Frank Martinus Arion over Curaçao

Politiek dubbelspel

Dubbelspel, het romandebuut van Frank Martinus Arion uit 1973, dat centraal staat in de campagne Nederland Leest, is een meeslepend verhaal over een dramatisch dominospel op Curaçao. Maar is het ook een links boek?

Tegen het eind van Dubbelspel neemt de kleine Amerikaan die een dag eerder zijn vrouw in hun hotel achterliet om zich naar het hoerenkamp Campo Alegre te laten rijden, waar hij een etmaal later nóg is, opeens de gedaante aan van een ‘professor in de sociale psychologie en dus wellicht ook een ambtenaar van de Amerikaanse Central Intelligence Agency (cia)’. Chamon Nicolas, een van de verliezers van het dobbelspel op die fatale zondagmiddag, belandt daarna in de cel, wat des te erger is ‘omdat het gevangeniswezen op de Antillen nog volledig Nederlands, of Amerikaans dat wil zeggen middeleeuws barbaars lijkt te zijn’. En Janchi Pau, de winnaar, blijkt met zijn geliefde Solema een reeks ‘coöperatieven’ te hebben opgezet waaruit ‘een partij op coöperatief-socialistische grondslag’ moet voortkomen. Zij heeft daartoe al een kijkje genomen in het socialistische Guyana en wordt ‘misschien de eerste vrouwelijke premier van Amerika: “Ik bedoel, Noord-, Zuid- en Midden-Amerika”.’ In zulke passages is de boodschap van het boek vervat: socialistisch, antikoloniaal, feministisch ook. De twee vrouwen, Solema en Nora, zijn de sterkste personages die het eiland en hun gezin dragen, terwijl de mannen domino spelen.

Dubbelspel, het romandebuut van Frank Martinus Arion, verscheen in 1973 en werd meteen goed ontvangen. De schrijver werd bekroond met de Van der Hoogtprijs en een verfilming stond op stapel (die echter nooit is gerealiseerd). Maar toen ik hem een jaar later sprak, was hij toch niet helemaal tevreden, want de boodschap van _Dubbelspe_l was veronachtzaamd.

Ik vroeg hem of hij de ‘Naspelen’, vijf pagina’s aan het slot die zijn boodschap behelzen, niet evengoed – sterker: beter – achterwege had kunnen laten. Ze komen als mosterd na de maaltijd en verstoren het stramien van het boek, waarop hij trots is. Arion: ‘Ik voegde aan de klassieke eenheid van tijd, plaats en handeling een nieuw element toe: het boek lezen duurt even lang als de beschreven gebeurtenissen.’ Dat klopt: lezing van Dubbelspel vergt twaalf uur, zo lang het licht is op Curaçao, de tijd tussen het moment waarop deurwaarder Manchi Sanantonio de schoenen van zijn vrouw Solema zit te lakken waarmee de stand in het dominospel bijgehouden moet worden en het moment waarop Solema intrekt bij Janchi Pau. Met zijn ‘Naspelen’ overschrijdt de schrijver op de laatste bladzijden toch nog de tijdsspanne van een dag op het eiland.

Hij was niet blij met die kritiek, die al menige criticus en lezer had geuit. Hij zag dat bij alle lof voor het meeslepende boek als een vorm van miskenning. Men prees de verteller, maar liet de boodschapper in de kou staan. Zou het daardoor komen dat Martinus Arion daarna alleen boeken schreef (Afscheid van de koningin, Nobele wilden, De laatste vrijheid, De deserteurs) waarvan critici steevast vonden dat ‘het verhaal helaas ondergeschikt is aan de boodschap?’ Het was alsof hij voortaan elk misverstand over de politieke strekking van zijn boeken wilde vermijden. ‘Ik had een zuiver literair boek kunnen schrijven’, zegt hij over Dubbelspel, ‘maar ik wilde mijn politieke instelling niet verloochenen.’

Négritude?

Frank Martinus Arion schreef Dubbelspel ‘uit heimwee’, toen hij in Nederland studeerde, zoals vijftig jaar eerder de jonge Surinamer Albert Helman uit heimwee Zuidzuidwest schreef: uit verlangen naar het land van herkomst, de mensen, de taal. Arion voelde zich verscheurd in Nederland. Hij studeerde Nederlands in Leiden, om leraar Nederlands te worden op Curaçao, maar alles in hem klonk Papiaments. De vier mannen die in zijn verhaal domino spelen, praten ongetwijfeld Papiaments met elkaar, al is het boek in het Nederlands geschreven en zelfs (nog) nooit vertaald in de taal van het eiland.

