Poolse mijnwerkers vrezen de Europese Green Deal

Polen wil geen tweede Limburg worden

De Europese streken waar in de vorige eeuw mijnen sloten, lijden nog altijd aan verweesdheid, armoede en ressentiment. Nu onder druk van Brussel ook de Poolse mijnen sluiten, moeten de fouten uit het verleden vermeden worden.

De nog werkende Bielszowice-mijn in Ruda Slaska, Silezië

Met het schelle geluid van metaal op metaal zakt de kleine kooi naar beneden. Al na een paar meter is het zonlicht weg en flitsen alleen nog witte lampen voorbij. De afdaling lijkt eindeloos en is desoriënterend. Grote ventilatoren blazen de schaarse zuurstof rond, het voelt alsof je opnieuw moet leren wat boven en onder is. Na een halve kilometer afdalen wacht een oorverdovende mannenwereld.

Dag en nacht banen tienduizenden Poolse mijnwerkers zich een weg door het massieve graniet met driekoppige graafmachines die ze ‘draken’ noemen. Na een paar uur plakt het roet als mascara rond hun ogen en zijn de vingernagels met geen zeep meer schoon te krijgen. Hun werk is de ultieme overwinning van de geïndustrialiseerde mens op de natuur. Diep onder het aardoppervlak graven de mijnwerkers oeroud tot steenkool samengeperst zonlicht uit, hakken het los en takelen het naar buiten. Boven wordt de wereld door hun werk verlicht en verwarmd.

‘Ik wens je evenveel ritten naar boven als naar beneden’, mompelen de mannen elke keer tegen elkaar. Het is geen loos beleefdheidsritueel. Vandaag is de afdaling deel van een ongevaarlijke rondleiding, maar in de vele actieve mijnen van de provincie Silezië, in het zuiden van Polen, vallen nog elk jaar doden. Soms ontploft er een gasbel en moeten de arbeiders overleven met niets meer dan druppels grondwater en een pikhouweel om op te kluiven. Het is voer voor talloze heroïsche verhalen.

‘Mijn handen worden nog steeds gevoelloos als ik aan de mijnrampen uit mijn jeugd denk’, zegt Grazyna Dziedzic in haar kantoor in het stadhuis. Ze is burgemeester van Ruda Slaska, een uitgestrekt stadje op vijftien kilometer van de stad Katowice. Haar vader was toen hoofd van de ongelukkenpreventie in de mijnen. In de eerste uren na een ontploffing kon niemand haar vertellen of hij boven of onder de grond geweest was. Dziedzic vreesde dan urenlang voor zijn leven, tot ze hoorde dat hij hard aan het werk was om zijn vermiste kameraden op te graven. ‘Je moet begrijpen wat voor een indruk zulke momenten op onze gemeenschap maken’, zegt Dziedzic met gebroken stem en tranen in haar ogen. ‘Iedereen hier – werkelijk iedereen – heeft mijnwerkers in de familie. Het bepaalt wie we zijn.’

In de kasten en op de tafels rond haar bureau staan beeldjes van mijnwerkers en hun gereedschappen. Boven de deur hangt een schilderij van de Halemba-mijn naast een portret van Sint Barbara, de patroonheilige van de mijnwerkers. Die beeltenis duikt overal op in de streek. Elk jaar rond deze tijd, in de aanloop naar Sint Barbara’s naamdag op 4 december, worden de mannen onder de grond onrustig. ‘Volgens de lokale legende neemt barborka elk jaar het leven van een mijnwerker tot zich’, zegt de burgemeester.

Als de feestdag er eindelijk is ontspant de gemeenschap zich en vieren de levenden feest. Mannen en vrouwen kleden zich in traditionele outfits en dansen tot diep in de nacht. Voor de gelegenheid dalen de vrouwen ook eens af in de mijn om te zien hoe hun mannen daar leven op hompen brood met augurken. Daarna wordt er vlees gebraden en bier gedronken uit stenen pullen. Het sociaal weefsel, de tradities en de relaties worden rond de steenkoolmijnen gesmeed. Maar dat alles zou weleens kunnen verdwijnen, nu de steenkoolmijnen moeten sluiten als onderdeel van de Europese Green Deal. ‘Ik vrees dat er niets van zal overblijven’, zegt Dziedzic. ‘Geen barborkas meer. Geen orkest op straat, geen fantastische herinneringen.’ Ze zucht. ‘We zullen iets nieuws moeten vinden.’

