De uitholling van Nederland: De oplossingen

‘Politici zijn zelf onderdeel van het probleem’

Na dertig jaar ontmanteling van de verzorgingsstaat hebben burgers het vertrouwen in de overheid verloren. Optrekken naar Den Haag om het tij te keren is niet genoeg. Professionals moeten opstaan tegen marktwerking in hun publieke diensten.

‘In het onderwijs vindt een harde selectie plaats tussen leerlingen die een kans in het leven krijgen en leerlingen die dat niet is vergund’ © Guido Benschop / De Beeldunie

De vrouw aan de balie van de huisartsenpraktijk in Leiden liet haar verontwaardiging luid en duidelijk horen. Al jarenlang schreef de dokter haar een specifiek soort maagzuurremmer voor: andere merken hadden bij haar bijwerkingen als misselijkheid en diarree. En nu kon dat opeens niet meer en moest ze aan een ander middel? Wilden ze haar soms misselijkheid en diarree bezorgen?

Haar huisarts, Abel Boels, kon zich maar al te goed in haar woede inleven, maar hij zat klem. De regionale zorgverzekeraar ZZ vergoedde nog maar één merk maagzuurremmer en dat was niet het vertrouwde medicijn. ‘Ik kon haar wel een recept voor dat middel meegeven, maar dan moest ze bijbetalen. Zo’n dertig euro per maand. Niet te doen voor iemand met alleen bijstand. Heel frustrerend: je wilt je best doen voor je patiënte, de relatie goed houden, maar in haar ogen ben je toch degene die ófwel haar op kosten jaagt, ófwel haar een medicijn opdringt waarvan ze zich beroerd voelt.’

Zo wurmt de instrumentele logica van de markt zich in de relatie die Boels met zijn patiënte onderhoudt, tot ergernis van beiden. In die logica, in de zorg geïntroduceerd met de invoering van de marktwerking in 2006, is de huisarts een zelfstandige ondernemer, een ‘zorgaanbieder’ die opereert op de ‘zorgmarkt’ en geacht wordt zijn collega’s als z’n concurrenten te zien. In deze context van vraag en aanbod verschijnt de patiënt als een klant die een product afneemt, maar dan wel graag tegen de laagst mogelijke prijs.

De winst is dat de medicijnkosten aanmerkelijk zijn gereduceerd. Het verlies manifesteert zich in de spreekkamer van de huisarts. Het behoort tot zijn beroepsethiek dat hij met ieder van zijn patiënten een bestendige zorgrelatie opbouwt. De aanpak zal per individu verschillen: niemand is hetzelfde, dus geduld, omzichtigheid en inlevingsvermogen zijn telkens weer geboden. ‘Je werkt heel persoonsgericht. Aan afvinklijstjes, algoritmes en prijstabellen heb je dan niets’, zegt Boels’ collega Jeroen Birnie, doelend op de uniformiteitsdwang die inherent is aan het systeem van de markt: hoe meer eenheid in de zorgverlening, hoe beter ze is te meten, controleren en calculeren.

Birnie wijst op het paradoxale effect: omdat op die zorgmarkt ook de verzekeraars met elkaar moeten concurreren, met het doel hun ‘klanten’ een zo laag mogelijk geprijsde polis te kunnen aanbieden, mogen zij in de spreekkamer als het ware over de schouder van de dokter meekijken. Fysiek kan dat niet, dus doen ze dat aan de hand van controlestaten die de arts zelf moet opmaken van al zijn verrichtingen. Op zijn beurt staat de arts onder toezicht of hij dat accuraat en naar waarheid doet. Het resultaat: het controlesysteem dat is bedoeld om de kosten te beheersen, moet tot een zo zware bureaucratie worden opgetuigd dat het een flink deel van het zorgbudget opslokt. Van elke tien gewerkte uren die een psychiater declareert, bijvoorbeeld, besteedt hij er gemiddeld vier aan rapporten en formulieren.

