootgever, die vervolgens met een bos bloemen omstandig zijn verontschuldigingen komt maken, waarna iedereen weet: dit probleem is uit de wereld. Maar in de aangrenzende volksbuurt weet de klager niet eens hoe hij de aandacht van de bovenbuurman kan trekken, want er is geen bel op de deur, de gordijnen blijven gesloten en het is niet eens zeker of die schichtige passant inderdaad de buurman is.

De conclusie schrijft zichzelf. De overgang van een verticale naar een horizontale verzuiling heeft voor de lager opgeleiden veel slechter uitgepakt dan voor de hoger opgeleiden. Voor dit punt hebben de populisten terecht aandacht gevraagd. Dat was geen kwestie van vreemdelingenhaat, maar een protest tegen een ongelijke verdeling van lusten en lasten in een samenleving die onderwijl net deed alsof haar neus bloedde.

De nieuwe scheidslijn tussen hoger en lager opgeleiden in de Nederlandse samenleving is de laatste jaren vrij manifest geworden. Studies tonen aan dat kinderen van goed opgeleide ouders het ook weer beter doen op school, zodat ze vaker doorstromen naar de universiteit, waar ze hun soortgenoten weer tegen het lijf lopen. In het o zo egalitaire Nederland is een sociale structuur gegroeid die verdraaid veel weg heeft van een klassensysteem – hoe slecht dit zich ook verstaat met een ideologie van gelijkheid en meritocratische gelijke kansen.

De onderlaag in Nederland heeft zich in de afgelopen jaren steeds meer aan zijn eigen lot overgelaten gevoeld. Dat voedt de verontwaardiging die onmiskenbaar deel uitmaakt van het populisme. Er is een bovenlaag die goed voor zichzelf zorgt, en die niet eens weet heeft van de problemen waar lager opgeleiden mee kampen. In die vermijding zit een belangrijke sleutel voor de onmin van laag jegens hoog.

Nu lijkt het erop dat de kloof zich stabiliseert. Volgens bestuurskundige Mark Bovens groeien de verschillen tussen hoger en lager opgeleiden al enkele jaren niet meer. Dat zou een van de verklaringen kunnen vormen voor het feit dat het populisme als politieke beweging over zijn groeispurt heen lijkt. Het heeft een jaar of tien geduurd, maar nu is er allerwegen erkenning voor problemen die vroeger niet benoemd mochten worden. Er wordt zelfs iets aan gedaan.

Tegelijkertijd heeft het Nederlandse politieke systeem zijn gebruikelijke werk gedaan: toelaten, meebuigen en daarna inkapselen. Zowel de pvv als de sp kan daarvan meepraten. In de afgelopen jaren groeide de sp uit tot een klassiek links alternatief voor kiezers die vonden dat de sociaal-democratische pvda te veel was meegebogen met de meritocratische trend. De sp stond pal voor de werknemers die de zure vruchten plukten van de verzelfstandiging en marktwerking in het publieke domein, zoals thuishulpen en schoonmakers. Want terwijl het management uitdijde en meer geld ging verdienen, kreeg de werkvloer te maken met nul-urencontracten, met tijdelijke aanstellingen, met toegenomen onzekerheid. De sp stelde het aan de kaak en eiste tegenmaatregelen. Het maakte haar in dit opzicht tot de erflater van Pim Fortuyn.

Haar kritische opstelling leverde de sp wel veel sympathie op, maar uiteindelijk verdampte alle virtuele winst en eindigde de partij op de verkiezingsdag met evenveel zetels als twee jaar daarvoor; geen verlies, maar ook geen winst. Die uitslag werd alom opgevat als het einde van de opmars van het populisme. Want ook de aanhang voor de pvv zakte zichtbaar in, van 24 naar 15 zetels. Geert Wilders werd gestraft voor het feit dat hij het kabinet waaraan hij sinds 2010 zijn steun had gegeven ten val had gebracht. Net als de sp was ook hij verstrikt geraakt tussen het dragen van medeverantwoordelijkheid en het luidkeels protesteren aan de zijlijn. De pvv koos voor het laatste, zoals de sp gedurende de verkiezingscampagne voor het eerste koos. Maar beide betaalden een prijs: elk een aanhang van circa tien procent van het electoraat, maar geen macht.

