Pamfletten van geremancipeerde vaders

Polderlullo’s en bakfietspapa’s

Zelfhulpboekjes voor en door jonge vaders lijken een nieuwe trend. De auteurs worstelen met het grootbrengen van hun kroost, maar meer nog met het manbeeld in een veranderende maatschappij. ‘Ben ik een mietje?’

Medium wood chopperbabykl

Arme mannen. Moesten ze eerst naar het pijpen dansen van de geëmancipeerde vrouwen, nu lijkt het tij opnieuw gekeerd. Een tijdje terug zag ik beelden van een cursuszaaltje in Amerika, waar mannen neukbewegingen moesten maken met hun bekkens. Weg met de softie! Wees weer een echte man!

Die tendens is bekend. In platte media als GeenStijl of PowNed is machogebral weer norm. Het is de tijd van Echt Jannen, en van openlijk geilen op de milf (‘mother i’d like to fuck’). In meer intellectuele kringen wordt de foute man bediend door vuillappen als in de J. Kessels-reeks van P.F. Thomése. Fout is het nieuwe goed.

De huidige lichting jonge moeders is grootgebracht met de idoolbeelden van Sex and the City, mooie meiden die vol overgave aan de zwier gaan in de grote stad. Van Marlies Dekkers mogen ze er weer sexy uitzien, en ze krijgen er hun E.L. James-triootje bij.

Ruwweg is dit dus de situatie: mannen rukken zich af bij internet-milfs, en de vrouwen vingeren zich klaar bij de onderdanige-sletjes-fantasieën van Fifty Shades.

Hoe moeten we dit zien? Remancipatie? Niet helemaal. Want al die smeerlappen en patsers zijn wel steeds meer betrokken bij het grootbrengen van het kroost, terwijl hun milfjes carrière maken. Zelfs überhufter Rutger van Castricum, die binnenkort zijn tweede kind verwacht, heb ik op meerdere plaatsen als zorgzame papa geportretteerd gezien.

Zo’n mannencursus is natuurlijk al een symptoom van die dubbelheid. Een cúrsus, in een kríngetje… zo’n potentiebenemende therapeutensetting is toch bij uitstek een vrouwenvondstje. Ergens in de pendel­beweging tussen mannen- en vrouwenrollen zijn we in een wat ambivalente fase beland. De man van nu is een amalgaam van foute eikel en pamperaar. De verwarring daarover zie je erg sterk in een betrekkelijk nieuw genre binnen de zwangerschaps- en baby­lectuur: de boekjes die zich uitsluitend tot de mannelijke partij richten.

Acteur en zanger Bastiaan Ragas wilde bijvoorbeeld met Maar je krijgt er wel heel veel voor terug (2011) een ‘pamflet’ maken, schrijft hij in de inleiding, ‘voor al die mannen die niet van het type “metroman” zijn. Ik denk dat de metroman nog wel het verst ligt van hoe een man werkelijk in elkaar zit.’

Zo ingewikkeld is het allemaal niet. Al valt het hem verdraaid zwaar om vier kinderen te hebben en toch nog die ‘werkelijke man’ te vertolken. ‘Soms denk ik in een vermoeide, melancholieke bui dat het leven dat ik nu heb één grote concessie is. Een middenweg, het ultieme poldermodel-lullo-leven, verre van “groots en meeslepend leven”.’ Dan volgt een lange meditatie met wijsheden als ‘over honderd jaar is bijna iedereen die nu leeft hartstikke dood’, citeert hij een rouw­advertentiegedicht en voelt hij zich uiteindelijk ‘volmaakt gelukkig’ als hij de gezichtjes aan zijn ontbijttafel rondkijkt.

Maar je krijgt er wel heel veel voor terug: de titel lijkt een zinnetje dat uitsluitend ironisch bedoeld kan zijn, maar dat blijkt hier dus allerminst het geval. Ragas wil het allebei zijn – macho en zorgvader – zo’n hybride wezen waarvoor hij zelf een naam aandraagt: ‘Misschien is het gênant om het zo over jezelf uit te roepen, maar het zal allemaal wel. I hereby proclaim, I am a FILF.’