Net als de meeste van zijn collega’s weet Birnie in het systeem wel allerlei sluipweggetjes te vinden om zijn werk te doen zoals hij vindt dat een dokter dat moet doen, getrouw aan de beroepseed die hij heeft afgelegd. Zijn grootste ergernis is de commercialisering van de zorg, een van de gevolgen van de introductie van marktwetten in zijn vak. ‘Dat dendert maar door. Wat heeft het voor zin om in één wijk zes verschillende thuiszorgorganisaties te hebben? De vraag stellen is hem beantwoorden. De ene na de andere spataderkliniek opent de deuren. Waarom? Omdat je voor de behandeling van spataderen naar verhouding veel kunt declareren voor een relatief niet zo gecompliceerde ingreep.’

Tenzij je een psychische ziekte hebt of een oudere bent die tobt met zijn gezondheid – de groepen patiënten die het meest met wachtlijsten en personeelstekorten te kampen hebben – heb je in Nederland niet echt te klagen over de zorg. De kwaliteit is over het algemeen goed, iedereen is verzekerd en sinds 2006 behoort het onrechtvaardige klasse-onderscheid tussen ziekenfondspatiënten en particulier verzekerden tot het verleden. Toch moet je ziende blind en horende doof zijn om voorbij te gaan aan de ongerijmdheden en inconsequenties die het gevolg zijn van de marktwerking in de medische wereld. Bij beleidsmakers staat het zorgstelsel desondanks geen moment ten principale ter discussie. Zij bestrijden symptomen van een ontsporend systeem als incidenten. Zo zegde vvd-minister Bruno Bruins (Medische Zorg) in het debat over het faillissement van het ziekenhuis in Lelystad een veelheid van eenmalige maatregelen toe, om de ongerustheid van de inwoners te temperen, maar vermeed hij de principiële vraag: is het niet gek dat een publieke voorziening als een ziekenhuis zomaar bankroet kan gaan? >

In Medisch Contact verzuchtte Marcel Levi, oud-bestuursvoorzitter van het amc: ‘We weten zo langzamerhand allemaal wel dat het experiment “marktwerking in de gezondheidszorg” een dramatische flop is, maar desondanks zijn de evangelisten van de marktwerking niet van hun overtuiging af te brengen en betogen zij dat er nog veel méér marktwerking nodig is om succesvol te zijn.’

Wat Levi zegt over de gezondheidszorg gaat op voor meer publieke taken die de overheid ooit bewust van de markt afschermde, maar die ze daar nu in meer of mindere mate aan heeft overgeleverd: het geloof in marktwerking is hardnekkig, hoe vaak het ook contraproductief blijkt te zijn.

In dezelfde week dat het kabinet als een dief in de nacht een staatsbelang verwierf in Air France-KLM nam PostNl zijn laatste concurrent, Sandd, over en kwam er de facto een einde aan de geliberaliseerde postmarkt. De teneur in de analyses en commentaren was dat de flop van het neoliberalisme nu wel vaststond: het beleid van privatiseren, liberaliseren en taken afstoten naar de markt zou zijn langste tijd hebben gehad. Maar twee zwaluwen maken nog geen zomer. De inkoopactie van de staat bij Air France-KLM past naadloos in de neoliberale logica dat de overheid in haar handelen het economische belang voorop moet zetten. Met de transactie stelde de staat een commerciële activiteit veilig, geen publieke dienst. PostNl is weer de enige postbezorger in Nederland, maar daarmee is het spoor van verwoesting dat het bedrijf eerder, in de strijd om die alleenheerschappij, in de arbeidsvoorwaarden van de postbodes trok nog niet uitgewist.

‘Vroeger kon een postbode zijn gezin onderhouden, nu kan hij niet eens meer zichzelf bedruipen. Hij moet er minstens één baantje bij hebben’, zegt jurist en socioloog Kees Schuyt over de degradatie van dat beroep.

Bij nadere beschouwing leek de kentering van het neoliberalisme al eerder in te zetten, in 2008, bij het uitbreken van de financiële crisis. In die crisis bleek dat een kapitalistisch systeem dat onvoldoende door de overheid wordt beteugeld een economie acuut in een noodsituatie kan brengen. Overgeleverd aan de marktwetten zouden tal van banken zijn omgevallen, met een ineenstorting van het financiële systeem als gevolg. Overheden, die van Nederland, Ierland, Groot-Brittannië en Spanje voorop, voorkwamen dat bankroet door de banken met miljarden te voeden, of ze zelfs geheel of gedeeltelijk over te nemen.