De Makoszowy-kolenmijn in Zabrze, Silezië, Zuid-Polen

Silezië is de grootste nog actieve mijnstreek van Europa. Hoge betonnen flatgebouwen herinneren aan hoe snel er woonruimte gebouwd moest worden voor duizenden nieuwe werkers. In de rest van de bosrijke regio staan losstaande huizen van rode bakstenen en houten vakwerk die de industriële rijkdom uitademen. Tot de dag van vandaag werken er meer dan zeventigduizend mijnwerkers in Polen. Historisch kon het land zo in zijn eigen energie voorzien, het haalt nog altijd 74 procent van zijn energie uit bruin- en steenkool. Niet alleen de elektriciteit, maar ook de collectieve verwarmingscentrales in steden en de privékachels op het platteland werken nog grotendeels op kolen.

Ondertussen is iedereen in Polen – ook de conservatieve regeringspartij Recht en Rechtvaardigheid (PiS) – het erover eens dat er een einde aan moet komen. Het wordt onbetaalbaar. Elk jaar moet er 1,6 miljard euro aan subsidies worden betaald om de mijnbouw draaiende te houden, terwijl Poolse bedrijven inmiddels al meer betalen voor hun elektriciteit dan Duitse collega’s. Ook vanuit Europa neemt de druk toe. De Green Deal die de Europese Commissie met hoge snelheid uitrolt eist dat Polen, net als de rest van het continent, in 2050 klimaatneutraal wordt. Maar door de historische achterstand in het land is die snelle transitie duur en volgens sommigen haast onhaalbaar. Achtereenvolgende regeringen pakten het probleem niet aan en adviseurs van het Poolse ministerie van Klimaat schatten de kosten van de Green Deal voor Polen op ruim honderd miljard. Polen probeert nu vooral meer geld los te weken om de transitie niet te laten uitmonden in een sociale ramp in regio’s als Silezië.

‘Ik weet hoe enorm de schade kan zijn wanneer een regio met een economische monocultuur volledig moet veranderen’, zegt Frans Timmermans in een videogesprek vanuit Brussel. Als eerste vicevoorzitter van de Europese Commissie is hij verantwoordelijk voor de Green Deal, als Limburger komt hij zelf uit een streek waar mijnen sloten. In september sprak hij daarom, eveneens via een videoverbinding, de mensen in Silezië bemoedigend toe. ‘Een eerlijke transitie is ons doel’, beloofde Timmermans. ‘Ik wil u ervan verzekeren dat voor mij persoonlijk Silezië de maatstaf is voor de vraag of we dit kunnen of niet. Ik zal er alles aan doen om ervoor te zorgen dat Silezië een showcase wordt.’

Ondanks die belofte overheerst in de Zuid-Poolse dorpen vooral angst voor de toekomst. Burgemeester Dziedzic heeft plannen gemaakt om investeringen aan te trekken en de oude rails in het gebied klaar te maken voor een toekomstbestendige industrie. Maar wat als de mijnen sluiten en de transitie halverwege stokt? Wat als de gedroomde batterijfabrieken wegblijven en de banen niet worden vervangen? Wat als het welvarende Silezië net zo eindigt als de berooide voormalige mijnstreken in Noord-Engeland, Wallonië of Limburg?

de mijn Guido in Zabrze, omgebouwd tot museum

Vakbondsman Jerzy Hubka weet wat er gebeurt als je een steenkoolmijn sluit. De atletische zestiger met witte snor heeft ons binnengelaten in zijn kleine kantoortje tegenover een aftakelende mijnconstructie. ‘Ik weet ook wel dat de mijnen uiteindelijk dicht moeten, maar je mag de mensen erachter niet vergeten’, zegt hij. 37 jaar lang werkte Hubka voor de Makoszowy-kolenmijn in Zabrze, ten noorden van Ruda Slaska. Hij bleef vooral boven de grond als verwerker van kolen, net naast de schacht, en verloor er een deel van zijn gehoor. ‘Als ik nu door die poort stap bulderen mijn oren van de stilte, het maakt mij verdrietig’, zegt hij.

