Parlementaire journalistiek toen en nu

Politici? Daar schríjf je tegen!

Journalisten van nu vormen samen met politici en een gedeelde hofhouding van voorlichters en spindoctors een politiek-journalistieke elite. Oefenen zij nog goed hun vak uit?

Woensdag 27 juni ontving Ferry Mingelen de Anne Vondelingprijs. Ik mocht hem en de verzamelde parlementaire pers daarbij toespreken. Een mooi moment om de journalistiek van toen en nu onder de loep te nemen. Hij maakte het immers allemaal mee. En maakte ook veel collega’s mee. Zoals de vorige maand overleden schrijver en journalist Gerard van Westerloo. En Martin van Amerongen, die tien jaar geleden overleed. Ik begin graag bij hen. In de tweede helft van de vorige eeuw.

Van Amerongen en Van Westerloo behoorden beiden tot de Gideonsbende van Vrij Nederland. Kwamen later bij De Groene Amsterdammer terecht, schreven in NRC Handelsblad en de Volkskrant en publiceerden vele boeken. Beiden waren journalisten van de oude verheffende soort, die hun vak opvatten als een beschavingsmissie en die zich als Theo Thijssen-achtige onderwijzers met jongere collega’s verstonden. Ze deden niet zozeer verslag van gebeurtenissen, als wel van hun eigen denkwerk bij die gebeurtenissen. Op die manier schreven ze ieder een onvoorstelbaar oeuvre bij elkaar. Er was destijds ook een scherp onderscheid tussen opiniejournalisten, zoals Van Amerongen en Van Westerloo, en de dagbladwereld. Een onderscheid dat als een hoge vaknorm werd gehandhaafd. In zijn boekje Persmuskieten beschreef Van Amerongen met instemming de gang van zaken bij de oude NRC, vóór de fusie met het Handelsblad. ‘De NRC had een hoogst merkwaardig soort journalisten in dienst: het waren de boekhouders van het wereldgebeuren, met oorwarmers rond de kop en slobkousen rond de enkels. Het razendsnelle draafwerk, inherent aan alerte journalistiek, werd dan ook hooghartig aan de concurrentie overgelaten. (…) Men ging uit van de autonomie van de individuele redacteur, die niet werd gehinderd door zoiets platvloers als een chef. De artikelen van de redacteuren, tot de boekbesprekingen toe, verschenen ongesigneerd in de krant. De artikelen van buitenstaanders waren “van een medewerker”. Het woord ik was verboden. Het woord wij was dwingend voorgeschreven.’

Het lijkt eeuwen geleden. Tegenwoordig schrijven journalisten zo veel mogelijk onder hun eigen naam, in de Volkskrant is zelfs het hoofdredactionele commentaar, het laatste bolwerk van het ik-taboe, vervangen door een gesigneerd exemplaar. In een mooi recent interview in De Groene Amsterdammer wordt die ontwikkeling nog eens haarfijn uit de doeken gedaan door de net op 94-jarige leeftijd als columnist gestopte krantenman Jerome Heldring: ‘Ik vind dat dunnetjes hoor, zo’n baaierd aan meningen in de krant.’

In de krant, domein van het geschreven woord, spreekt trouwens ook het beeld steeds vaker boekdelen. De Volkskrant van maandag 23 april, na de val van het kabinet-Rutte, geeft de hedendaagse verhoudingen goed weer. De portretten van alle hoofdrolspelers zijn medium close, nauwelijks groter dan een pasfoto. Op twee na. De eerste staat op pagina 3 ten voeten uit, op het bordes van het Catshuis: spelbreker Geert Wilders. De tweede staat op pagina 15, ter afsluiting van het katern over de kabinetscrisis, en is de politieke commentator van de krant. Ook de commentator is ten voeten uit afgebeeld. Twintig centimeter hoog maar liefst! Over twee kolom breedte! Bijna net zo groot als Wilders op de 3. We waren er inmiddels aan gewend, iedere zaterdag, maar dan toch niet meer dan twaalf centimeter over één kolom breed.