Toen het boek verscheen was Arion 36 jaar en had al een verleden achter zich als rechtbankverslaggever, dichter en redacteur van het blad Ruku, waarin hij fulmineerde tegen de culturele ‘barbarij’ van Nederland. Zonder te zijn afgestudeerd leefde hij jaren op Curaçao, waarna hij zijn studie in Amsterdam hervatte en universitair docent werd. Hij hoorde tot de marxistisch geïnspireerde groep schrijvers rond Jacq Vogelaar en Lidy van Marissing. ‘Je moet de taal waarin de burger zich lekker voelt afbreken’, vatte hij het streven van die groep samen, ‘je moet hem zich niet vertrouwd laten voelen, omdat hij jouw boodschap niet wil laten overkomen.’ Zo ver wilde hij zelf niet gaan, want: ‘Waar leidt dat toe? Dat je te moeilijk wordt zelfs voor de getrainde burger, dus je bereikt je doel niet.’

Dubbelspel was een verademing: dat uit die hoek, bekend van gedeconstrueerde teksten en in de war gemaakte paginanummering, een leesbaar, spannend boek kon komen! Maar had Frank Martinus Arion van de weeromstuit nu zelf niet een verhaal geschreven waarin de burgerlijke lezer zich wel ‘lekker’ voelde, zodat de boodschap van de schrijver niet overkwam? Of, nog erger voor hem, hééft het boek eigenlijk geen boodschap en had hij zich genoodzaakt gezien die er achteraf, als een nagekomen bericht, aan toe te voegen? Is Dubbelspel eigenlijk wel een socialistisch en antikoloniaal boek?

In Arions schets van de hoofdpersonen en in hun gesprekken tijdens het spel komen de sociale spanningen en problemen van Curaçao scherp naar voren, maar nergens wordt socialisme als oplossing gesuggereerd of de schuld gegeven aan de kolonisator. Nederland komt er hooguit op een afstand in voor, als Manchi in de verte Prinsessendorp ziet liggen, de enclave van bungalows voor de blanke staf van Shell, en concludeert ‘dat zijn huis mooier was dan huizen die gebouwd waren door een van de machtigste olieraffinaderijen ter wereld’. ‘Ik heb willen laten zien: hoe lossen wij zelf onze problemen op’, zegt Arion. ‘Nederland, de kolonisator, is irrelevant in het boek. Ik had niets met Nederland te maken en nu nog niet!’ Er treedt in het hele boek dan ook slechts één Nederlander op, in één alinea, als Nora langs de Tulaweg op pad gaat naar Solema in de hoop op geld voor schoenen waarmee haar veelbelovende zoon naar school kan. Een Hollander in een passerende auto draait zich ver om en oogt haar na, maar zij haalt ‘ostentatief haar neus op’. ‘Ze had een hekel aan alles wat blank was omdat zij al haar ellende en die van mensen als zij aan blanken weet.’ De naam van die weg is een politiek statement, een eerbetoon van de schrijver aan Tula, de leider van de slavenopstand op Curaçao in 1795.

Zulke details maken van Dubbelspel echter geen antikoloniale tendensroman. Past het boek dan in de stroming van de négritude, die toen en vogue was? Over Curaçao spoelde na het arbeidersoproer van 30 mei 1969 een golf van zwart bewustzijn en de hoofdrolspelers in het boek zijn allen zwarten. In het vuur van de gesprekken aan de dominotafel worden inheemsen enige malen gelijkgesteld aan zwarten en ‘afstammelingen van slaven’, al is het interessante van het eiland juist dat er in de loop der eeuwen, anders dan in Suriname, ook een inheemse (joods-)blanke bevolkingsgroep is ontstaan. Over de ‘schijnheiligheid’ van die klasse wilde Arion aanvankelijk zijn eerste roman schrijven, met bridge in plaats van domino als leidraad: over de hypocrisie van een groep die in gedrag en taal volkomen ‘gecreoliseerd’ is, maar dat niet van zichzelf accepteert. Arion: ‘Omdat zij zich in de eerste plaats zien als burgers van het Koninkrijk doet het hen meer pijn dan de zwarten op het eiland als minister Verdonk de Curaçaoenaars uit Nederland wil weren. Die inheemse blanken zijn vreemdelingen op aarde.’

Maar Arion ontkent dat zijn romans, anders dan zijn gedichten, verwant zijn aan de school der négritude. ‘Richt je aandacht op elkaar, op daadwerkelijke betrokkenheid en liefde voor elkaar, ongeacht huidkleur en sociale afkomst’, schreef hij. De scène van Nora met die Hollander heeft hij juist ingelast ‘om te laten zien dat blank en zwart elkaar lusten’. En hij heeft grote waardering voor blanken die zich op het eiland vestigen, zich het Papiaments eigen maken, met inheemsen trouwen en ‘echte Curaçaoënaars’ worden. In het begin van de twintigste eeuw was de blanke elite op het eiland zich volgens hem geleidelijk al zo aan het losmaken van Nederland dat ze (het is zijn grote ideaal) ‘Curaçao onafhankelijk zouden hebben gemaakt, als de vestiging van Shell er niet tussen gekomen was’. Dat uitsluitend zwarten de hoofdrollen vervullen in Dubbelspel heeft dan ook alles te maken met Arions toenmalige streven naar exclusieve literaire oriëntatie op ‘de negerhutten daar beneden in het dal’. Hij wilde als schrijver ‘de lagere klasse literair introduceren, interesse opbrengen voor de minder gefortuneerden’, en die zijn op Curaçao nu eenmaal zwart.