Toen de mijn plots moest sluiten kregen Hubka en zijn collega’s een laatste opdracht. Ze moesten explosieven aanbrengen om hun eigen mijn te begraven, een proces dat nog jaren zal duren. Grote kolensilo’s en roestige constructies wachten ondertussen op een herbestemming als toeristische trekpleister of locatie voor een hip muziekfestival. De cafés waar Hubka en zijn makkers legendarische avonden hebben meegemaakt zijn gesloten, de ramen zijn kapotgegooid. Overal zie je wat een aanslag de industrie op de omgeving is geweest. In een gitzwart meer ligt een spaghetti van omgebogen ijzerstaven, lekkende pijpleidingen lopen dwars door de prachtige bossen. Milieuorganisaties waarschuwen al jaren dat de natuur is vergiftigd door zware metalen die in het grondwater terecht zijn gekomen.

‘Wij Polen gaan niet voor ons plezier onder de grond. Maar onze hele economie is erop gebaseerd’

Net als zijn vader en grootvader heeft Hubka hier heel zijn leven gewerkt. Ook zijn zoon volgde. Generatie na generatie volgde het uitgestippelde carrièrepad. ‘Maar als mijn kleinzoontje volwassen wordt zal hij iets anders moeten zoeken. Wie nog niet in een mijn heeft gewerkt zal er niet worden aangeworven’, zegt Hubka, die nu vooral actief is bij de mijnwerkersvakbond zzg. ‘De jongeren uit de stilgelegde mijnen worden verdeeld over andere mijnen in de omgeving. Soms pendelen ze twintig of dertig kilometer. Dat doet iets met het sociale leven, je kunt niet na afloop nog even wat drinken in de buurt.’

Hele wijken rond de werkplek sterven op die manier uit. De voetbalclubs, fanfares en andere verenigingen die zich rond de mijnen hebben gevormd worden met de jaren mistroostige en nostalgische aangelegenheden voor oude mannen. ‘Er is hier nog niets wezenlijk voor de mijnen in de plaats gekomen en het dreigt een sociale ramp te worden’, verzucht de vakbondsman. Vanuit een raam in zijn vervallen vakbondsgebouwtje kan hij het gesloten bedrijf aan de overkant zien. De houten muren van zijn kantoor zijn versierd met wimpels en bekers van de voetbal- en viswedstrijden die ze wonnen van andere vakbonden.

Hubka’s zoon kwam nog wel in verzet. In 2015 sloot hij zich samen met tientallen collega’s op onder de grond met de belofte alleen nog boven te komen als de mijn zou openblijven. Hubka’s kleindochter maakte samen met andere kinderen tekeningen waarop stond ‘papa, maak je geen zorgen’ en ‘papa niet huilen’. Een kunstenaar uit de naburige industriestad Katowice vereeuwigde het kinderprotest in een muurschildering. Uiteindelijk volgde er een compromis: er bleven drie mijnen iets langer open, maar het zijn de stuiptrekkingen van een oude tijd.

Silezië zal, zoals Timmermans zegt, een testcase worden om te zien wat de sociale schade kan zijn van groene ambities – en hoe die te voorkomen. Begin dit jaar kwam de Zweedse klimaatactiviste Greta Thunberg daarom ook een kijkje nemen. Ook zij daalde af in een gammele liftkooi. Ze was enthousiast, vertelt Hubka trots. Hij leidde haar rond. ‘Ze wilde alles weten over mijn uniform, mijn medailles, het leven beneden en de tradities. En ze was onder de indruk van de grote machines, maar het kind wilde vooral van ons horen hoe wij ons voelden.’ Het werd een lang en kalm gesprek, zegt hij, niet zo verhit als je zou verwachten. ‘Volgens mij zag zij op het eind de dingen ook wel in een ander licht. Ze zag dat wat wij doen niet duivels is, maar dat wij hier leven met onze gewoontes en onze families.’

Hubka en Thunberg poseerden samen voor de camera en hij zette de foto dezelfde dag nog op Facebook. ‘Dit is verraad en een schande’, reageerde de woordvoerder van een andere vakbond. ‘Je bent een saboteur en een useful idiot door met Greta aan te pappen. Juist op het moment dat we moeten vechten voor de Poolse mijnen.’ Zelfs van zijn eigen achterban kreeg Hubka haatberichten en zijn vakbond distantieerde zich van de ontmoeting. ‘Sommigen van ons zijn kennelijk zo bang voor de toekomst waar dat meisje voor staat dat ze mij – hun vriend – ook uitscholden’, zegt Hubka. ‘Ik probeerde uit te leggen dat Thunberg zelf geen mijnen sluit en dat de lobby achter haar dat ook niet doet. Zij toont slechts het probleem van klimaatverandering. Natuurlijk spreekt ze radicaal, want ze wil dat de wereld naar haar luistert. Het enige wat ik haar heb gevraagd is of we van haar revolutie een evolutie kunnen maken.’

