Profiel Condoleezza Rice

Politica van de vorige eeuw

«De Koude Oorlog is voorbij, Mr. Bush — get over it», schreef Brookings-politicoloog Ivo Daalder in het voorjaar van 2001 in een opiniestuk in The International Herald Tribune. De kersverse president had zojuist de uitwijzing gelast van vijftig Russische diplomaten op verdenking van spionage. Die reflex was volgens Daalder tien jaar na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie volstrekt achterhaald, net zoals beweringen dat Rusland «een bedreiging voor ons kan zijn als het dat verkiest» (George Bush), dat het «een actieve proliferator is, een deel van het probleem» (minister van Defensie Donald Rumsfeld) en «een bedreiging voor het Westen in het algemeen en onze Europese bondgenoten in het bijzonder» (veiligheids adviseur Condoleezza Rice).

Tweeënhalf jaar later kwam Daalder in America Unbound: The Bush Revolution in Foreign Policy, dat hij schreef samen met zijn collega James Lindsay, tot de conclusie dat de doelen en uitgangspunten van het Amerikaanse buitenlandbeleid ook na 11 september 2001 ongewijzigd zijn. De «Bush-revolutie» is hoofdzakelijk retorisch van aard, tot uiting komend in de zelfverzekerde toon waarmee deze regering in het openbaar de nadruk legt op het nationaal belang en de eigen veiligheid. De oorlogen in Afghanistan en Irak zijn geen uitkomst van een fundamentele beleidswijziging, aldus de schrijvers. Ze sluiten aan bij het interventionisme van Ronald Reagan in de nadagen van de Koude Oorlog en meer in het bijzonder bij diens eschatologische overtuiging dat de Verenigde Staten verwikkeld zijn in een strijd tussen goed en kwaad, waarbij staten fungeren als de unieke dragers van de politieke en militaire macht in de wereld. Kortom, de bewoners van het Witte Huis zijn blijven hangen in de Koude Oorlog. In Daalders eigen woorden: «Het is alsof iemand in 1990 op de stop-knop heeft gedrukt en pas nu de band weer laat doorlopen.»

Het beste bewijs voor die stelling is de langverbeide getuigenis van Condoleezza Rice voor de «9/11-commissie» in Washington. Rice belichaamt in meer dan één opzicht het huidige Amerikaanse buitenlandbeleid. Ze heeft een visie, een welomschreven idee van wereldpolitiek en staatsmanskunst dat ze ontleent aan haar jaren in het Witte Huis ten tijde van George Bush senior, toen ze als presidentieel assistent voor Oost-Europa het diplomatieke schaakspel rond de val van de Berlijnse Muur van dichtbij meemaakte. Daarnaast beantwoordt ze als self-made woman aan een diepgeworteld Amerikaans ideaal van individualisme en onafhankelijkheid dat zich moeiteloos laat vertalen naar een buitenlandse politiek gebaseerd op patriottisme, ongebondenheid en eigenbelang. En tot slot heeft ze als actief lid van de presbyteriaanse kerk een nauwe, persoonlijke band met de «reborn christian» George Bush, waardoor ze meer dan enige andere regeringsfunctionaris als spreekbuis van de president fungeert.

Op het moment dat Rice vorige week donderdag voor de commissie de eed aflegde, onderbraken alle grote Amerikaanse zenders dan ook hun uitzending om over te schakelen naar Capitol Hill. Helaas ging hun belangstelling voornamelijk uit naar «Condi’s» reactie op de beschuldigingen van Richard Clarke, de voormalige contraterreurexpert die in zijn getuigenis een week eerder had beweerd dat de regering-Bush de dreiging van al-Qaeda schromelijk had veronachtzaamd. De vraag welke waarschuwingen Bush en Rice op welk moment hadden gekregen en wat ze daar vervolgens mee hadden gedaan moet natuurlijk worden beantwoord, maar zulke schermutselingen over memo’s en competenties, door beleidsambtenaren spottend «food fights» genoemd, verbergen vaak een dieper verschil van inzicht tussen de betrokken beleidsmakers.

Anders dan Clarke beweert, nam Rice de talloze waarschuwingen voor aanslagen op Amerikaans grondgebied in de zomer van 2001 wel degelijk serieus. Ze trok er echter andere conclusies uit dan Clarke en reageerde op een ander niveau dan hij had verwacht. Rice sloeg geen groot alarm, maar werkte met verdubbelde energie aan een strategisch antwoord op de dreiging van al-Qaeda. Als veiligheidsadviseur van de president beschouwde ze dat — en niet het vangen van terroristen — als haar voornaamste taak. Die taakopvatting leidde tot een totale spraakverwarring tijdens de hoorzitting. Commissieleden vroegen haar keer op keer waarom ze die zomer geen speciale veiligheidsmaatregelen had laten afkondigen. Rice antwoordde keer op keer dat geen enkele afzonderlijke maatregel de kapers van «9/11» had kunnen tegenhouden en dat ze juist daarom al sinds haar aantreden werkte aan een alomvattende strategie tegen al-Qaeda.