Met onmiskenbare winst voor zowel de pvda als de vvd luidt nu het verhaal in Nederland dat ‘het midden’ terug is in de politiek. Het populisme lijkt voorlopig van zijn dreiging ontdaan. Het is gepacificeerd. Zo ging het in Nederland in de jaren vijftig met de protestanten en de katholieken, zo lijkt het nu ook met de populisten en mainstream Nederland te gaan. Aan een aantal belangrijke grieven van de populisten is de laatste jaren tegemoet gekomen. De immigratie is ingeperkt en bemoeilijkt – zozeer dat arbeidslustige Polen tegenwoordig de voorkeur geven aan andere landen om hun geld te verdienen. Excessen in de semi-publieke sector zijn gaandeweg aangepakt; langzaam maar zeker worden alle bestuurders van woningcorporaties, ziekenhuizen en publieke omroepen teruggedrongen naar een salaris van maximaal tweehonderdduizend euro, de Balkenende-norm. In het Brusselse Europa is Nederland niet meer het braafste jongetje van de klas, integendeel, men komt de Zuid-Europeanen met moeite tegemoet.

De lager opgeleiden hebben hun vuist laten zien, de politiek heeft geluisterd, het proces van opvoeding en civilisatie nadert zijn einde. Geert Wilders is onderdeel van het tableau geworden. De sp streeft een begrotingstekort na van drie procent. Het land kan weer rustig ademhalen, de scherpe kantjes zijn er afgevijld.

Of is het slechts schijn? Nu de populistische stroming lijkt ingedamd in politiek Den Haag resteren twee belangrijke vragen waarop het antwoord nog allerminst duidelijk is. De ene gaat over de representativiteit van de politiek. Biedt de parlementaire democratie nog wel een afspiegeling van de bevolking? In september 2012 kwam ruim 26 procent van de kiesgerechtigden niet opdagen, bijna evenveel als het aantal mensen dat op de grootste winnaar, de vvd, stemde. Als de niet-stemmers wél waren gekomen, hadden vooral de partijen op de flanken daarvan geprofiteerd. Politiek wetenschapper Kees Aarts zei: ‘Voor steeds meer mensen is de politiek één pot nat en één grote puinhoop.’ Ze komen gewoon niet meer opdagen. Wat betekent het voor Nederland als deze groeiende groep van ontevredenen consequent ‘ondergronds’ gaat? Blijft er nog een sociaal vangnet bestaan als zij geen politieke vertegenwoordiging meer hebben? Of komt de solidariteit alleen maar verder onder druk te staan?

Die vraag hangt samen met het tweede resterende probleem: hoe zorgen we dat Nederland zijn poldertraditie behoudt? De opkomst van Pim Fortuyn, de sp en de pvv maakte pijnlijk duidelijk dat het aloude poldermodel de belangen van de laagopgeleiden niet goed (meer) behartigde. Terwijl het ‘volk’ onder hen wegliep, probeerden beroepsbestuurders er de beste regelingen uit te slepen, maar wel binnen de gegeven bestuurlijke logica. Fortuyn en vooral Wilders brachten daartegenin dat in achterkamertjes schimmige compromissen werden gesloten die de belangen van het volk schaadden. Die retoriek was zo overtuigend dat blijkens scp-onderzoek de helft van de Nederlandse bevolking anno 2012 het sluiten van compromissen sowieso afwijst.

De vakbeweging heeft deze sluipmoord uiteindelijk amper overleefd. De fnv heeft zich in 2012 de facto opgeheven en zoekt nu naar een nieuwe verschijningsvorm. Ze is verscheurd geraakt tussen radicalen en gematigden, tussen bestuurders die met werkgevers en kabinet een deal wilden sluiten en bestuurders die via harde actie concessies wilden afdwingen. Het gevecht om de macht in de fnv putte beide kampen uit.

De strijd kon mede ontstaan doordat de hoger opgeleiden op grote schaal de vakbeweging verlieten – als ze er al ooit lid van waren. De organisatiegraad van de vakbeweging bedraagt nog maar twintig procent. Een nieuwe generatie zelfverzekerde, ambitieuze dertigers en veertigers voelt zich niet thuis tussen wat zij als de losers van de vakbeweging beschouwen – en regelt haar eigen zaakjes zelf wel, zonder tussenkomst van de vakbond.