Democratie

De idealist in het verhaal is Janchi Pau, al is zijn idealisme ontleend aan zijn minnares Solema, de echtgenote van Manchi. Tijdens het dominospel vaart hij uit tegen ‘vreemdelingen’ die de banen van Curaçaoënaars inpikken. Klinkt daarin dan misschien het nationalisme van de schrijver door? Van dit eigen-volk-eerst-achtige vertoog distantieert Arion zich echter: ‘Eerlijk gezegd heb ik nooit iets gegeven om wat die vier mannen zeggen. Ik ken hun opinies, maar hecht er buiten hun spel niet aan.’ Hun gesprek is een spiegelbeeld van het dominospel: uitlokken, misleiden en de tegenstander liefst met een ‘dubbelspel’ (met één steen het spel aan beide zijden uitmaken) verslaan.

Slechts op één punt staat Arion onomwonden achter Janchi Pau, en dat is waar deze Manchi van repliek dient als die hem kapittelt: ‘DE-MO-CRA-TIE. Het beste systeem dat er is. En democratie betekent, betekent, betekent, betekent: niets-anders-dan-dat-het-volk-zijn-eigen-mensen-kiest. Zelf. Zie je, dat is nu eenmaal het recht van het volk. Het volk is vrij zoals iedereen vrij is.’ Daarop zegt Pau dat die opvatting van democratie ‘er op neerkomt dat een dokter een meisje dat bewusteloos bij hem binnengebracht wordt, naait, nadat hij iedereen heeft weggestuurd’: ‘Het volk moet in de politiek onderwezen zijn, vóór er werkelijk van jouw DE-MO-CRA-TIE sprake kan zijn. Snáp je.’

Die gedachte deelt de schrijver. Dertig jaar geleden nam hij aan dat het wel een generatie kon duren eer de Curaçaoënaars ‘mondig’ genoeg zouden zijn voor socialisme en onafhankelijkheid, en nu denkt hij dat nog. Hij heeft naar vermogen aan die mondigheid bijgedragen door in de jaren tachtig samen met zijn vrouw Trudy Guda op het eiland een school te stichten waar ‘het kind centraal staat’. Het was een initiatief van een groep ouders, zodat hij in feite een coöperatie oprichtte. ‘Het is de enige Papiamentstalige school ter wereld en de beste op het eiland, met 85 procent geslaagden. Maar Nederland heeft er in die twintig jaar geen vinger voor uitgestoken, waardoor jullie nu met de Antilliaanse chollers (junks – jjvg) zitten!’

Ook de opvatting dat democratie meer moet zijn dan ‘meeste stemmen gelden’ maakt van Dubbelspel nog geen links boek. Het is een tamelijk algemeen gedeelde notie. Indertijd al besprak ik met Arion de mogelijkheid dat de meeste lezers het zouden lezen als een verhaal dat veel inzicht verschaft in het leven op een tropisch eiland, maar zonder er een politieke strekking in te zien. Dat zou hij erg vinden: ‘Exotisme is het grootste gevaar, een nieuw vooroordeel. Dan houden de mensen op met denken.’

Bovendien lijkt de grote sympathie van de schrijver minder uit te gaan naar Janchi Pau dan naar de taxichauffeur Boeboe Fiel, aan de dominotafel nog nagenietend van de nacht met een hoer die met hem de verjaardag van haar dochtertje heeft gevierd. Volgens Arion een walgelijke man omdat hij zichzelf te gronde richt, onverantwoordelijk tegenover zijn gezin, die min of meer tegen wil en dank voorzitter van zijn vakbond zal worden. Maar ook ‘een man die het leven heerlijk vindt’ en het vermogen bezit ‘te filosoferen over onbelangrijke dingen’. ‘Het is een vlucht, maar het is creatief, expressief. Het is ongecompliceerd, dat willen we misschien wel allemaal, op een rustig sudderende manier’, gaf hij toe: ‘Ik ben van Boeboe Fiel gaan houden.’

Stond Arion in zijn heimwee naar Curaçao misschien dichter bij de flierefluiter Boeboe Fiel dan bij de idealist Janchi Pau? Dan heeft hij zich kennelijk laten meeslepen door het verhaal van zijn Dubbelspel en pas aan het einde beseft dat hij er met enige ‘naspelen’ alsnog van moest proberen te maken wat hij aan zijn politieke identiteit verplicht was te maken: een links boek.