Daarmee deden ze volgens econoom Anton Hemerijck wat ze tijdens de crisis van de jaren dertig hadden moeten doen: optreden als marktmeester om erger te voorkomen. De ontreddering die het falen van de overheden in de vooroorlogse crisisbestrijding teweegbracht in het leven van mensen bracht ze na 1945 tot inkeer: ze aanvaardden hun interveniërende rol in de economie. Dat was mede te danken aan de intellectuele autoriteit die macro-econoom John Maynard Keynes toen had over het politieke denken over de rol van de staat in de economie. Dat gezag brokkelde in de jaren zeventig, tachtig gestaag af, naarmate zich in de uitgedijde verzorgingsstaat de schaduwzijde van een al te groot staatsaandeel in de publieke diensten openbaarde. Het beleid nam daarop zijn neoliberale wending: meer markt, minder overheid.

Is met het overheidsingrijpen in 2008 de ‘oude meester’ Keynes teruggekeerd? Nee, zegt Hemerijck, hoogleraar aan het European University Institute in Fiesole. Hij spreekt van een ‘halve terugkeer van de meester’: na de acute reddingsactie van de banken vielen de overheden spoedig terug in het neoliberale handelingspatroon. ‘De Europese leiders waren het erover eens’, zegt Hemerijck, ‘dat hun overheden de grote schulden die ze bij de redding van de banken hadden gemaakt alleen met bezuinigingen op de publieke diensten konden verevenen. Zeker toen de ineenstorting van de Griekse economie het hele eurosysteem in zijn val dreigde mee te slepen, heerste de neoliberale mantra weer volop in het Europese beleid.’

Een daadwerkelijke terugdringing van de marktwerking stuit al gauw op gevestigde belangen

In Kapitaal in de 21ste eeuw, zijn baanbrekende boek over ongelijkheid, toonde Hemerijcks collega Thomas Piketty aan dat het kapitalisme na 2008 weer snel terugviel in het oude patroon van een groeiende ongelijkheid tussen de kapitaalbezitters en de mensen die van een loon of uitkering leven. De rekening van de crisis is vooral op de laatsten verhaald, in de vorm van hogere lasten en minder publieke voorzieningen. Vermogende mensen zijn de dans ontsprongen en er zelfs op vooruit gegaan.

De schijn bedriegt, zegt Herman Tjeenk Willink over de ogenschijnlijke kentering van het neoliberalisme. Ook de minister van Volksgezondheid Hugo de Jonge (cda) droeg aan dat beeld van een ommekeer bij toen hij sprak over de ‘doorgeschoten’ marktwerking in de thuiszorg. Hij deed die uitspraak in dezelfde week van het nieuws over Air France-KLM en PostNl. Tjeenk Willink, ontnuchterend: ‘Het feit dat er iets in het opinieklimaat verandert, betekent niet dat er iets in de machtsverhoudingen verandert.’ Een daadwerkelijke terugdringing van de marktwerking stuit al gauw op gevestigde belangen, op een normenpatroon dat na dertig jaar neoliberaal beleid diep in het ambtelijk apparaat is ingesleten en op het netwerk van kruisverbanden tussen overheid en markt. Volgens Tjeenk Willink, oud-vicepresident van de Raad van State, heeft de overheid de nauwe verbinding die ze tijdens de verzuiling met het particulier initiatief onderhield, ingeruild voor een sterke afhankelijkheid van de private sector. ‘De vraag of het marktdenken niet wezensvreemd is aan de publieke sector werd al die tijd bijna nooit gesteld’, meent hij.

De Leidse huisartsen Boels en Birnie kunnen daarover meepraten. Zij behoorden in 2015 tot de achtduizend huisartsen, zeventig procent van het totale aantal, die het protestmanifest Het roer moet om ondertekenden. Eis nummer één: verlos ons van die ‘verstikkende’ mededingingswet. ‘Inderdaad’, beaamt Birnie, ‘het klimaat is misschien anders, de machtsverhoudingen zijn dat niet. De gevestigde belangen zijn nog intact. En voor de wet ben ik nog steeds een ondernemer, een zorgaanbieder die op de zorgmarkt opereert.’