«Het moeilijkste en belangrijkste onderdeel van die nieuwe strategie was het integreren van de terreurbestrijding in onze regionale strategieën», aldus Rice. «Al-Qaeda was zowel cliënt als patroon van de Taliban, die op hun beurt werden gesteund door Pakistan. Ons al-Qaeda-beleid werkte niet omdat ons Afghanistan-beleid niet werkte en ons Afghanistan-beleid werkte niet omdat ons Pakistan-beleid niet werkte.» Om daarin verandering te brengen, haalde Rice een Afghanistan-kenner naar het Witte Huis, Zalmay Khalilzad, die haar hielp het Amerikaanse beleid in Afghanistan minder afhankelijk te maken van de Noordelijke Alliantie. Daarnaast bereidde Rice een volledige herziening voor van het sanctiebeleid tegen Pakistan (dat was ingevoerd naar aanleiding van de ondergrondse kernproeven op het subcontinent in 1998) teneinde de VS weer in staat te stellen zaken te doen met de Pakistaanse president Musharraf.

Vanwege het wereldwijde schokeffect dat ze teweegbrachten waren de aanslagen van 11 september een ruwe onderbreking van dat herzieningsproces. Vanuit de strategische optiek van Rice waren ze niet meer dan een speldenprik, een schermutseling in een veel grotere campagne om de machtsverhoudingen in Azië en het Midden-Oosten te wijzigen. Maar dat kon ze tegen de commissie nu net niet zeggen, aangezien de bankjes achter haar rijendik werden bezet door nabestaanden van de slachtoffers van die dag. Het behoort tot het wezen van de «asymmetrische oorlog» dat westerse leiders, via de media voortdurend op de vingers gekeken door hun electoraat, zich dergelijke clausewitziaanse uitspraken in het openbaar niet kunnen veroorloven terwijl hun tegenstanders vanuit grotten de ene nietsontziende banvloek na de andere over de westerse beschaving kunnen uitspreken.

In werkelijkheid is Rice even nietsontziend. Toen een Democratisch Congreslid haar eens de vraag stelde of de Verenigde Staten in 1946 een preventieve aanval op de (toen nog niet over een atoombom beschikkende) Sovjet-Unie hadden moeten uitvoeren, antwoordde ze zonder aarzelen: «Ja natuurlijk, als je bedenkt hoeveel leed we de volken van Oost-Europa hadden kunnen besparen.» Die oudtestamentische hardheid is haar thuis en in de kerk met de paplepel ingegoten. Rice werd in 1954 geboren als kleindochter van arme katoenboeren in Alabama. Dankzij haar onwrikbare geloof, intelligentie, talenten en zelfdiscipline wist zij zich op te werken tot hoogleraar internationale betrekkingen aan Stanford University, bestuurder van oliegigant Chevron en commissaris bij diverse andere grote bedrijven.

Het racisme uit haar jeugd overwon zij door «in alle opzichten tweemaal zo goed te zijn als een blanke», waarbij het feit dat zij ongetrouwd bleef haar in staat stelde al haar energie te wijden aan haar carrière. Dit onwankelbare zelfvertrouwen, versterkt met het zendingsvuur van de presbyterianen, verklaart haar overtuiging (die ze deelt met George Bush) dat de hele wereld op den duur de «Amerikaanse waarden» zal onderschrijven. Een ontwikkelde middenklasse die voor zijn inkomen niet afhankelijk is van de staat is volgens Rice de beste garantie voor het welslagen van de democratie in alle uithoeken van de wereld. Voor het echter zo ver is, moeten de Verenigde Staten de voorwaarden helpen scheppen door middel van onvervalste machtspolitiek. De omstreden «Nationale Veiligheidsstrategie van de Verenigde Staten» die Rice op 17 december 2002 in naam van de president vrijgaf, een document waarin het nationaal belang centraal staat en het concept van de «preventieve aanval» wordt uitgewerkt, is voor een belangrijk deel haar werk.

Meer dan de andere Republikeinse oudgedienden uit de jaren zeventig en tachtig in het team van Bush (Rumsfeld en zijn onderminister Paul Wolfowitz, vice-president Dick Cheney, minister van Buitenlandse Zaken Colin Powell) heeft Rice de «lessen» uit de ambtsperioden van Reagan en Bush senior verinnerlijkt. Haar academische carrière kwam van de grond dankzij de kennismaking met Josef Korbel, hoog leraar en vader van Madeleine Albright, die uit Tsjecho-Slowakije was gevlucht en samen met andere vluchtelingen uit het Oostblok een fel anticommunistische stroming binnen de Oost-Europastudies vormde. Rice stapte over van de Democratische naar de Republikeinse Partij na de opmerking van president Jimmy Carter begin 1980 dat hij «geschokt» was door de Russische inval in Afghanistan. Rice was op haar beurt geschokt door zoveel naïviteit ten aanzien van de ware aard van het sovjetbewind.

