Simon Stevin

Politiek als burgerschapskunde

Simon Stevin, Het burgherlick leven.
Gepresenteerd en toegelicht door Pim den Boer, hertaald door Anneke Fleurkens, Uitg. Bijleveld, 223 blz., ƒ39,90

In zijn onlangs verschenen, magistrale Radical Enlightenment schildert Jonathan Israel Spinoza als de Urheber van de Verlichting. In verreweg de meeste literatuur wordt, veelal afhankelijk van de nationaliteit van de auteur, Frankrijk of Engeland gezien als bakermat van het moderne denken. Toch speelde ook de Republiek der Nederlanden een zeer belangrijke rol. Niet alleen omdat ze een toevluchtsoord was voor denkers als René Descartes, John Locke en Pierre Bayle, of omdat er boeken konden worden gedrukt en uitgegeven die elders op de index stonden. Maar ook omdat er nogal wat Nederlandse denkers en geleerden internationaal zeer beroemd of — in het geval van Spinoza — berucht waren. Hugo de Groot en Justus Lipsius waren eersterangs figuren op het intellectuele toneel.
Toch zijn deze humanisten, die vooral veel invloed hadden op de politieke theorievorming, enigszins in vergetelheid geraakt, terwijl Nederlandse natuurwetenschappers uit deze periode, zoals Huygens, Van Leeuwenhoek, Swammerdam en Boerhaave, meer aandacht hebben getrokken. Het praktische, empirische onderzoek hoorde blijkbaar meer bij Nederland dan het abstracte filosoferen over de menselijke natuur of het juiste politieke stelsel.
In het rijtje met natuurwetenschappers en uitvinders hoort uiteraard ook de naam van Simon Stevin thuis. De man die een zeilwagen construeerde waarmee een vorstelijk gezelschap in twee uur van Scheveningen over het strand naar Petten reed; die tal van uitvindingen op het gebied van de waterhuishouding deed; die belangrijke geschriften over de mechanica, het decimaal stelsel, het wegen en het rekenen op zijn naam had staan; en die een groot propagandist was voor het gebruik van het Nederlands als taal van de wetenschap. Veel minder bekend is dat Stevin tevens een opmerkelijk politiek denker was.
In 1590 verscheen Stevins Het burgherlick leven bij de Leidse drukker Frans van Ravelingen, schoonzoon van Plantijn. In dit bescheiden ogend boekje, waarvan nu een voorbeeldig becommentarieerde en hertaalde uitgave is verschenen, beschreef Stevin de rechten en plichten van de bewoners van een «burgerlijke» maatschappij. Een burger (Stevins vertaling van de in die tijd gebruikelijke Latijnse term politicus) was iemand die zich binnen het kader van de geldende wetten «zodanig gedraagt dat zijn bestaan voor de gemeenschap de meeste rust en welzijn met zich meebrengt».
De «burgerregel» waaraan iedereen zich diende te houden, luidde volgens Stevin als volgt: «Een ieder dient altijd diegenen als zijn rechtmatige overheid te beschouwen die op dat moment metterdaad regeren over de plaats die hij tot zijn woonplaats verkiest, zonder zich erom te bekommeren of zij of hun voorgangers terecht of ten onrechte die positie verworven hebben.» Met andere woorden: als het je niet bevalt dan rot je maar op!
Wat voor ons onaanvaardbaar lijkt, was in de tijd van Stevin, en in de eeuwen ervoor, een algemeen geaccepteerde gedachte. De onderdaan diende het boven hem gestelde gezag lijdzaam te aanvaarden. Vanaf de Middeleeuwen werd dit legitimiteitsbeginsel verdedigd met een beroep op het goddelijk recht. De vorst heerste immers «bij de gratie Gods».
Stevin daarentegen gaf een andere reden voor de aanvaarding van het gezag: elke vorstelijke dynastie is ooit met geweld, en dus on recht matig, aan de macht gekomen, hetgeen ook gold voor elke republiek. De vraag wie in een land nu de «wettige» heerser zou zijn, was een bron van conflicten en burgeroorlogen. Vandaar dat Stevin datgene huldigde wat in de politieke wetenschap bekend staat als het de facto-principe. Als grondlegger van deze opvatting wordt vaak Thomas Hobbes genoemd, of enkele andere theoretici uit de tijd van de Engelse burgeroorlog. Stevin formuleerde deze visie echter al een halve eeuw eerder.