Meer bestaanszekerheid vergt dat de overheid in de sfeer van de publieke dienstverlening weer doet wat mensen van haar verwachten © Robin Utrecht / HH

In zijn boek Groter denken, kleiner doen vat Tjeenk Willink bondig samen hoe mensen de uitholling van de publieke diensten in Nederland ervaren: de overheid doet niet meer wat de burgers van haar verwachten. Kim Putters, directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau (scp), kenschetst het als een breuk in het ‘sociaal contract’, dat inhoudt dat mensen macht en invloed in handen van de overheid leggen, in het vertrouwen dat ze er enige steun en bescherming voor terugkrijgen op momenten in het leven dat ze daaraan behoefte hebben. Hoe die contractbreuk te herstellen? Hoe kunnen de publieke diensten worden teruggebracht in een staat waarin ze wél doen wat de burgers ervan verwachten?

In de woorden van Hemerijck: wanneer kunnen we spreken van een ‘volledige terugkeer van de meester’? Volgens hem houdt dat, getrouw aan het ideaal van Keynes, een rehabilitatie van de sociale markteconomie in: relatief hoge publieke uitgaven, niet te veel ongelijkheid, zo mogelijk volledige werkgelegenheid en een systeem van sociale bescherming en zekerheid. Hemerijck: ‘Dat geheel vormt het hart van de keynesiaanse macro-economie.’

‘Wat we nodig hebben is een inspirerend ideaal dat mensen weer vertrouwen in de toekomst geeft’, zegt socioloog Godfried Engbersen, hoogleraar aan de Erasmus Universiteit en lid van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (wrr). ‘Vooruitgangsoptimisme is een drijvende kracht. Een samenleving zonder vooruitgangsoptimisme is een samenleving die stilstaat.’

Het gevoel van stagnatie, zelfs angst om sociaal naar beneden te vallen, heerst niet alleen onder het ‘precariaat’ van laagstbetaalden en mensen met een half baantje, maar doortrekt ook de middengroepen steeds meer. Dat bleek uit De val van de middenklasse?, een van de wrr-studies waaraan Engbersen meewerkte. ‘Bij een aanmerkelijk deel van bevolking heerst de gedachte: ik moet uitkijken dat ik niet achteruit ga’, zegt hij. ‘Dat signaleerden we het duidelijkst bij de middengroepen. Was voor hen lange tijd de vooruitgang vanzelfsprekend, nu heerst daar dalingsangst. The fear of falling, zeggen ze in de Angelsaksische wereld, la peur du déclassement in Frankrijk, Abstiegangst in Duitsland.’ De conclusie die hij daaruit trekt voor het helen van de contractbreuk: ‘Volgens mij kun je dat angstige gevoel van mensen – ik zit vast en als ik niet uitkijk zak ik weg – alleen het hoofd bieden door hun weer wat meer houvast en zekerheden te bieden, in de sfeer van publieke diensten als zorg, onderwijs, huisvesting, kinderopvang, sociale zekerheid. In het Nederland van nu brokkelt dat publieke kapitaal juist steeds verder af.’

Hij somt op: ‘Van ooit deugdzame instellingen, een steunpilaar van onze verzorgingsstaat, werden woningcorporaties op winst gerichte bedrijven die riskante, speculatieve investeringen deden terwijl de directeur met een torenhoog salaris naar huis ging. Daar is gelukkig verandering in gekomen. Maar verder? Ziekenhuizen worden gesloten. Het onderwijs kampt met een lerarentekort, en docenten die het wél volhouden gaan gebukt onder een zware werkdruk. Kinderen van gegoede ouders hebben daar geen last van: voor hen zijn er steeds meer dure, private scholen. De universiteit? Je hebt als hoogleraar allengs minder de gelegenheid je onderwijs goed te verzorgen, zozeer sta je onder druk om geld voor onderzoek binnen te harken. Ik voelde me aan de Erasmus Universiteit net een handelsreiziger in onderzoek. Vroeger kreeg je nog een onderzoeksbudget van je universiteit, nu moet je dat geld elders halen, bij nwo, in Europa, bij overheden en bedrijven.’

