Het fotoarchief van Brochard

Politiek als een blinde vlek

Het archief van architect Walter Borchard bevat twaalfduizend foto’s die samen een haarscherp beeld oproepen van Duitsers die het voorrecht genoten te zien en gezien te worden. En soms hun blik af te wenden.

«Alles nur Familienscheisse.» Met die woorden drukte een Berlijnse uitdrager begin dit jaar een doos met zwartwit-negatieven in handen van Sebastian Düwelt. De beeldend kunstenaar had terloops naar de inhoud geïnformeerd en omdat de doos toch maar in de weg stond, mocht hij hem voor niets meenemen. Toen Düwelt samen met zijn vriend Ritz Mollema, een in Berlijn woonachtige Nederlandse journalist, de verzameling inspecteerde, bleek die te bestaan uit meer dan twaalfduizend negatieven.

De meeste opnamen tonen taferelen uit het dagelijks leven in Hitlers Reichshauptstadt. De negatieven waren chronologisch geordend van 1936 tot 1946 en over het geheel genomen van goede kwaliteit. Uit begeleidende papieren werd duidelijk wie de maker moest zijn geweest: Walter Borchard, van beroep architect en woonachtig in de wijk Wilmersdorf. Sinds zijn dood had de verzameling meer dan een halve eeuw op een Duitse zolder gelegen zonder dat er een haan naar kraaide.

Mollema en Düwelt zijn nu in onder handeling met Duitse archieven en experts teneinde de collectie verantwoord onder te brengen. Inmiddels zijn alle negatieven gescand, maar de systematische ontsluiting moet nog beginnen. De vorderingen van Mollema en Düwelt zijn te volgen op hun website www.world-wide-moving-ima ges.de.

In zijn geheel vormt het fotoarchief een belangrijk document, ook al zijn de afzonderlijke foto’s vaak niet meer dan «kiekjes». Het zijn inkijkjes in het dagelijks leven van welvarende Duitsers onder het Derde Rijk, zonder pretentie of boodschap en daardoor welsprekend. Ze tonen familieuitstapjes, personeelsfeestjes, straatbeelden en vakanties in de sneeuw. Maar ook de feestelijk versierde straten tijdens een staatsbezoek van Benito Mussolini, het interieur van de Reichskanzlei, wachtkamers met staatsie portretten van Hitler en Göring en zorgvuldig opgemaakte dinertafels onder de hakenkruisvlag, geflankeerd door stoelen die stramm und strack in het gelid staan.

Op het eind van de oorlog, wanneer Berlijn wordt platgebombardeerd en door de Russen ingenomen, worden de beelden grimmiger. Maar ook dan lijkt Borchard de volle betekenis van datgene wat zich voor zijn ogen ontrolt te ontgaan. Hij heeft meer aandacht voor de uitgebrande auto van zijn buren of het artistieke profiel van kapot gebombardeerde gebouwen dan voor de mensen die daartussen een goed heenkomen zoeken. Albert Camus schreef ooit dat mensen die geen karakter hebben zich bij gebrek aan beter een methode aanmeten. Borchard lijkt geheel aan die beschrijving te voldoen. Zijn foto’s zijn doorgaans scherp, de compositie klopt, maar de ziel ontbreekt.

Hij had de gewoonte om de eerste foto van elk rolletje te wijden aan zijn scheur kalender of de voorpagina van de krant van die dag. Zodoende zijn de foto’s vrij nauwkeurig te dateren. Hij vond het kennelijk niet nodig ze ook nog van eigen commentaar te voorzien. Het geeft de collectie een ongrijpbare kwaliteit die door het contrast met de grote gebeurtenissen van zijn tijd wordt versterkt. De Berlijnse historicus en judaïca-expert Hermann Simon zocht bijvoorbeeld tussen de foto’s uit 1938, het jaar van de Reichskristallnacht, tevergeefs naar afbeeldingen die voor hem van bijzonder belang waren: «Ik vond geen enkele aanwijzing die voor de joodse gemeenschap interessant kan zijn, zoals beeldmateriaal van personen of synagoges, uitgebrande winkels of incidenten.»

