Ido de Haan, Het beginsel van leven en wasdom

Politiek als ruimtelijke ordening

Ido de Haan

Het beginsel van leven en wasdom: De constitutie van de Nederlandse politiek in de negentiende eeuw

Uitg. Wereldbibliotheek, 286 blz., € 29,50

De werkelijkheid is altijd voor velerlei uitleg vatbaar, ongrijpbaar en daardoor verwarrend. Vandaar dat mensen dikwijls door metaforen greep op de werkelijkheid trachten te krijgen. In de negentiende eeuw leidde de verontrusting over de razendsnelle economische, sociale, politieke en culturele veranderingen vaak tot voorstellingen waarin de samenleving werd gezien als een organisme. Alle delen hadden hun specifieke functie en plaats, geen ervan mocht de anderen gaan overheersen, ziektes konden worden bestreden, en kwade cellen dienden operatief te worden verwijderd. Dat dit soms tot griezelige consequenties leidde, was alleen mogelijk doordat sommige mensen de metafoor voor de werkelijkheid gingen verslijten.

In Nederland vormt «de verzuiling» een voorbeeld van een metafoor die een eigen leven is gaan leiden. Niet alleen de politiek, maar ook maatschappelijke en culturele organisaties waren gebaseerd op religie of levensbeschouwing, zodat de burger min of meer «opgesloten» was in zijn eigen zuil, terwijl de respectieve elites de zaken regelden in een onnavolgbaar spel van achterkamertjespolitiek en handjeklap. Deze verdeeldheid zou zijn wortels hebben gehad in de Republiek, toen een cultuur van «schikken en plooien» domineerde. Werkelijke, vooral sociaal-economische tegenstellingen zouden door de elites zijn onderdrukt en gladgestreken. Na de secularisatie was de opdeling in levensbeschouwelijke zuilen niet langer mogelijk of zinvol, maar de achterkamertjespolitiek van partijpolitieke elites zou in het zogenaamde «poldermodel» zijn hoogtepunt hebben bereikt.

In zijn nieuwste boek laat politicoloog Ido de Haan zien dat deze visie vertekenend werkt. Het grootste deel van de politieke geschiedenis van de negentiende eeuw laat zich er namelijk nauwelijks inpassen. In de verzuilingsmetafoor is amper plaats voor een vraagstuk dat in de negentiende eeuw een centrale rol speelde: de nationale eenheid. Sinds de Franse tijd was Nederland een eenheidsstaat, en de «Staatsregeling» van 1798 was erop gericht geweest een einde te maken aan de politieke verdeeldheid en een maatschappelijk bestel dat was gebaseerd op voorrechten. Dit streven werkte door, ook nadat koning Willem I aan de macht was gekomen.

Om greep te krijgen op de ontwikkelingen tijdens de negentiende eeuw heeft ook De Haan zijn toevlucht gezocht tot een metafoor. Met het begrip «politieke ruimte» tracht hij de politieke geschiedenis te interpreteren. Die politieke ruimte diende eerst te worden afgebakend, zodat duidelijk werd wat wel en wat niet tot het domein van de politiek is te rekenen, en vervolgens werd in die ruimte door middel van een wettelijk kader een politieke infrastructuur aangelegd. Politiek is bij De Haan vooral een «vormenstrijd».

Na 1815 werd de politieke ruimte vrijwel volledig opgevuld door Willem I, wiens voornaamste doel het smeden van een nationale eenheid was. Door de afscheiding van België en de mislukte financieel-economische politiek moest na de dood van Willem, in 1840, de politieke ruimte opnieuw worden gedefinieerd. De afgrenzing ervan werd geregeld in de grondwet van 1848, die in hoge mate het werk was van Thorbecke. Doordat de volksvertegenwoordiging niet langer getrapt en via standsorganisaties werd gekozen, kreeg de staatsburger meer invloed op het landsbestuur. Het parlement, tot dan nauwelijks van belang, werd de voornaamste politieke ruimte. Het bouwterrein Nederland was hiermee duidelijk afgebakend, zeker nadat een aantal organieke wetten de bevoegdheden van de diverse overheden had geregeld, maar de invulling van het bestemmingsplan vergde nog veel politieke strijd. Zo leidde de scheiding van kerk en staat, die eindelijk was doorgevoerd, tot het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie, wat in 1853 leidde tot de «Aprilbeweging» van verontruste protestanten. Ook de regeling van het onderwijs en de armenzorg, waarbij de invloed van de kerken een cruciale rol speelde, leidde tot veel politiek tumult.

In deze strijd tekenden zich nieuwe scheidslijnen af, ontstonden nieuwe organisaties en dienden zich nieuwe politieke geschilpunten aan. Uiteindelijk, aan het einde van de eeuw, leidde dit tot het politieke bestel dat doorgaans wordt aangeduid als «de verzuiling». Onvermijdelijk was dit echter niet. De uitkomst werd in hoge mate bepaald door toevallige krachtsverhoudingen en het optreden van sterke persoonlijkheden als Thorbecke en Abraham Kuyper.

In navolging van de Amerikaanse rechts filosoof Bruce Ackerman maakt De Haan een onderscheid tussen perioden van «constitutionele» politiek, waarin de vormgeving van de politiek centraal staat, en «normale» politiek. In zo’n laatste tijdvak wordt de politieke ruimte volgebouwd met allerlei regelingen voor actuele zaken, en passen politici vooral op de winkel. Na verloop van tijd slibt de politieke ruimte dicht en wordt het tijd voor een rigoureuze verbouwing. De jaren 1848-1920 vormden in Nederland een periode van constitutionele politiek. Inmiddels heeft tachtig jaar «normale» politiek geleid tot een politieke ruimte waar volgens velen de bulldozer doorheen moet.

Vijf jaar geleden heeft De Haan een soort gelijke oproep gedaan, maar aan het eind van zijn boek blijkt dat hij van «mei 2002» nogal is geschrokken. Ook met de metafoor van de «politieke ruimte» is het dus oppassen.