Meer bestaanszekerheid vergt, beaamt Engbersen, dat de overheid in de sfeer van de publieke dienstverlening weer doet wat mensen van haar verwachten. Zo’n herstel van vertrouwen in de overheid, beklemtoont hij, vergt allesbehalve een terugkeer naar de verzorgingsstaat die hij zich uit zijn jeugd herinnert: ‘Migranten hadden toen, in de jaren zeventig, tachtig, moeite om hun recht te halen, terwijl hoogopgeleide krakers uit de bijstand een basisinkomen verwierven om hun actiebestaan te financieren.’ De verzorgingsstaat was een ‘fatale remedie’, zegt Engbersen, voor mensen die in de sociale zekerheid gevangen raakten. ‘Hele groepen mensen zijn toen gewoon uitkeringsverslaafd geraakt, om het zo te zeggen. Dat ondermijnde op den duur het hele sociale systeem. Was de verzorgingsstaat na de oorlog een beschaafde uitvinding, een manier om een fatsoenlijke samenleving in stand te houden, nu was hij zijn legitimiteit aan het verspillen.’

Hij onderschrijft daarom het pleidooi van Kees Schuyt voor een ‘goed bewaakte’ verzorgingsstaat, beter nog: sociale rechtsstaat. In de tijd dat de verzorgingsstaat allengs verder uitdijde en het brandpunt vormde van de politieke strijd verloren de antipoden in het debat, pvda en vvd, volgens Schuyt de nuances uit het oog. De liberalen deden ook reële noden van mensen af als particuliere wensen waar de overheid geen boodschap aan had. De sociaaldemocraten schoten naar de andere kant door: zij transponeerden particuliere wensen al gauw tot rechten op ondersteuning door de overheid. Schuyt is voor een scherp onderscheid. Tot de noden behoren de behoeften die moeten worden gelenigd om een ‘decent bestaan’ te kunnen leiden. De overheid heeft daarin een verantwoordelijkheid. Dat laatste geldt niet voor wensen: dat wat het bestaan in consumptieve zin prettiger kan maken, maar wat je ook kunt missen. >

Het zou voor de hand hebben gelegen om bij de ontmanteling van de verzorgingsstaat vanaf de jaren tachtig dat onderscheid tussen noden en wensen te maken, betoogt Schuyt, zodat duidelijk zou zijn geweest waar de verantwoordelijkheid van de overheid begint en waar ze ophoudt. Dat is niet gebeurd, constateert Schuyt: ‘De race to the bottom dreigt nu wel degelijk. Het afscheid van de verzorgingsstaat gaat gewoon gepaard met een herverdeling van levenskansen. De onderkant krijgt minder, de bovenkant kan zijn gang gaan.’

In het debat over de mate waarin de overheid moet terugkeren in de publieke diensten zijn die begrippen ‘noden’ en ‘wensen’ nog steeds nuttige handvatten, vindt Schuyt: ‘Alleen al om de economen de wind uit de zeilen te nemen die ontkennen dat er noden bestaan. Dat vinden ze maar een normatief begrip, niet zo objectief als de “gearticuleerde vraag” volgens hen is. Als zij die vraag niet kunnen meten, zijn er ook geen noden, redeneren zij. Onzin, natuurlijk. Kijk om je heen en zie: noden bestaan. Daaraan moet de overheid iets doen, want het is moeilijk je leven daadwerkelijk zelf in te richten als zij je tot zelfredzaamheid dwingt en je met al je noden laat barsten. De voorwaarde is wel: bewaak de grens tussen noden en wensen scherp!’

Hij zegt het woord ‘verzorgingsstaat’ bij voorkeur te vermijden, vanwege de associaties die dat oproept. ‘Ik pleit liever voor het serieus nemen van de sociale rechtsstaat zoals we die in de grondwet hebben gecodificeerd: het geheel van rechten in de sfeer van zorg, onderwijs, sociale zekerheid, volkshuisvesting, waarmee mensen hun kansen in het leven kunnen vergroten. Door de langdurige dominantie van het neoliberale dogma in haar handelen heeft de overheid haar verantwoordelijkheid voor het waarborgen van die rechten verwaarloosd.’