‘Ben ik een mietje?’ vraagt Lars Anderson zich af in Sterke vaders (2011). ‘Ik voel mij geen mietje. Ik zie mezelf als een ietwat macho man met een gezonde dosis competiviteit. Ik voetbal en heb de meest smerige overtredingen gemaakt op dartelende spitsen. Ik speel poker en hou ervan geld van mijn vrienden te winnen. Ik drink bier en als ik daar genoeg van heb ga ik over op sterk. (…) Ik ben zeg maar een “doorsnee man” die ervoor heeft gekozen de verantwoordelijkheid voor een klein mensje op zich te nemen.’

Drie maanden neemt hij de volledige zorg voor hun dochter op zich, omdat moeder Kate al haar energie nodig heeft voor een nieuw project op haar werk. Dan zijn de rollen ineens radicaal omgedraaid. ‘Meer en meer ging ik twijfelen aan deze verdeling. Ik had het bespottelijke gevoel dat ik in mijn eer werd aangetast. Als ik met vrienden wat wilde drinken, moest ik Kate om wat “zakgeld” vragen.’

Tsja, bespottelijk? Hier heeft de feministische nivellering misschien iets te hard toegeslagen. Zo sterk zelfs dat Anderson het in de inleiding heeft over ‘mijn zwangerschap’. Iewg! Dat is nog griezeliger dan stellen die ‘samen zwanger zijn’.

Al dan niet met opzet getuigen deze vaderverhalen van het veranderende manbeeld en de onduidelijkheid die jonge vaders kennelijk ervaren van hun rol. De zoekers naar opvoedkundige tips raken hier niet bevredigd. De Rousseau van nu is een bakfietspapa die zwoegt met z’n imago. Tekenend is dat misschien wel, voor een tijdperk van tweets en profielen, waarin iedereen in een permanente staat van self-exposure verkeert.

Het privé-leven is niet alleen publiek geworden (‘heerlijk sushi gegeten’), het is ook een voortdurende populariteitswedloop. Ook de weekendkiekjes met de kids krijgen het Facebook-duimpje (‘vind ik leuk’) onder zich.

De boekjesschrijvende zorgpapa’s bezien zichzelf voortdurend door de ogen van de buitenwacht. De rode draad in Andersons boek is dat zorg door vaders meer status moet krijgen. ‘Maar wie behalve Kate gaf mij de broodnodige credits? Wie maakt het wat uit of mijn dochtertje gelukkig was? Ik had ontdekt dat ik uitstekend voor mijn dochtertje kon zorgen. Is dat zelfontplooiing? Of telt dat niet omdat er maatschappelijk gezien geen prestige aan kleeft?’

Het betoog is niet helemaal onzinnig, maar bij mij komen wel meteen drie vragen op. 1. Krijgen zorgende moeders soms wél die erkenning en hoge status? 2. Hoe dacht hij zo’n maatschappijbrede opwaardering teweeg te brengen? En 3. Wat kan jou die buitenwereld schelen? Waarom zo krampachtig jagen naar schouderklopjes en prestige? Anderson staat daar niet alleen in. Ook Ragas klaagt over ‘hoe de positie van alpha male in één ruk werd ondermijnd door een larf van twee centimeter’.

Zelf zit ik er ook middenin – een zoon van drie, dochter van anderhalf – maar bij het gros van al die status- en identiteitsperikelen die Anderson en Ragas beschrijven heb ik nog niet eens stilgestaan. Waarschijnlijk verkeer ik te weinig in vaste mannengroepen (sport, kroeg, kantoor), maar ik denk dat het ouderschap ook gewoon te druk is, om je intussen ook nog eens op te kunnen winden over je imago als man. Behalve een luxe- is het ook een schijn­probleem. Zowel de macho- als de zorgpapa lijkt me een onzinnige karikatuur, een groteske constructie van bladen en beeldbuizen.