Toen veiligheidsadviseur Brent Scowcroft haar in 1989 naar het Witte Huis haalde om de afdeling-Rusland te leiden (Rice spreekt vloeiend Russisch) kon zij van dichtbij meemaken hoe Bush senior met zachte doch dwingende hand een einde maakte aan het sovjetrijk. Al zijn adviseurs raadden hem aan zijn kaarten te zetten op de democratische hervormingsbeweging in Rusland en openlijk zijn steun uit te spreken voor de komende man, premier Boris Jeltsin. Bush deed het tegenovergestelde en onderhandelde uitsluitend met president en partijleider Michail Gorbatsjov, omdat hij besefte dat niemand anders dan Gorbatsjov beschikte over de macht om de Russische troepen terug te trekken uit Oost-Duitsland en het uiteenvallen van de Sovjet-Unie zelf in goede banen te leiden.

Na terugkeer op haar alma mater in 1991 schreef ze samen met Harvard-collega Philip Zelikow een boek over de episode: Germany Unified and Europe Transformed. Het is rijk aan details omdat de auteurs niet alleen over hun eigen herinneringen en aantekeningen beschikten, maar ook over de inmiddels vrijgekomen archieven van hun tegenpolen in het voormalige Oostblok. De wijze waarop Bush senior de Duitse hereniging afhandelde was voor hen een klassiek voorbeeld van geslaagde geopolitiek. De ondertitel A Study in Statecraft drukt niet alleen hun bewondering voor Bush uit, maar ook hun overtuiging dat de wereldpolitiek een aangelegenheid is van staten en leiders.

In dat spel is geen zelfstandige rol weggelegd voor ongrijpbare bendes die vanuit non-descripte tunnels opereren en niet verder komen dan het kapen van vliegtuigen en het opblazen van metrostations, hoe desastreus en verreikend de gevolgen daarvan in de ogen van de publieke opinie ook mogen zijn. Vandaar dat Rice niet zichtbaar reageerde toen haar voorganger Samuel Berger haar tijdens de overdracht in december 2000 vertelde dat zij «gedurende haar vier jaar in het ambt meer tijd kwijt zou zijn aan het terrorisme en al-Qaeda in het bijzonder dan aan enig ander onderwerp». Vandaar dat ze glazig keek toen Clarke haar uit de doeken deed wat al-Qaeda was en hoezeer de beweging het op Amerika had gemunt. Ze was met haar hoofd bij de strategische rivalen Rusland en China, de olievoorraden in het Midden-Oosten en de gevolgen van de globalisering voor de toekomst van de Amerikaanse economie. Osama bin Laden kende ze alleen «van documentaires», zei ze tegen de commissie.

Die fixatie verklaart ook waarom Rice nooit vorderingen heeft gemaakt met de uitwerking van de «routekaart» voor het Midden-Oosten die de president te midden van de diplomatieke schermutselingen in de aanloop naar de Irak-oorlog ontvouwde. De aanstelling van een speciale directeur voor dit doel, Flynt Leverett, afkomstig van Buitenlandse Zaken en een «zware» deskundige inzake het Midden-Oosten, mocht niet baten. Rice nam het in alle discussies bij voorbaat op voor Ariel Sharon en blokkeerde in november 2002 zelfs de publicatie van de routekaart omdat die Sharons herverkiezing in gevaar zou kunnen brengen. De havik Sharon vervult in haar ogen de rol van Gorbatsjov in 1990; omdat hij als enige in staat is een Israëlische terugtrekking uit de bezette gebieden te orkestreren, moet Washington alleen met hém zaken doen en niet met de Palestijnse leiders en organisaties en hun steeds wisselende coalities. Leverett heeft er inmiddels net als Clarke gefrustreerd de brui aan gegeven.

Vanuit dezelfde principes stuurt Rice op het moment ook het Amerikaanse optreden in Irak, al blijft dat onzichtbaar doordat ze achter de gesloten deuren van het Witte Huis opereert. Nadat George Bush haar vorig jaar de verantwoordelijkheid voor het Irak-beleid toevertrouwde, besloot ze het burgerbestuur uit handen te nemen van generaal Garner (geroemd om de wijze waarop hij begin jaren negentig orde op zaken stelde in het noordelijke, Koerdische deel van Irak) en over te dragen aan «ter reur tsaar» Paul Bremer. In haar ogen moet en zal het eindresultaat van de bezetting de installatie van een Amerika-gezinde regering zijn, al komt driekwart van de bevolking daartegen in op stand en draait de rekruteringsmachine van al-Qaeda op volle toeren. De 9/11-commissie wilde weten of Rice de gebeurtenissen van 11 september 2001 niet eerder had kunnen zien aankomen. Uit haar antwoorden blijkt dat ze nog steeds niet beseft wat er die dag is gebeurd.