De kritiek deed pijn, maar Hubka snapt de woede. ‘Het is niet zo dat Polen “verslaafd is aan kolen”, zoals je vaak leest. Of dat wij getrouwd zijn met het werk in de mijnen. Daarvoor is het te hard. Je kunt mij niet wijsmaken dat wij Polen voor ons plezier onder de grond gaan, onze levens op het spel zetten en daarvan genieten. Maar onze hele economie is erop gebaseerd. Als je ons echt serieus neemt, dan geef je ons een alternatief. Ik denk echt dat de meesten blij zouden zijn om iets anders te doen, maar ze zijn bang.’

de nog werkende Halemba-mijn in Ruda Slaska, waar statistieken van het aantal recente ongelukken (54) hangen

Szczepan Twardoch, een van de meest gevierde hedendaagse Poolse schrijvers, vreest voor de toekomst van zijn thuisstreek Silezië. ‘Vroeg of laat zullen ze die hele mijnindustrie moeten sluiten’, zegt hij aan een tafeltje in een hippe koffiebar in Warschau. ‘En aangezien we in Polen wonen ben ik er vrijwel zeker van dat ze dit op de meest stupide manier mogelijk zullen doen.’ Zijn boeken worden op dit moment vertaald over de hele wereld, ook in Nederland. De Poolse culturele elite heeft hem omarmd, al is hij altijd blijven wonen in zijn Silezische geboortedorp Pilchowice, twee van zijn romans spelen zich hier af.

De veertigjarige schrijver heeft zijn haar naar achteren gestreken met gel, zijn armen zijn getatoeëerd en hij gaat net zo gekleed als de personages in zijn boeken, die zich afspelen in de eerste helft van de twintigste eeuw. Abstracte vragen beantwoordt hij steevast met een kort: ik weet het ook niet. Maar als Twardoch wordt gevraagd naar de Silezische identiteit praat hij graag. ‘Ik ben altijd opgegroeid met de overtuiging dat je je identiteit kunt kiezen’, zegt hij. ‘Mijn voorouders waren Duits én Pools en konden daar vrij tussen kiezen.’ Tijdens de wereldoorlogen vochten Sileziërs aan beide kanten van het front, zelfs als ze uit dezelfde dorpen of families kwamen. Gevraagd naar zijn identiteiten zegt hij: ‘Eerst Sileziër, daarna Europees.’ Doorgaans kunnen die werelden samengaan, maar tegenwoordig staan ze op gespannen voet met elkaar. ‘Dat de mijnen dichtgaan is noodzakelijk, maar ook een ramp. Het zal onze cultuur en gemeenschap vernietigen. Silezië wordt een ruïne.’

Steenkool zit sinds de achttiende eeuw verankerd in de Sileziër, zegt hij. Zelfs toen de regio verscheurd was tussen Duitsland en Polen, bleef het de levensverzekering van de dorpen en steden. Twardoch pakt dit thema vast in zijn laatste boek aan de hand van zijn eigen familiegeschiedenis. Hij vertelt het verhaal van een soldaat die wakker wordt op de laatste dag van de Eerste Wereldoorlog. Diens ouderlijk huis staat, net als dat van Twardoch, in een dorp met een paar honderd inwoners. De jonge soldaat is een mijnwerkerszoon die net als zijn broers en voorvaderen ondergronds zou gaan, maar in plaats daarvan door de lokale pastoor wordt aangemoedigd naar school te gaan.

‘De middelbare school heeft mij gestolen uit een wereld waarin ik mijn plaats zou hebben gekend’, zegt de soldaat in Twardochs boek. ‘Ik zou mijnwerker zijn geweest, vechten in de oorlog en alles zou normaal zijn. Ze zouden mij doden of niet, mij misschien een IJzeren Kruis geven of niet, ik zou terugkeren van de oorlog naar de mijn zoals mijn broers. Ik zou een zwierige snor laten groeien, op zondag na de mis een pijp roken en kijken hoe mijn kinderen rondrenden in de tuin.’