Meer in het algemeen ontberen Borchards foto’s elke vorm van drama. Ze ademen de «beklemmende normaliteit» waarvan de dagboeken en romans van tijd genoten als Viktor Klemperer, Walter Kempowski of Heinrich Böll doortrokken zijn. Met dit verschil dat de maker die normaliteit kennelijk niet als beklemmend ervoer. Hij is de grote afwezige in zijn eigen foto’s, te meer daar er over zijn persoonlijke leven en carrière weinig bekend is. Door de trage werking van de Duitse bureaucratie en de lacunes in de naoorlogse bevolkings registers blijkt het vooralsnog onmogelijk verwanten of nazaten van hem op te sporen. Uit kadastergegevens is op te maken dat Walter Artur Gustav Borchard in 1887 werd geboren in het Baltische Stettin en het grootste deel van zijn leven doorbracht in Berlijn waar hij in 1948 overleed. Hij trouwde in 1923, maar bleef waarschijnlijk kinderloos.

Borchard behoorde tot de lichting architectonische vernieuwers in het voetspoor van de Bauhaus-groep. Hij legde zich aanvankelijk toe op sociale woningbouw en was betrokken bij de vooruitstrevende Bauhütten-beweging van coöperatieve woningstichtingen. Van 1926 tot 1930 realiseerde hij voor het eerst een eigen ontwerp: de wijk «Am Treptower Park», bestaande uit ruime etagewoningen met opengewerkte balkons en trapportalen en lommerrijke binnenplaatsen die ook vandaag nog voor veel geld van de hand gaan. Sindsdien was hij een man in bonis, zo blijkt uit de opnamen van zijn statige architectenbureau, zijn vakantiehuis met uitzicht op het water, zijn maatpakken, de Mercedes waarin hij rondreed en de cabarets die hij frequenteerde.

Na 1933 werden de Duitse architekten ingedeeld bij de Reichskulturkammer van Joseph Goebbels. Alles wijst erop dat Borchard zich zonder problemen aanpaste en bouwopdrachten van de nazi’s aannam, hoewel het hem ontbrak aan zichtbaar enthousiasme; de politiek was eenvoudig een blinde vlek op zijn lens.

Zo documenteerde hij in 1936 nauwkeurig de bouw van een kapitale villa waarover hij de leiding had. Terwijl Hitler het Rijnland remilitariseerde en de Olympische Spelen tot een propaganda succes maakte, Mussolini Ethiopië binnenviel en de Duitse joden allengs uit het openbare leven werden geweerd, legde Borchard met liefde alle stadia en details van zijn bouwproject vast, van de metselpatronen van de buitenmuren tot en met de halsbrekende toeren van de dakdekkers. Het bereiken van het hoogste punt werd uitbundig gevierd. Terwijl het personeel voor de groepsfoto poseerde, wapperde naast de lauwerkrans op de nok van het huis pontificaal de hakenkruisvlag.

Buitengewoon intrigerend is Borchards foto van een groepje mannen in een Berlijns schietlokaal. Schieten was Männersache, omgeven door rituelen, drankgelagen en de kinderlijke ernst van stadsbewoners die zich voor een ogenblik jager of soldaat wanen. Een schilderij aan de wand getuigt van de innige verbondenheid van de Duitser met zijn zwijn. De sfeer is bijna rustiek, de asbakken zijn geduldig. Noch ist es Spaß. Maar Hitler had zojuist het tweede Vierjarenplan afgekondigd dat Duitsland klaar moest maken voor de komende oorlog. Wie van de middelbare mannen op deze foto diende enkele jaren later in één van zijn beruchte politiebataljons?

Zulke beelden geven hun geheim nooit prijs, schreef Kurt Tucholsky in de inleiding bij zijn satirische fotoalbum Deutschland, Deutschland über alles (1929). De mensen die erop staan, zijn exponenten van hun tijd, hun stand, hun woonplaats of buurt, maar het is niet eerlijk hen daarop vast te pinnen. Ze zijn allereerst zichzelf. Ze weten zich bekeken en dus verbergen ze zich voor ons, of dagen ons uit met hun blik of houding. En tot overmaat van verwarring hebben ze soms gevoel voor humor. Wellicht zouden ze de voor de hand liggende grappen die wij over hen kunnen maken zelfs waarderen. Toch roepen Borchards foto’s bij elkaar een haarscherp beeld op. Het beeld van Duitsers die het voorrecht genoten om te zien en gezien te worden. En hun blik af te wenden als dat zo uitkwam.