Politiek en beffen

Marc Reugebrink
Het grote uitstel
Meulenhoff/Manteau, 298 blz., € 22,50

Marc Reugebrink begint zijn nieuwe roman met geluk en hij eindigt er ook mee. Een hele prestatie als je de ellendige, maar vaak ook geestig uitvergrote Werdegang van zijn held achter de kiezen hebt. ‘Rega was gelukkig.’ Dat is de start. En het eindigt als volgt: ‘En wij, ja, wij waren gelukkig, die nacht, ingelukkig.’ Met als uitsmijter: ‘Dat denk ik toch.’ Daartussenin een levensbeschrijving van Rega, benarde idealist met een schuldgevoel, die zich het hele boek door het gelukkigst voelt wanneer hij zich kan uitleven in uitvoerig beffen, vooral bij ene Mireille, waarvan ons geen detail bespaard blijft. Politiek en beffen, dat was ook een goede titel geweest voor deze roman, maar daar zal de uitgever wel bezwaar tegen hebben gemaakt. Het begint ermee en het keert regelmatig terug. Je zou kunnen zeggen dat Rega in deze roman vertwijfeld tot politieke daden probeert te komen, maar niet verder komt dan beffen. En hiermee is tegelijkertijd toch ook het thema ervan in kaart gebracht. Hoe kun je als individu ontsnappen aan je eigen allerpersoonlijkste hangups en je blijvend inzetten voor maatschappelijke idealen die je om je heen keer op keer ziet afbrokkelen of naar de ratsmodee gaan? Wat kun je doen?

Reugebrink schreef een pakkende, vaak ontroerende en ook geestige roman over de geknakte politieke idealen van de generatie die in de jaren tachtig de jeugdhonken bevolkte of college liep op universiteiten en lerarenopleidingen. Zij kreeg les van geflipte en zelfverklaarde semi-revolutionairen die na de jaren zestig nog steeds de mond vol hadden over Che, De Eendimensionale Mens, Vals Bewustzijn en Imperialisme en zich schaamteloos aan de jeugd opdrongen met hun dwingende uiteenzettingen die vaak innerlijk tegenstrijdig waren en nog niet deugden ook. Heette deze generatie niet de Generatie Nix? Het ellendige was dat zij zich altijd met een schuldgevoel aan de jaren-zestigpraatjes probeerde te onttrekken. Jullie hebben nog gelijk ook, maar kan dat gelul niet eens ophouden! Daarin school de tragiek van deze zichzelf als verloren beschouwende generatie die zich meer en meer alleen nog maar verzette via een vlucht in popmuziek (housemuziek!), esthetiek, drugs of doodgewone aanpassing. En beffen dus.

Reugebrink brengt deze tragiek geslaagd in beeld. Bij hem geen serieuze beschouwingen, dan had hij wel een essay geschreven, maar inkijkjes in de benepen ziel van Rega, die alles probeert te snappen (hoe zat dat ook al weer met Vals Bewustzijn?) maar niet in staat is er voor zijn persoonlijk leven ‘iets’ mee te doen. Het lukt gewoon niet, altijd komt er iets tussen, vrouwen, verkeerde vrienden, schaamtegevoel, noem het maar op. Wie verlangt naar straatrumoer kan met deze roman zijn hart ophalen, maar Reugebrink was niet van plan een afrekening te schrijven over de geflipte goeroes van de jaren zestig. Dat was te gemakkelijk geweest, besefte hij, te eendimensionaal om even in het jargon te blijven, te rancuneus ook. Zulke ‘afrekeningen’ voegen niets toe, verhullen alleen maar en zeggen meer over de afrekenaar dan over het afgerekende. En dus koos hij voor een opzet van het niet weten. Hij laat zijn personages niets echt goed weten, ze zwetsen erop los, niemand uitgezonderd. Hij neemt ons bijvoorbeeld mee naar een lerarenopleiding in Groningen en laat daar de docenten zwelgen in half begrepen onderwijskundige en politieke theorieën. Soms lijken ze verdacht veel op wat je in die tijd echt op dit soort opleidingen kon horen, en waartegen je je ook toen al het best kon beschermen door oordoppen bij jezelf in te brengen. Maar ook de tegenstanders van deze opvattingen, een stel nogal geborneerde studentenvrienden van Rega, kunnen er wat van. Reugebrink heeft enige sympathie voor ze, maar hij laat ze er ook lustig op los zwetsen. Ze voeren wel oppositie, maar het leidt alleen tot gelijkhebberij en nonsensicale dromerijen. Ze brengen als je het goed bekijkt de tijd door met niets doen en seksistisch gekleurd gewauwel. Kortom, Reugebrink spaarde zichzelf en zijn generatie niet in deze roman! Dat geeft er een tragische laag aan, die het hele boek in stand blijft.

De schrijver kreeg dit onder meer voor elkaar door te werken met een ingenieus vertellerssysteem, dat ik nog niet eerder op deze manier ben tegengekomen. Hij vertelt het verhaal in de derde persoon vanuit Rega, maar laat een ‘ik’ voortdurend commentaar leveren op diens daden en bespiegelingen. ‘Maar Rega, Daniël Winfried Rega, was in- en ingelukkig. Ik denk tenminste dat hij dat was, gelukkig. Iets anders lijkt me in zijn situatie niet mogelijk.’ Wie is die ik? Dat blijft in het midden. Reugebrink zelf? Ja natuurlijk, maar ook niet. Het is iemand die enig mededogen toont voor de benarde held, die medelijden heeft, maar niet te veel. Rega moet gestraft, dat is zeker, maar niet te veel. Deze ik wil hem redden. Soms is hij pagina’s lang afwezig, maar dan is hij er weer en geeft ons uitleg over de bedoelingen van de held. Deze ik zoekt vaak aarzelend naar woorden, hij weet het allemaal niet zeker. ‘Hoe zeg je dat toch?’ Of: ‘Ik zeg dit niet goed.’ En tegen het einde, een aangrijpende scène bij de Berlijnse Muur, laat deze ik ineens al zijn remmen los en sluit hij zich definitief bij Rega aan. Rega en de ik worden wij. ‘Even waren wij wie we moesten zijn, misschien, zo leek het toch, – een grijpbare verte, een wak in de tijd, de inlossing van onszelf. Even, heel even was heel de stad de wereld.’ Marc Reugebrink schreef een mooi en belangrijk boek. Allebei dus.