Polemieken

Als er in Nederland gepolemiseerd wordt, dan gebeurt dat doorgaans op begripvolle toon. Men verplaatst zich al bij voorbaat in het standpunt van de opponent, houdt een keurig betoogje en dekt zich in door mogelijke tegenargumenten alvast van commentaar te voorzien. De strijd wordt uitgevochten met de ganzeveer, elegant en respectvol, want het eigenbelang staat voorop en waarom zou je vijanden maken als het niet strikt nodig is?

Niet zelden ontstaat een polemiek doordat de schrijver ervan graag in het nieuws wil komen. De opiniepagina van de Volkskrant staat vol met ingezonden stukken van academici en journalisten die menen iets van zich te moeten laten horen. Men pikt iets uit het nieuws, schrijft een kritisch getoonzet commentaartje en met een beetje geluk word je uitgenodigd voor een openbaar debat of een radiouitzending.
Er bestaat een nog steeds groeiend arsenaal aan opiniemakers die inmiddels over een zekere bekendheid beschikken. Het lijkt alsof men in elke carrière gebaat is bij publiciteit. Sommige academici zijn op die manier bekende Nederlanders geworden en worden uitgenodigd in spelletjesshows op televisie. Zo is de Amerika-deskundige Maarten van Rossum niet meer weg te denken uit de praatprogramma’s, waar hij zijn mening over van alles en nog wat mag geven. Zijn oorspronkelijke specialisme heeft zich dusdanig verbreed dat Van Rossums cynisme als een fluwelen deken over elk denkbaar onderwerp wordt gespreid.
De echte polemist is tegenwoordig zeldzaam en wordt wantrouwig bekeken. Hij is immers geneigd de flitsende bajonet te trekken en met volle inzet de strijd aan te gaan. De echte polemist meent wat hij zegt en is niet geïnteresseerd in zijn reputatie of plaats op de maatschappelijke ladder. Hij windt zich ergens over op, verzamelt zoveel mogelijk bewijsmateriaal om zijn standpunt kracht bij te zetten en verdedigt dat vervolgens zo oprecht mogelijk.
In Nederland neemt men aan dat zo iemand gedreven wordt door rancune. De polemist voelt zich op het persoonlijke vlak benadeeld en probeert op papier zijn gram te halen. Gemakshalve worden polemieken afgedaan als rabiaat gezwets dat je kunt beschouwen als een uit de hand gelopen driftbui. De aangevallene hoeft zich dan ook zelden te verdedigen. Men neemt onmiddellijk aan dat de polemist overdreven heeft en dus ongelijk heeft, terwijl de opponent al gauw doorgaat voor een redelijk persoon.
In zijn eigen literaire tijdschrift Feuilletons doet Jeroen Brouwers een scherpe aanval op zijn voormalige uitgever Ronald Dietz, die volgens de schrijver het fonds van de Arbeiderspers daadkrachtig om zeep heeft geholpen. Ernstig heeft Brouwers geprobeerd een hecht doortimmerde bewijslast op te bouwen, waarmee hij wil aantonen dat Dietz niet geïnteresseerd is in literatuur maar in geld en een toenemend aantal slechte boeken uitgeeft. Critici hebben debuten die werden uitgegeven onder Dietz afgekraakt en vele auteurs, onder wie Brouwers, verlieten de uitgeverij omdat zij zich onverschillig behandeld voelden door een uitgever die uitsluitend belangstelling kon opbrengen voor de verkoopresultaten van hun werk.
Gek genoeg lijkt de frontale aanval van Brouwers doodgezwegen te worden. Het is alsof men niet weet hoe te reageren. Alleen Willem Kuipers suggereerde in de Volkskrant dat de woede van Brouwers ingegeven wordt door het feit dat Dietz zijn Feuilletons niet wilde uitgeven, wat onzin is, want daarvoor is de kritiek te veelomvattend en te goed onderbouwd.
Heerst er een laffe stilte voor de storm? Wachten de critici tot duidelijk wordt wiens zijde ze in dit conflict moeten kiezen? Eén ding is duidelijk: Dietz wacht af. ‘Wie geschoren wordt’, beweerde hij diepzinnig in Trouw, 'moet stil blijven zitten’. Ook zei hij zich 'verraden’ te voelen door Brouwers, omdat deze hem vroeger zulke 'lieve briefjes’ had geschreven. Ach ja.