Overigens is er wel een duidelijke overeenkomst tussen het moment waarop Stevin dit beginsel formuleerde en waarop Hobbes dit deed. In 1590 had de Republiek nog maar kort geleden gebroken met de heerschappij van Filips II en moest zij haar bestaansrecht nog bewijzen. Toen Hobbes zijn Leviathan schreef was de Engelse koning onthoofd en was het onduidelijk bij welke persoon of instelling de macht uiteindelijk zou berusten. In beide landen was de legitimiteit van het gezag dus hoogst dubieus. Een andere overeenkomst tussen Stevin en Hobbes is dat hun beider wereldbeeld zeer utilitaristisch en rationalistisch was. Bij Stevin blijkt dat duidelijk uit het zesde hoofdstuk van Het burgherlick leven, getiteld «Of religie nodig is.» Voor de gelovige is deze vraag alleen al pure blasfemie, maar Stevin gaat er serieus op in. De «vreze Gods» was volgens hem het meest probate middel om kinderen tot deugdzame burgers op te voeden en de mensen op het rechte pad te houden. «Daarom, voor het geval dat uw hart zegt ‹Er is geen God› — wat verschrikkelijk is — laat uw mond dan zwijgen omwille van uw kinderen, die u graag in eer en deugd zou zien opgroeien, en omwille van de gemeenschap, wier welvaren ook het uwe is. Want wat is er dwazer dan moedwillig datgene te verstoren en te verhinderen wat men zelf hevig begeert?» Ook had Stevin weinig geduld met de in zijn tijd heftig oplaaiende godsdiensttwisten. Al dat gezeur over wat nu de «ware» godsdienst was. Je had je gewoon aan te passen aan de heersende godsdienst, en als je dat niet kon, vertrok je maar naar een land waar ze jouw religieuze opvattingen deelden. En als zo'n land er niet was? Nou, dan trok je toch gewoon het oerwoud in!
Stevins wijze van argumenteren maakt zijn geschrift zo opmerkelijk. De meeste zestiende-eeuwse politieke traktaten staan nog duidelijk in de traditie van het humanisme. Volgens Pim den Boer, die Stevins boekje heeft voorzien van een handige inleiding en een uiterst informatief nawoord, was het geen toeval dat Het bur gherlick leven verscheen kort nadat de beroemde Leidse hoogleraar Justus Lipsius zijn Politicorum sive civilis doctrinae libri sex had gepubliceerd. Lipsius was een typische humanist, volgens Montaigne «le plus savant homme qui nous reste», die zijn betoog op uitputtende wijze onderbouwde met Latijnse citaten. Uitspraken van klassieke auteurs waren voor Lipsius overtuigende bewijzen, terwijl het voor Stevin simpelweg beweringen waren, die net als beweringen van andere stervelingen dienden te worden getoetst aan de feiten. Dat reeds Homerus een bepaalde stelling had verdedigd, maakte op Stevin geen enkele indruk. Waar het op aankwam, was het wetenschappelijk bewijs.
Maar er waren meer verschillen tussen Lipsius en Stevin. Waar Lipsius politiek be schouw de als de kunst van het regeren, en hierbij een uiterst autoritaire staatsopvatting huldigde, zag Stevin politiek als burgerschapskunde. Terwijl Lipsius vooral schreef over hoe de machthebber zich diende te gedragen, concentreerde Stevin zich op de rechten en plichten van de onderdaan. Lipsius had grote waardering voor Machiavelli, hoewel hij het betreurde dat deze niet altijd het «pad der deugd» wees.
Stevins veroordeling van de grote Florentijnse politiek filosoof was heel wat cynischer. Machiavelli had immers geschreven dat de heerser moest proberen om «uitwendig een eerlijk man te schijnen», maar dat het niet nodig was dat ook in werkelijkheid te zijn. Om aan de macht te blijven diende de vorst de kunst van het veinzen tot in de perfectie te beheersen. Lipsius had grote moeite met dit standpunt, maar Stevin vond het niet meer dan logisch dat een vorst af en toe zijn toevlucht nam tot minder fraaie middelen. Alleen was het bijzonder onverstandig om daar zo openlijk over te spreken als Machiavelli deed. Waarom zouden de onderdanen vertrouwen schenken aan een heerser die er prat op gaat onbetrouwbaar te zijn?
Tot slot is er nog een groot verschil tussen Stevin en humanisten als Lipsius, en dat is de taal waarin zij schreven. Geleerden schreven in die tijd in het Latijn. Dat had niet alleen als voordeel dat er geen taalbarrière was, ook schermde men het domein van de geleerden af van het volk, dat slechts de inferieure streektaal beheerste. Gaandeweg waren er in de zestiende eeuw auteurs gekomen die afweken van deze gewoonte. Machiavelli schreef in het Italiaans en Montaigne in het Frans. Stevin was een fervent voorstander van het gebruik van het «Nederduits» als wetenschapstaal. Niet alleen kon zo de kloof tussen wetenschap en onderwijs worden gedicht; het Nederlands was volgens hem zelfs superieur aan het Latijn en het Grieks.
Hoezeer het een noviteit was om een theoretische verhandeling als Het burghrerlick leven in het Nederlands te schrijven, blijkt uit het feit dat Stevin het noodzakelijk achtte om in de marge de voor andere geleerden «vreemde» Nederlandse begrippen te vertalen in het Latijn. Zo kon een neo-latinist als Lipsius lezen dat Stevin met «burgerlijk leven» de vita politica bedoelde, en dat het neologisme «rechtsgeleerden» de plaats had ingenomen van het vertrouwde Iurisconsulti. Naast alle andere verdiensten die het boekje van Stevin heeft, is het ook nog eens een belangrijk taalmonument.