‘Een hele generatie politici, bestuurders en ambtenaren is opgevoed in het denken in termen van de overheid als bedrijf’

Volgens filosoof en psycholoog Peter van Lieshout, oud-raadslid van de wrr en hoogleraar in Utrecht, was destijds de fout van de verzorgingsstaat dat hij mensen die uit het arbeidsproces wegvielen met geld compenseerde en hun verder weinig anders bood. Van Lieshout: ‘Een systeem van redistributie van geld was in die tijd het geraamte van de verzorgingsstaat. De gedachte was om mensen via de WW of de wao in staat te stellen hun sociale status te behouden: de uitkering was zo hoog dat ze bijvoorbeeld niet hoefden te verhuizen. Een sympathieke gedachte, maar het is toch ook technocratische politiek om problemen alleen met het uitkeren van geld te lijf te gaan. Mensen willen een betekenisvol perspectief in het leven hebben, het gevoel dat ze deelnemen aan de samenleving, dat ze zich nuttig kunnen maken. Dan helpt het niet als de overheid hun zegt: jammer dat u geen werk hebt, dat er geen huis voor u is, dat uw kinderen naar een slechte school gaan, maar we kopen dat gemis wel af met geld. Mensen willen gewoon dat de publieke voorzieningen op orde zijn.’

‘Stel je eens voor dat de huisartsen en masse zeggen: we trekken meer tijd uit voor onze patiënten, dus wég met die Mededingingswet in onze spreekkamer’ © Kees van de Veen / HH

De verzorgingsstaat-nieuwe stijl die Godfried Engbersen voor zich ziet vermijdt de oude fouten. Hij maakt mensen niet blijvend afhankelijk van steun, maar geeft hun het vertrouwen dat ze erop vooruit zullen gaan in hun persoonlijke leven. ‘De mensen moeten ervan op aan kunnen: de voorzieningen die mij in staat stellen mijn lot te verbeteren, die voor mij sociale stijging mogelijk maken, die zijn er als ik ze nodig heb. Dat is een stimulans voor optimisme. Daar komt bij: als mensen weten dat er onder hun bestaan een zeker minimum aan zekerheid ligt, dan durven ze ook meer risico’s te nemen. In de moderne tijd met al die dynamiek en snelle veranderingen, ook in zo’n essentiële bestaansvoorwaarde als werk, hebben de mensen zo’n basiszekerheid nodig, want dan durven ze eerder onzekere wegen in te slaan. Dat klinkt paradoxaal, maar het is volgens mij wel zo.’

Engbersen ziet dat vermoeden bevestigd in onderzoek dat Hemerijck en zijn collega’s van het European University Institute uitvoerden naar het verband tussen de kwaliteit van de verzorgingsstaat en de economie. Hemerijck: ‘Daaruit blijkt dat een zwak sociaal vangnet géén goede voorwaarde is voor een concurrerende economie. Uit de index die het World Economic Forum jaarlijks publiceert kun je opmaken dat de landen met relatief hoge publieke uitgaven, weinig ongelijkheid en een hoge arbeidsparticipatie de meest competitieve in de westerse wereld zijn. Dus de Scandinavische landen, Duitsland en Nederland scoren aanmerkelijk beter dan landen met een kleine publieke sector en een grote ongelijkheid, zoals de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk. Dat is een ervaringsfeit waaruit we lering zouden moeten trekken, ook voor de toekomst. Een sociale markteconomie op deze manier ingericht is misschien wel het beste model voor de 21ste eeuw.’

In het Europese financieel-economische beleid wordt dat ervaringsfeit volgens Hemerijck evenwel ‘cognitief genegeerd’, zegt hij: ‘Dat Stabiliteits- en Groeipact, met zijn strikte richtlijnen voor het financieringstekort en de staatsschuld van de eurolanden, is geïnspireerd door het neoliberale dogma: flexibiliseren, liberaliseren, privatiseren, bezuinigen op sociale bescherming. Daar spreekt een miskenning van het belang van overheidsvoorzieningen uit, niet alleen van de harde infrastructuur maar ook van de zachte: de zorg, de kinderopvang, de sociale zekerheid, het onderwijs. Het is moeilijk te overschatten hoezeer zulke voorzieningen bijdragen aan de kenniseconomie en aan haar productiviteit en concurrentiekracht.’