De populaire beschrijvingen van Twardoch verklaren de eigenzinnigheid van een regio die zich mentaal op grote afstand van Warschau bevindt. Een aantal rokende beveiligers bij een van de nog open mijnbedrijven in Ruda Slaska echoot het cynisme. ‘Onze voorouders hebben Warschau opgebouwd nadat het in de Tweede Wereldoorlog was verwoest. Wij waren de motor van de Poolse economie’, zegt een van hen. ‘Nu is niemand meer in ons geïnteresseerd en worden we het bos in gestuurd om takken te zoeken waarmee we ons in de winter kunnen warmen.’

Ruda Slaska

Voor de mijningangen die nog wel open zijn klokken grote mannen ouderwets in, nadat ze grote borden zijn gepasseerd waarop mededelingen staan. Overal hangt informatie over corona. De mijnwerkers zijn een belangrijke cluster van besmettingen. Samengepropt in de kleine liften en de ondergrondse gewelven hebben ze elkaar in het voorjaar snel aangestoken. In de kiosken aan de ingang van de mijn hangen ook posters met grafieken over de vele tientallen ongelukken die elke maand plaatsvinden en met uitnodigingen voor de kaart- en spelavonden en cynische politieke cartoons. Bij een slechte foto van Jacek Sasin, de minister voor de Mijnindustrie, staat grof: ‘Je kunt niet alles wat je doet verneuken, maar je kunt het wel proberen.’

‘Het Westen heeft weinig begrepen van de energie-­erfenis van het communisme die wij met ons meesleuren’

Dat de boosheid zich vooral richt op de regeringspartij PiS is nieuw. Tijdens de verkiezingen van afgelopen zomer hebben veel mijnwerkers op de zittende president Andrzej Duda gestemd. Hij reisde naar de regio en deelde broodjes uit aan de ingang van de mijnen. Zijn partij is op cultureel vlak uiterst rechts, maar op sociaal-economisch vlak eerder links. PiS maakt zich populair met verhoogde kinderbijslag en investeringen in afgelegen gebieden, de mijnwerkers hoopten dat Duda hun werk zou redden. Maar enkele weken na zijn overwinning kondigde de president aan dat de mijnen moeten sluiten. Nu hangen zijn verkiezingsposters aan flarden gescheurd tegenover de mijn.

Decennialang hadden Poolse regeringen ontzag voor mijnwerkers. De machtige vakbonden die het communisme hadden overwonnen konden verkiezingsuitslagen doen kantelen. Bovendien waren de mijnen een levensader van de snel bloeiende markteconomie. Jarenlang werd het Poolse verzet tegen groene plannen in Brussel daarom verpakt als een ideologische strijd, maar de situatie is onhoudbaar geworden. Stedelijke Polen verzetten zich tegen de laksheid over klimaatverandering en hebben apps op hun telefoon om ’s ochtends het smogniveau te bekijken voor ze gaan sporten. Ook op het platteland is er wrevel over de ongezonde lucht die kinderen ziek maakt. De Poolse regering heeft inmiddels ambitieuze plannen voor windenergie op zee en heeft de regels voor windenergie op land soepeler gemaakt. Er moeten ook zes kerncentrales komen – al is nog niet duidelijk wie deze gaat bouwen en hoeveel ze zullen kosten. En nergens in Europa groeit de markt voor zonnepanelen zo hard als in Polen.

‘Ik wil niet overdreven optimistisch klinken, maar ik zie Polen wel in de goede richting bewegen’, zegt Timmermans. ‘Ze zullen natuurlijk altijd proberen om er voor zichzelf zo veel mogelijk uit te slepen, kijken hoever ze ons en de andere landen kunnen duwen om meer te geven, maar ik merk een verandering. Over klimaatneutraliteit in 2050 zei de Poolse regering een paar maanden geleden nog “nee”, nu zitten ze op “oké, maar misschien dat wij het zelf niet halen”. Het gaat stapje voor stapje, maar die stappen gaan wel de juiste richting op.’

gesloten mijn net over de grens in het Tsjechische Silezië

Niet alleen de mijnwerkers hebben hun vertrouwen in Warschau verloren, ook burgemeester Dziedzic zit klem vanwege beslissingen uit de hoofdstad. De regering-PiS perkte de afgelopen jaren de macht van steden en regio’s stapsgewijs in en door een veranderd belastingsysteem zijn de gemeentebegrotingen geslonken. ‘Wij kunnen zelf maar weinig doen en tegelijkertijd praat de regering niet met ons over hun toekomstplannen voor onze regio.’ Ze heeft haar hoop daarom gevestigd op de Europese Commissie. ‘We hopen dat Timmermans geld zal brengen uit het Just Transition Fund, zodat we de mijnen kunnen herontwikkelen.’