Waar Wilders nerveus telefoneert en vertwijfeld in zijn haardos grijpt, daar oogt de commentator als een bedachtzaam man. Een man van gezag. Hij draagt een grijsblauw pak, op een donker overhemd, lichtbruine brogues. Een hand steekt in de broekzak, de andere hangt langs het lichaam, de dynamische houding van iemand die zojuist over zijn rechterschouder een fronsende blik naar de linkerpagina heeft geworpen, waar in een forse kop te lezen valt: ‘Oogst pvv vooralsnog bescheiden’. Een visueel statement, en dwingende aanwijzing voor de lezer wie hier als de hoofdrolspelers moeten worden beschouwd. Ik ben de maat der dingen, zegt dit statement.

De hedendaagse journalist is vaak mede-spelbepaler geworden. De hedendaagse journalist, ik generaliseer schandalig, klaagt wel steen en been over die buffer aan voorlichters en persoonlijke assistenten die tussen hem/haar en de politicus is ontstaan, maar wiens hofhouding is dat nu eigenlijk, die van de politici of die van de journalist? De journalist klaagt dat je vroeger een minister gewoon thuis kon bellen, in plaats van een aanvraag in drievoud in te dienen. Elkaar dag en nacht te kunnen bellen op elkaars meest privé gehouden telefoonnummer, dát waren nog eens gouden tijden in de journalistiek!

Welnu, juist in die gouden tijden dat een minister kon worden wakker gebeld voor een laatste quote, waren er vakgenoten die daar gedecideerd hun neus voor ophaalden. Zoals André Luyendijk, destijds parlementair redacteur van de NRC, die, zoals beschreven in Persmuskieten, duidelijk hoorbaar voor een aantal Tweede-Kamerleden op megafoonsterkte tegen collega’s riep: ‘Politici? Kom op zeg, daar praat je toch niet mee, daar schríjf je tegen!’

Hoe anders is dat met de journalist van nu. Deze vormt, met de politici en die gedeelde hofhouding van voorlichters en spindoctors, de politiek-journalistieke elite van de jaren tien en twintig. Zij zijn allemaal Facebook-vriendje en LinkedIn-relatie van elkaar, elkaars tweeters en elkaars volgers, doen alles om erbij te horen, tot dat rare kluitjesvoetbal, dag in dag uit, tot in de wandelgangen toe. Allen opgejaagd door de permanente deadline van de nieuwe media.

Als je dan zó goed geïnformeerd bent, zó dicht bij het vuur zit, zó bedreven bent geworden in het spel van geven en nemen, beter gezegd: van aftappen en lekken, ja dan is het wel bijzonder pijnlijk als van de ene dag op de andere opeens de codes worden gebroken en de bakens verzet. Dat het onuitgesproken verbond van de ene elite die de andere bedient plotseling niet meer werkt en uit elkaar spat. Dat de politiek in de wandelgangen een eigen spelletje blijkt te spelen, in anderhalve dag een coalitie blijkt te smeden, de parlementaire pers in verbijstering achterlatend.

Was er écht niemand die het aan zag komen, sprongen nergens de redactionele seinen op rood? Niemand die gedacht heeft: kom, laten we eens kijken wat voor onvermoede krachten er loskomen als in een parlementaire democratie zeven weken lang het parlement buitenspel wordt gezet? De journalistiek, spiegel van zijn tijd, heeft zeven weken achter de verkeerde fietsen aan gehold. Om vervolgens meteen maar te spreken van een historisch moment.

Een historisch moment dat wel het kortste historische moment uit de geschiedenis mag worden genoemd. Een plofkip, in zeven weken tot stand gekomen, één dag in de etalage van de voorpagina, om vervolgens stukje bij beetje van iedere historische betekenis te worden ontdaan. En ondanks al die ombudsmannen die er tegenwoordig bij de redacties rondlopen: waar blijft de kritische zelfreflectie over die weken? Of over nog zo’n stellige bewering: de rol van Wilders is nu helemaal uitgespeeld!

Heerlijk om het nu eens over journalisten te hebben, zij hebben het immers altijd over mij en mijn soort. En behalve mijn bewondering en waardering voor dit geweldige vak en voor de professionele manier waarop dat wordt uitgeoefend in ons kleine land (een niet te veronachtzamen factor), wil ik toch iets knagends op tafel leggen. Is er nu echt niet te ontsnappen aan het dwingende keurslijf dat ertoe leidt dat mogelijk belangwekkende thema’s pas breed en diep aan de orde komen in de journalistiek als ze op de Kameragenda staan of daarna?

