Polen willen geen half naakte Pooh

Warschau – Pooh heeft een probleem in het stadje Tuszyn. Lokale politici menen dat de wereldberoemde animatiebeer ‘seksueel te dubieus’ is om groot afgebeeld de speeltuin te sieren die de gemeente financiert.

Pooh is permanent half naakt: ‘totaal ongepast voor kinderen’. Daardoor is bovendien goed te zien: het beest is hermafrodiet. Dat is in Polen geen aanbeveling. Een meerderheid van de raad meent dat Poohs Poolse concurrent, beertje Uszatek, geschikter is als mascotte van de speeltuin.

Dit nieuws haalde afgelopen week talloze kranten, ook in westelijk Europa, meestal in een rubriek met curieus nieuws.

De problemen met Pooh illustreren dat de Poolse politieke cultuur afwijkt van die in West-Europa. In vogelvlucht: het Poolse parlement nam in 2009 een wet aan die ‘communistische, fascistische of andere totalitaire symbolen’ verbiedt. Niet alleen de swastika mag niet meer, maar ook de vijfpuntige rode ster, een gekruiste hamer en sikkel en T-shirts met cccp erop – om maar iets te noemen. Dit jaar heeft het Poolse hooggerechtshof de wet ongrondwettig verklaard, want te vaag omschreven en in strijd met het Europees verankerde recht op vrije meningsuiting. Maar dat nieuws heeft weinig Polen bereikt. En belangrijker: dat heeft niets veranderd aan de taakopvatting van Poolse politici. Zij sleutelen graag aan esthetische verbeeldingen van macht. De gedachte: het Poolse electoraat vindt symbolen belangrijk en waarom zouden gekozen volksvertegenwoordigers er dan geen wetten aan verbinden?

De Britse historicus Adam Zamoyski schreef, in zijn gezaghebbende geschiedenis van Polen, dat het na de val van het communisme voor veel Polen moeilijk was om het kapitalisme niet als een nieuwe doctrine te zien, met rolmodellen (Donald Trump?), propaganda (Ayn Rand verplicht op de leeslijst?) en levensmotto’s (get rich or die tryin’).

Overal in Oost-Europa hebben politici er moeite mee dat burgers een samenleving zelf invullen, met hun goede of slechte smaak, hun wensen, waarden en maatschappelijke normen. In Tuszyn bepalen politici het liefst zelf de kleur van de muren in een kinderdagverblijf. Daar kunnen we in het Westen om lachen, maar tegelijk kan geconstateerd worden dat onze politici zich hebben bekeerd tot het andere uiterste: ze zeggen dat ze nergens meer over gaan. ‘Verzelfstandiging’ van voorheen collectief geleide organisaties is zo ver doorgevoerd dat de directeur van het Rijksmuseum meer dan twee ton verdient, terwijl hij universitair afgestudeerden fulltime voor nop laat werken. En politici? Die ‘gaan er niet over’ en houden ‘de grote lijn’ in de gaten.