Zo makkelijk zal dat niet gaan. ‘Wij hebben direct contact met regio’s, zeker met regio’s die een zware transitie wacht, maar de afspraak in de Europese Unie is dat wij zakendoen met de centrale overheid’, zegt Timmermans vanuit Brussel. ‘In sommige landen gaat dat makkelijk, maar in andere landen zoals Polen is dat ingewikkeld vanwege de politieke situatie. We zullen wel een manier moeten vinden, want alle klimaatplannen hebben per definitie een enorme lokale component, dan heb je lokale overheden nodig, maar als de centrale overheid ertussen gaat zitten is dat lastig.’

In Warschau verwijten ze de Commissie een te zuinige opstelling en te weinig begrip voor de grote opdracht waar ze voor staan. ‘Op een paar activisten en mijnwerkers na is niemand in dit land nog voor het eeuwig openhouden van de mijnen. Maar als we deze sector volledig moeten sluiten in dertig jaar, dan komen we dezelfde problemen tegen als Engeland in de jaren tachtig en Duitsland in de jaren zeventig’, zegt energie-expert Konrad Swirski tijdens een gesprek in zijn kantoor in de hoofdstad. Naast zijn werk bij een denktank adviseert hij de Poolse minister van Klimaat. Polen staat volgens hem voor drie uitdagingen als het wil voldoen aan de eisen van de Green Deal: de grote stadsverwarmingen die op kolen draaien moeten worden vervangen, er moeten andere energiebronnen komen en huizen en kantoren verspreid over het land moeten grondig worden verbouwd. ‘Het Westen heeft nog steeds weinig begrepen van de energie-erfenis van het communisme die wij met ons meesleuren’, zegt hij. ‘Er is nu simpelweg geen technologie op de markt om onze collectieve verwarmingsinstallaties in één klap zonder fossiele brandstoffen te laten draaien.’

Swirski stoort zich aan de ‘kortzichtigheid’ van het klimaatdebat in West-Europa. ‘Al die praatjes over transition en een green future klinken wel goed, maar het is holle pr. Als je naar de cijfers gaat kijken, zie je dat daar maar 3,75 miljard euro aan nieuw geld in zit. De rest zijn leningen. Terwijl de plannen in de Green Deal ons honderd miljard zullen kosten. Polen kan zich dat simpelweg niet veroorloven.’ Swirski vergelijkt het sluiten van Poolse mijnen daarom provocerend met de haven van Rotterdam. ‘Stel je voor dat wij zouden zeggen: “Sluit al je havens maar, die zijn verschrikkelijk vervuilend. Misschien kun je er hotels bouwen.” Nederland zou lachen.’

Wanneer Timmermans dat hoort reageert hij geagiteerd. ‘Dat is echt Pools onderhandelen hè? Zo gaat het altijd, maar als je alles bij elkaar optelt ontvangen ze meer dan negentig miljard euro. Ze krijgen geld uit het Just Transition Fund en daarnaast nog eens 86 miljard euro uit regionale ontwikkelingsfondsen. Dat is echt wel een expressie van solidariteit uit Europa.’

In het stadhuis van Ruda Slaska werken burgemeester Dziedzic en haar wethouders aan plannen om de streek opnieuw in te richten. Ze zijn trots op hun regio, de goed opgeleide bevolking en de spoorwegen die tussen de fabrieken lopen. ‘Sileziërs zijn goed georganiseerd en harde werkers.’ Toch ketsen grote bedrijven en investeringen voorlopig nog af. De gewenste nieuwe fabrieken komen nog niet en voorlopig is de regio niet op het punt een logistiek knooppunt in Europa te worden. Daarnaast speelt dat eerdere mijnsluitingen nog altijd niet zijn opgevangen. ‘Wij hebben de afgelopen tien jaar al drie gesloten mijnen overleefd, maar tot op de dag van vandaag is er nog geen herontwikkeling geweest van die terreinen.’ Wat de regio echt nodig heeft? ‘Heel veel geld’, zegt de burgemeester. ‘Maar dat is nog nergens te bekennen.’ Dziedzic heeft een liberaal, economisch rechts signatuur. ‘Ik wil onze mijnwerkers niet zomaar vis geven, ik wil ze leren vissen’, zegt ze. ‘Anders verzandt deze streek in generatielange werkloosheid.’