De teloorgang van de fnv is exemplarisch voor het oude bestuurlijke systeem dat Nederland zo lang vorm gaf. Door te polderen met belangengroepen van allerlei aard was het Nederlandse bestuur gewend te zorgen voor draagvlak. Of het nu ging om natuurbeleid, om de inrichting van de ruimte, om het sociaal-economisch beleid; door alle betrokkenen aan tafel te halen en net zo lang te praten tot er een akkoord lag, werd consensus gecreëerd. En dat alles volgens de oude traditie: wie meepraat, is uiteindelijk gebonden. Dit vormde een onderdeel van de Nederlandse democratie. Nu dreigt die te verschralen tot soundbites vanaf het Binnenhof.

Maar welke belangenorganisaties kunnen nog op een vaste achterban bogen, laat staan namens hen spreken? Slimme, betrokken, hoger opgeleide burgers slaan tegenwoordig de handen ineen om zélf een energiecorporatie te stichten die milieuvriendelijker is dan de energie die de grote maatschappijen leveren. Nieuwe los-vaste verbanden van zzp’ers, freelancers zonder personeel, delen samen hun risico op ziekte, daar komt geen vakbond of verzekeringsmaatschappij meer aan te pas. Een groeiende groep Nederlandse burgers neemt meer dan ooit het leven in eigen hand. Ze vormt het spiegelbeeld van een onderlaag die zich eveneens afkeert van politiek en bestuurlijk Nederland, maar dan uit teleurstelling in plaats van uit ongeduld.

Waar kunnen partijen nog afstemmen tussen de belangen van alle betrokkenen? Hoe kom je anders tot consensus, de waarde die Nederland zo kenmerkt? Nu de vakbeweging werkelijk op apegapen ligt, realiseren de werkgevers en de politiek zich pas dat deze crisis ook op hen terugslaat. Op het onbeholpene af proberen de werkgevers en nu ook minister Asscher de fnv alsnog een steun in de rug te bieden. Maar een reddingspoging kan nooit het hele antwoord zijn. Het poldermodel zal zich opnieuw moeten uitvinden.

Het politieke populisme mag dus voorlopig ingedamd lijken, de uitdaging is er niet minder om. Van oudsher was Nederland gericht op consensus, die maakte dat de verschillen nooit te groot werden om het idee van gelijkwaardigheid geweld aan te doen. Maar de oude vormen raken uitgewerkt en nieuwe zijn nog niet op grote schaal voorhanden. Er wordt weliswaar geëxperimenteerd met nieuwe vormen van burgeroverleg, zodat mensen nadrukkelijker zelf betrokken zijn bij afwegingen. Maar die staan nog in de kinderschoenen, en ze kunnen de oude overlegvormen nooit volledig vervangen. Bovendien zal dit de lager opgeleiden geen soelaas bieden, want uitwisselen op basis van argumenten is typisch een methode voor hoger opgeleiden.

Kortom, een nieuwe structuur, een goede vertegenwoordiging en nieuwe vormen om te polderen zijn onontbeerlijk om de Nederlandse traditie te behouden en toch te moderniseren. Pas als dat lukt, is het probleem van het populisme werkelijk opgelost.

Europees populisme

Dit is een ingekorte versie van het essay The Roots of Contemporary Populism in The Netherlands, dat op maandag 21 januari werd gepresenteerd in The House of Commons in Londen. Het essay maakt deel uit van het project Recapturing Europe’s Reluctant Radicals van de Britse denktank Counterpoint. Het onderzoekt en vergelijkt de achtergronden en drijfveren van de diverse aanhang van populistische partijen in tien Europese landen. Het project richt zich nadrukkelijk op onderscheidende culturele aspecten. Er is wetenschappelijk onderzoek verzameld en er zijn tien afzonderlijke essays geschreven die de nationale voedingsbodem voor het populisme beschrijven. Counterpoint wil hiermee praktische projecten organiseren om sympathisanten van populistische partijen overal in Europa in gesprek te brengen met de ‘formele’ politiek. Voor meer informatie zie counterpoint.uk.com, alwaar ook de volledige tekst van de essays over Nederland en Griekenland kunnen worden gedownload.