Dat ontdekt Anderson ook, al duurt het even. ‘Zorgen was modieus en hip geworden’, dacht hij aanvankelijk nog. ‘En het mooiste was: het plezier en levensgeluk van die papa’s spatte van de beelden af.’ Totdat de realiteit tot hem doordringt: ‘Wat een verraad. De zelfverzekerde man die in die bladen zijn tanden bloot lacht en beweert dat het zorgende vaderschap hem in de schoot geworpen wordt, is een marketingverzinsel.’ In dit soort observaties, waarbij de journalist in hem naar boven komt, rapporten en cijfers opdiepend en in een opiniërende beschouwing opneemt, is Anderson het sterkst. ‘De laatste twintig jaar is het aantal vaders dat één werkdag in de week heeft ingeruild voor een zorgdag gestegen van twee à vijf procent naar vijf à zeven procent. (…) Omgerekend volgens de meest gunstige rekenmethode zal over 1357 jaar elke vader aan de zorgdag zijn.’

Wat ook een grappige overeenkomst is tussen deze twee boekjes: allebei denken ze een taboe te doorbreken. ‘Dit is (…) het verhaal dat mannen elkaar vertellen. In de kroeg, per sms en door begrijpend te zwijgen of te knipogen.’ En ook Anderson gaat er prat op het roze-wolkjes-cliché omver te kegelen met de poepbruine realiteit.

O ja, is dat taboe? In speeltuinen hoor ik niets anders van jonge ouders. De eerste jaren zijn nu eenmaal slopend. Je actieradius vernauwt zich tot het bugaboo-bereik van bakker en buurtsuper. Chronisch onuitgeslapen doorploeg je het dagschema van poep en voedingen, naar je werk gaan voelt als vakantie, samen avondjes uit zijn verleden tijd, enzovoort, enzovoort. Dat alles is alom bekend en erkend, bij zowel vaders als moeders. Het helpt weinig om dat ook nog eens in boekjes te lezen. Hooguit hebben lezers en schrijvers een therapeutisch pact van herkenning en verwerking. De troost van de satire.

Want dat is uiteindelijk in het beste geval het genre van dit soort boekjes. En dat beste geval is Kluuns klassieker Help, ik heb mijn vrouw zwanger gemaakt (2004 en herzien in 2008.) Tegenover al dat geëmmer waar de panische angst uit klinkt om minder man te zijn, is Kluuns boekje een verademing. Het genre lijkt Kluun zelfs op het lijf geschreven, met z’n montere hyperbolen en z’n gevoel voor absurdisme. ‘Ik ga het niet mooier voorstellen dan het is: de komende maanden zijn een horrorfilm en u bent de hoofdpersoon. Uw tegenspelers zijn de twee vreemdste wezens die zich op deze en omliggende planeten bevinden. Zwangere vrouwen en baby’s.’

Kluun is geestig zonder meligheid, en geeft vooral praktische houvast in plaats van papa-anekdotes uit eigen kraamkamer. Dat varieert van mentale coaching (‘Gebruik de oosterse vechtsporttechnieken. (…) Indien u een klap krijgt, of-ie nu verbaal of fysiek is, kunt u maar het beste meeveren’) tot technische tips in kadertjes ‘impress your wife’ (‘Maak zwart-witfoto’s. Géén kleur. Uw kind lijkt de eerste uren op een trol, en nog een gevlekte ook. En uw vrouw ziet er vlak na de bevalling helemaal niet uit in kleur’).

Geinig en herkenbaar zijn ook passages als deze onder het kopje ‘kraambezoek’: ‘Iedereen wil uw baby zien. Jokt men. Niemand is echt blij met kraambezoek. Binnen vijf minuten is de lol eraf. Uw vrouw is total loss en kan niet zitten, staan of liggen zonder te verrekken van de pijn, u sjouwt zich een breuk aan koffie en beschuit met muisjes en geen weldenkend mens heeft er behoefte aan om een uur lang te kijken naar een schreeuwend mormel dat naar poep en spuug ruikt.’