‘Ik begrijp de angsten heel goed’, zegt Timmermans, gevraagd naar de stemming in Silezië. ‘Toen Joop den Uyl in de stadsschouwburg van Heerlen kwam vertellen dat de Limburgse mijnen dichtgingen, ontstond er aan alle kanten paniek. Ook toen is beloofd dat het verlies van werkgelegenheid gecompenseerd zou worden.’ Uiteindelijk verdwenen er tussen de 30.000 en 45.000 banen. In de mijnregio’s van Silezië zijn dat er meer dan twee keer zoveel. ‘Ik geloof niet dat er een familie is in mijn stad die niemand in een mijn heeft werken’, zegt burgemeester Dziedzic. ‘Aan elke mijnwerker hangt een gezin vast.’

Toch is Timmermans optimistisch dat de trauma’s uit Limburg in Polen voorkomen kunnen worden. ‘Wat in Nederland gebeurde en in andere mijnregio’s in Duitsland en België viel samen met de energiecrisis, dat is nu niet zo. De demografische omstandigheden zijn anders. Ik geloof echt dat we in Europa iedereen die kan werken nodig hebben voor een economie van de toekomst.’

Hij voorziet dat andere industrieën, zoals elektro-mobiliteit en waterstof, werk kunnen bieden aan mensen die nu in de mijnbouw werken. Ook hij wijst op de forse infrastructuur, de kilometers rails en de aanwezigheid van laboratoria en hoogopgeleide ingenieurs. ‘We moeten mensen zien op te leiden om andere beroepen te doen. Zeker wanneer iemand vijftien of twintig jaar in de mijnen heeft gewerkt, kan het een helse klus zijn om iets te vinden waar ze voldoening uit halen. De beelden uit mijn kindertijd van stoere mijnwerkers die aan de lopende band wasknijpers in elkaar zitten te frunniken wil ik nooit meer zien – dat is geen vervangende werkgelegenheid.’

Burgemeester Dziedzic is nog altijd niet gerustgesteld. Voor ze afscheid neemt zet ze een ronde zwarte hoed met een pluim op haar hoofd. Acht jaar geleden kroonden de mijnwerkers uit de streek haar tot ‘generaal’, daar hoort de groene veer bij. ‘Het is de hoogste rang’, zegt haar assistent. De mijnwerkers, de fanfares en de voormannen van de koepels hebben ieder een eigen kleur pluim op hun hoofd wanneer barborka wordt gevierd.

De rest van het jaar staat de hoed in een kast in de hoek van de ruime burgemeesterskamer. En wat er ook gebeurt met de mijnen en de tradities, die zal ze daar tijdens haar jaren als burgemeester laten staan en trots blijven tonen aan bezoekers. Een aantal rituelen zal zo bewaard blijven. Ook hebben Dziedzic en haar gemeenteraad allang besloten dat de grote stalen constructies midden in de stad niet zullen worden afgebroken. ‘Hopelijk wordt het een toeristische attractie, net zoals in het Westen. We zijn al toegelaten tot de Europese route voor Industrieel Erfgoed.’

Daarmee hebben ze één fout uit het verleden alvast voorkomen. ‘In Limburg hebben we aanvankelijk gezegd: dit was het verleden en nu stoppen we alles diep onder de grond, maken het groen en doen alsof er niets is gebeurd’, zegt Timmermans. ‘Dat heeft de regio – en ik wil niet als Pim Fortuyn klinken – echt verweesd gemaakt.’ Uiteindelijk hoopt de commissaris dat de tradities verbonden kunnen worden aan de economie van de toekomst. ‘De economie verandert maar je blijft wie je bent, dat mag ook bepaald worden door het verleden. Het is wat ze in Beieren Laptop und Lederhose noemen. Ik denk dat we daar in dit soort regio’s naar moeten zoeken.’