In het boek Why We Need a New Welfare State uit 2001, waarin hij samenwerkte met onder anderen Gøsta Esping-Andersen, een autoriteit in het denken over de sociale markteconomie, muntten Hemerijck en zijn co-auteurs de term ‘sociale investeringsstaat’. Hemerijck: ‘Met de komst van de sociale investeringsstaat kun je zeggen, om dat beeld nog een keer te gebruiken, dat de meester meer in beeld komt, maar dan wel in een moderne gedaante. In de eerste plaats geldt dat hij de verzorgingsstaat niet volledig bij het oud vuil heeft gezet, zodat mensen die in slechte tijden buiten het arbeidsproces geraken niet direct in armoede vervallen. In de tweede plaats brengt hij de arbeidsparticipatie op een zo hoog mogelijk niveau, door de investeringen in publieke voorzieningen af te stemmen op de levensloop van mensen. Dus de overheid steekt flink wat geld in kinderopvang en onderwijs, om mensen toe te rusten en door die drukke levensfase te loodsen waarin zij hun kinderen thuis hebben, en ook flink wat in voorzieningen voor permanente educatie, om hun voor langere tijd een kansrijke positie op de arbeidsmarkt te bezorgen. In de sociale investeringsstaat is het moderne gezin dus het ijkpunt voor het beleid.’

Het bewijs voor het tegendeel van Hemerijcks bevindingen over landen met hoge publieke uitgaven en weinig ongelijkheid vind je in de VS. De almaar groeiende ongelijkheid in dat land blijkt steeds meer mensen op te sluiten in hun eigen klasse. Geen ander westers land kent een kleinere kans op sociale stijging dan Amerika, in weerwil van het geijkte beeld dat je je daar, als je maar wilt, van krantenjongen tot magnaat kunt opwerken. Die Amerikaanse droom is in letterlijke zin een droom, want de werkelijkheid is anders. Dat geldt ook andersom. De landen met de minste ongelijkheid, in Scandinavië, vertonen de grootste sociale mobiliteit.

‘De noodzaak van sociale investeringen zie je op spiegelbeeldige wijze aangetoond in de VS’, zegt Hemerijck. ‘Ook de arbeidsparticipatie loopt daar steeds verder terug, mede als gevolg van falend onderwijs. De kwaliteit van het onderwijs blijft achter bij het scholingsniveau dat is vereist voor de moderne kenniseconomie. Alleen als je veel geld hebt kun je in de VS nog goed onderwijs krijgen.’

Het beperken van de mogelijkheden om op de middelbare school over te stappen naar een niveau hoger is in Hemerijcks ogen een voorbeeld van kortzichtig bezuinigen op de verzorgingsstaat. Hoe eerder leerlingen uit het onderwijssysteem vertrekken, hoe minder ze de overheid kosten, is volgens hem de stilzwijgende en cynische redenering achter dat beleid. ‘De gedachte achter de Mammoetwet van de jaren zestig was om het leerlingen gemakkelijker te maken van mavo naar havo te switchen en daarna wellicht naar het vwo. Dat verruimde hun kansen in het leven. Waarom zijn die overgangen zo afgekneld? Gewoon, puur uit misplaatste zuinigheid van de overheid. In onze kenniseconomie is goedkoop hier echt duurkoop. Ik vind het superbelangrijk dat we dat oorspronkelijke idee achter de Mammoetwet rehabiliteren.’

Van Lieshout zegt kortweg: ‘Onderwijs was de grote emancipatiemachine, en is nu de grote segregatiemachine aan het worden.’ Hij voegt eraan toe: ‘En daar heeft de overheid nog niet het begin van een antwoord op gegeven.’ Hij noemt de toenemende segregatie, oftewel het wegvallen van verbindingen tussen mensen, een van de grote problemen van deze tijd: ‘We zijn steeds minder verbonden met mensen die net even anders zijn dan wij. De kosmopolitisch ingestelde mensen, met een groot cultureel kapitaal, een goede opleiding en een hoog inkomen, wonen in hun eigen wijken, gaan naar dezelfde schouwburg, zijn lid van de dezelfde sportvoorzieningen en hebben hun eigen politieke partijen en eigen internetkanalen. Het contact met andere sociale groepen is meestal functioneel, veel dieper gaat het niet. En vice-versa geldt dat ook.’

Er is volgens hem een direct verband tussen de afzondering die mensen in hun eigen sociale sfeer zoeken en de segregatie in het onderwijs. ‘Ik kan het dieper worden van de scheidslijnen niet los zien van het feit dat zo ongeveer alle brede scholengemeenschappen zijn opgegeven. De kinderen op de middelbare school fietsen steeds meer kilometers om naar een school te gaan die past bij hun eigen, sociaal homogene groep.’