Kluun bedrijft sociale satire. Die morrelt weliswaar wat aan de sociale conventies, kietelt de man-vrouwverhoudingen onder de kin, zonder echt kaakstoten uit te delen. We lachen om onszelf en om elkaar, en net als bij Youp bevestigt en verstevigt Kluun met al die pret juist onze bestaande verhoudingen.

Dat is de werkelijke functie die dit soort lectuur kan hebben: de relativerende lach. Niet meer en niet minder. Al moet ik toegeven dat de ‘verklarende woordenlijst’ achterin bij Kluun bijzonder leerzaam is, omdat er alleen díe termen in staan die mannen niet begrijpen, zoals aanleggen, afkolven, bandenpijn, rompertje of strippen (‘wederom iets anders dan u verwacht: het loswrikken van de vruchtvliezen van de baarmoeder, om de boel een beetje op gang te brengen).

Wat de echte praktijkinstructies betreft hebben sommige mannen waarschijnlijk nog het meest aan Babymanagement voor mannen (2006) van H.J. Hanssen. Het hele babygebeuren is hier vertaald in een users manual voor een stuk elektronica. Hoe zet je hem in de slaapstand? Hoe gaan onderhoud en reiniging in z’n werk? Hoe laad je hem op? Compleet met schema’s, alsof je een robot uit de winkel hebt gekocht.

Hoe aardig ook bedacht, het boekje reduceert de kinderzorg wel tot een project, dat management vereist, en waarbij je alleen maar op de juiste knoppen hoeft te drukken. Precies wat zulke mannen willen: alles op factsheets van 1 A4’tje. De praktijk is natuurlijk anders. Babyzorg is veel meer een reeks trial-and-error-experimenten dan een te volgen procedure. Je probeert nu eens dit, dan weer dat, en zodra je een schema gevonden denkt te hebben dat werkt, is alles al weer veranderd. Het is één grote les in nederigheid, aanpassing en improvisatie, en allerminst een stappenplan zoals dit boekje belooft.

Voor concrete tips heb je aan al die boekjes bar weinig. Ze vooraf lezen om goed beslagen ten ijs te komen na de geboorte heeft geen zin. Dat is zoiets als uit een boekje auto leren rijden of een taal spreken. Pas als je er in de werkelijkheid mee geconfronteerd wordt, begrijp je waar de instructies op slaan. Pas dan rijzen er vragen, maar heb je geen tijd de antwoorden eens rustig op te zoeken. Bovendien blijkt één bron net als in de journalistiek geen bron. Bij de echt nijpende problemen (ze laten doorslapen, ze leren eten, pijn bij doorkomende tandjes verlichten) beweren al die boekjes namelijk weer wat anders. Je moet dus een stuk of vier, vijf oplossingen aangereikt krijgen, en daarmee aan de slag gaan.

Je zoekt dus op het internet, waarbij je al snel op internetfora belandt. Ik kwam daar tijdens een hete zomer waarbij de kinderen niet wilden slapen nog wel een goede tip tegen. Leg de lakens vooraf even in de ijskast. Een tip van vrouwen natuurlijk, met hun online Vivababy- of Oei-ik-groei-klepkransjes, maar voor een werkend advies (en het werkte), ben ik bereid een flinke dosis cynisme op te offeren.

Toen ik dan dat lakentje tussen de ingevroren fruithapjes en de vissticks stond te proppen, voelde ik mij toen een poldermodel-lullo of een mietje dat wel wat meer status mocht krijgen voor z’n gezwoeg? Welnee, ik wilde gewoon dat dat kind ging slapen.

Wie naast het verzorgen en opvoeden nog tijd heeft om boekjes over de eigen mannelijkheid te schrijven, heeft niks te klagen.


Kluun, Help! Ik heb mijn vrouw zwanger gemaakt, 10,-
Lars Anderson, Sterke vaders, € 10,-
e-book, € 7,99
Bastiaan Ragas, Maar je krijgt er wel heel veel voor terug, € 10,-
e-book, € 9,99