Neem de chronisch psychiatrisch patiënten die door de eigen bijdrage zorgwekkende zorgmijders zouden worden in de gezondheidszorg. Of de Wet Werken naar Vermogen en de huishoudtoets in de bijstand. Mijn indruk is – uitzonderingen daargelaten – dat de direct getroffenen pas werden ontdekt door de journalistiek, niet op het moment dat de maatregelen werden aangekondigd, maar pas toen de Tweede Kamer zich er eindelijk eens over boog of zelfs ver nadat de stemming in de Eerste Kamer had plaats­gevonden. Wordt de kwestie van het ontslagrecht grondig genoeg, principieel genoeg en in al zijn consequenties goed behandeld? Of laten journalisten zich te veel verleiden door het jargon van akkoorden en partijprogramma’s om alles maar hervorming te noemen, zonder erbij stil te staan wát er hervormd wordt? Of moeten we daarvoor wachten op de nieuwe serie Filosofisch kwintet van Clairy Polak over de vraag: is werken een recht of een plicht?

Wat we de komende tijd zeker weer veel zullen zien en horen zijn interviewtjes als: staan er ook hervormingen in uw programma? Ja zeker, in tegenstelling tot partij zus of zo, die NIET wil hervormen. Zus-of-zo-leider reageert: geen hervormingen? Wij hebben JUIST hervormingen, en sterker nog: bij ons krijgt u er banen bij! En het wordt nog uitgezonden ook.

Ik zie dat journalistiek en politiek elkaar te veel gevangen houden in snelle, makkelijke wedstrijdverslaggeving. De politicus komt graag zonder kleerscheuren weg met risicoloze soundbites, en zit liever bij DWDD dan bij Ferry Mingelen. De journalistiek bedient z’n publiek met gemakkelijk te hanteren tegenstellingen. De één wil stemmen en leden, de ander lezers, luisteraars en kijkers.

In hetzelfde interview met de 94-jarige Heldring komt een essay ter sprake van de Britse journalistieke veteraan Charles Scott uit 1921, geschreven toen Heldring vier jaar oud was. Daarin waarschuwt Scott – toen al – dat de uniformerende wetten van de markt ertoe leiden dat de kranten aan kleur, eigenzinnigheid en de ‘charme van het onverwachte’ zullen verliezen. De journalistiek van nu is beter dan in zijn tijd, maar de ‘charme van het onverwachte’, dat hebben we wel weer nodig. We komen er niet met soundbites en die jacht op kiezers, kijkers en lezers. We staren ons blind op de lichaamstaal van Rutte en Merkel, en journalisten zijn buitengewoon creatief om daar in prachtige silhouetten allerlei betekenissen aan toe te kennen. Maar achter de visies van beide politici, de een kijkt vooruit, de ander achterom, gaan complete werelden schuil. Dáár moet het ook over gaan.

Heldring constateert terecht dat duiding en analyse in kranten belangrijker zijn geworden dan het vergaren van nieuws. Maar duiding en analyse is zoveel meer dan één richting op duiden, of snel inkleuren. Misschien is daar toch weer meer ‘onzichtbaarheid’ van de noeste journalistieke handwerker voor nodig. Méér dan het belang van de eigen handtekening, de eigen mening (of foto) van de journalist. Noest handwerk in een nieuw medialandschap, want terug naar de typemachine en de volle asbakken is geen optie. Twitter, Facebook en andere nieuwe informatiebronnen zijn een verdieping in plaats van een vervlakking, mits journalisten en politici zich hiertoe leren verhouden.

Bijna veertig jaar geleden begon ik aan het Binnenhof als fractiemedewerker. Toen was Ferry Mingelen er al, als parlementair verslaggever voor dagblad Trouw. Met haar tot op de schouders, zo staat hij in het Tweede-Kamer-smoelenboek uit 1975 dat ik nog heb. Hij is wat dat betreft volhardend als Queen Elizabeth: onverstoorbaar, in zijn eigen woorden, voor de deur van de fractiekamer van het cda. Maar zulke mensen heb je wel nodig als het gaat om de vraag: wat betekent ons vak in deze tijd? Hoe oefenen wij ons vak uit? Doen we dat goed genoeg? Ons vak: journalistiek en politiek. Vandaar mijn vraag, in de geest van Van Westerloo en Van Amerongen: Wat zou de beschavingsmissie van de journalistiek in deze tijd moeten zijn?


Andrée van Es is wethouder voor GroenLinks in Amsterdam