Hij beschrijft hoe de scheiding tussen leerlingen uit de ene en uit de andere sociale laag zich al op hun vierde voltrekt. ‘Op het moment dat ze voor het eerst naar school gaan. De grote ongelijkheid wordt vanaf jaar één in het onderwijs gemaakt. Ik vraag me af of er een ander land in Europa is waar de kwaliteitsverschillen tussen de scholen zo groot zijn als in Nederland. Het resultaat is dat het advies dat de school een kind op z’n twaalfde meegeeft voor zijn middelbare-schoolopleiding net zo veel zegt over de intelligentie van het kind als over de kwaliteit van die school. Stel je voor dat mijn gezondheidstoestand evenveel zegt over mijn lichaam als over de kwaliteit van mijn dokter – nou, dan zou ik toch direct een andere dokter willen.’

Toch toont de overheid zich terughoudend in pogingen deze segregatietendens het hoofd te bieden, constateert Van Lieshout: ‘In Nederland hebben we sterk het gevoel dat we van het onderwijs moeten afblijven. De overheid heeft genoeg mogelijkheden om brede schoolgemeenschappen te doen herleven, maar laat dat na. Als ze zich al met de structuur van het onderwijs bemoeit, dan doet ze dat met detailregelingen. Die terughoudendheid heeft waarschijnlijk iets te maken met onze traditie van onderwijsvrijheid en met de kater die eerdere onderwijshervormingen de politiek hebben bezorgd. Het gevolg is wel, om het eens bot te zeggen, dat er in het onderwijs een harde selectie plaatsvindt tussen leerlingen die een kans in het leven krijgen en leerlingen die dat niet is vergund.’

Van Lieshout zegt dat het zelfbeeld dat jongeren hebben mede door dit selectieproces wordt beïnvloed. ‘Je hoort vaak dat ouders vrezen dat hun kinderen het slechter zullen hebben dan zij. Waar ik echt treurig van word: sommige kinderen verwachten dat zelf óók. Praat maar eens met leerlingen op een vmbo. Ze zeggen van zichzelf: ik kan blijkbaar niet zo veel. Voor hen voltrekt het leven zich. Ze zitten de tijd uit, in de hoop dat er toch nog iets leuks op hun pad komt.’

In zijn huis in Den Haag kijkt Herman Tjeenk Willink zijn gesprekspartner een beetje meewarig aan. De vraag was wat we van de politiek mogen verwachten in het keren van het uithollingsproces dat zich in de publieke diensten van Nederland voltrekt. De oud-vicepresident van de Raad van State antwoordt: ‘Optrekken naar Den Haag en de politiek zeggen dat ze nu anders moet gaan functioneren… dat alleen heeft weinig zin. Wat telt is het alternatief. En dan gaat het niet alleen om geld, maar om erkenning van professionaliteit en vertrouwen. Een hele generatie politici, bestuurders en ambtenaren is opgevoed in het denken en spreken in termen van de overheid als bedrijf, met kosten en baten. Voor velen is de taal van de democratische rechtsorde een vreemde taal geworden. Politici zijn dus zelf onderdeel van het probleem.’

Hij vervolgt: ‘De politieke macht moet je benaderen via een tegenmacht en dan is de vraag hoe je dat het beste doet. Ik zou zeggen: met alternatieven van onderop. De meeste politici en bestuurders hebben tot nu toe een blinde vlek voor uitvoerbaarheid en uitvoering. Ik heb het dan over het dagelijkse werk van artsen, onderwijzers, politieagenten, de mensen die we “professionals” noemen. Hoe hun tegenmacht zich kan manifesteren? Nu, stel je eens voor dat de huisartsen en masse zeggen: we laten de vertrouwensrelatie met onze patiënten niet meer onder druk zetten. Die relatie is de kern van onze professie. Dáár staan we voor. Dáártoe verplicht onze artseneed ons. We zijn geen concurrerende ondernemers op zoek naar zo veel mogelijk “klanten”. We verdoen onze tijd niet meer aan al die overbodige administratie en we trekken – als dat nodig is – meer tijd uit voor onze patiënten en willen ten behoeve van die patiënten samenwerken. Dus: wég met die Mededingingswet in onze spreekkamer.’


Dit is het tweede en laatste deel van Marcel ten Hoovens analyse van de uitholling van Nederland. Het eerste deel lees je hier