Het revolutietijdvak als kennisdepot

Politiek en idealen

Veel van de problemen waar de Atlantische revolutionairen mee worstelden zijn nog steeds de onze. Wat zijn de grenzen van gelijke rechten, wat is goed burgerschap? Wanneer is maatschappelijke verdeeldheid gevaarlijk? Madame de Staëls diagnose van de Franse Revolutie helpt ons duiden.

De tijd van de grote revoluties die werkelijk sociaal-politieke transformaties veroorzaakten lijkt ver achter ons te liggen. De Russische (1917) en Chinese (1949) revoluties resoneren ideologisch nauwelijks. Wat een verschil met de Atlantische revoluties van de late achttiende eeuw – met name de Amerikaanse en de Franse. Die spelen nog steeds een hoofdrol in het grand narrative over het ontstaan van de ‘moderne’ wereld, een verhaal dat het Westen nog steeds graag aan zichzelf – en anderen – vertelt. Hun boodschap voelt vertrouwd aan: vrijheid en gelijkheid voor de wet, representatieve democratie, de scheiding van Kerk en Staat, stemrecht, recht op een eerlijk rechtsproces, de vrijheid van meningsuiting.

Natuurlijk zijn de idealen van de Atlantische revoluties door de tijd als hopeloos naïef afgeserveerd of overenthousiast de hemel in geprezen. Maar zeker sinds de jaren negentig van de vorige eeuw is het revolutietijdvak voorgesteld als een traptrede op weg naar de liberale democratie – natuurlijk hadden de revoluties gebreken, waren er tal van obstakels, maar de algemene trend was opwaarts.

Maar het heden correspondeert niet meer met die versie van de loop van de geschiedenis. Onze tijd is er een van steeds scherpere maatschappelijke verdeeldheid en polarisatie; autoritaire leiders en regimes die elementaire instellingen van de rechtsstaat afbreken hebben de wind mee. De gezaghebbende ngo Freedom House constateert in haar laatste rapport dat 2019 het veertiende achtereenvolgende jaar is waarin het verder achteruit gaat met de wereldwijde staat van burgerlijke en politieke rechten.

Die huidige crisis van de democratie vraagt om nieuwe perspectieven op die geschiedenis. Zoals elke generatie historici haar eigen vragen aan het verleden stelt, moet de huidige dat ook doen. ‘Alle ware geschiedenis is eigentijdse geschiedenis’, schreef de Italiaanse geschiedfilosoof Benedetto Croce aan het begin van de twintigste eeuw. Daarmee bedoelde hij dat de vragen die historici aan het verleden stellen, het historisch onderzoek dat zij doen, elke zin die zij over het verleden schrijven, voortkomen uit het ‘heden’. Daarom verandert het verleden – of liever gezegd: ons beeld van het verleden – door de tijd heen. Dat hoeft geen knieval voor een bodemloos relativisme te zijn. Het betekent dat historici hun schijnwerper telkens weer op een ander stukje van het verleden laten schijnen vanuit andere invalshoeken en met andere filters.

In mijn optiek ligt het belang van het tijdperk van de Atlantische revoluties voor de huidige tijd niet langer in het oprakelen van ronkende principes of het afserveren van naïeve idealen. Het is de moeite waard om terug te keren naar deze revolutionaire tijden omdat veel van de problemen waar zij mee worstelden nog steeds de onze zijn: wat zijn de grenzen van gelijke rechten? En hoe geef je er concrete invulling aan? Wat is goed burgerschap? Hoe komen politieke mobilisatie en engagement tot stand, en wanneer is maatschappelijke verdeeldheid problematisch of zelfs gevaarlijk? Hoe verhoudt het fundamentele recht van de vrijheid van meningsuiting zich tot de bescherming van de democratische rechtsstaat? In hoeverre dienen vijanden – of ‘verdachte’ vijanden – van de democratie hun rechten te verliezen?

De erfenis van het revolutionaire tijdvak is niet gestold in een monument, maar springlevend en verre van eenduidig. De worsteling van de Atlantische revolutionairen is ook de onze, vandaag de dag, dat maakt dit historische tijdvak zo relevant voor onze tijd: die is ook verre van eenduidig.

De erfenis van het revolutionaire tijdvak is niet gestold in een monument, maar springlevend en niet eenduidig

Zie daarom het revolutietijdvak als een laboratorium waarin dingen misgingen, als een opslagplaats van historische ervaringen waardoor we hedendaagse risico’s en ontsporingen beter op waarde kunnen schatten. De geschiedenis van de Atlantische revoluties laat zien dat de representatieve democratie en de constitutionele rechtsstaat zijn gesmeed in conflict en tumult, een samenraapsel zijn van principes, ideeën en praktijken die zich moeizaam tot elkaar verhouden. Tot op de dag van vandaag hebben ze geen vaste vorm aangenomen. De Atlantische revoluties vormen een serie van illustraties van de vele valkuilen die verheven idealen als democratie en gelijkheid met zich meedragen. Bijvoorbeeld Madame de Staëls diagnose van de ontsporing van de Franse Revolutie toont ons zo’n momentopname.

—————

Anne-Louise-Germaine Necker, de barones van Staël-Holstein – ‘Madame de Staël’ – was rond 1800 een van Napoleons mondigste critici. Hij had een grondige hekel aan haar – en zij aan hem. Heel even koesterde ze de ijdele hoop dat hij zich na zijn staatsgreep zou committeren aan een liberale grondwet. Maar die hoop was snel vervlogen. ‘Keizer Napoleons grootste grief tegen mij’, schreef ze later in haar memoires, ‘is mijn onverflauwde respect voor ware vrijheid.’ Napoleon belichaamde voor haar despotisme, het tegendeel van vrijheid. Hoe heeft de revolutie daarin kunnen uitmonden?

Germaine groeide als jong meisje op in een zeer voorname familie. Haar vader was de puissant rijke Zwitserse bankier Jacques Necker. Hij diende ondanks zijn niet-Franse en niet-katholieke achtergrond van 1777 tot 1781 onder Lodewijk XVI als directeur-generaal van het Franse departement van Financiën. Een klein decennium later, met het uitbreken van de Franse Revolutie, keerde hij terug als minister en drong door tot de hoogste politieke kring rondom de koning. Madame de Staëls moeder, de eveneens Zwitserse Suzanne Necker (née Curchod), was eind jaren zeventig en begin jaren tachtig de drijvende kracht achter een befaamde Parijse salon.

Madame de Staël dartelde al op jonge leeftijd rond tussen de fine fleur van schrijvers, wetenschappers en filosofen. Op haar 22ste, kort na haar huwelijk met de Zweedse edelman en diplomaat Erik Magnus de Staël-Holstein, publiceerde ze een briefcommentaar op het werk van de beroemde filosoof Jean-Jacques Rousseau. In 1791, de revolutie was in volle gang, trad ze in het voetspoor van haar moeder: ze opende haar eigen Parijse salon in de Zweedse ambassade aan de Rue de Bac. Als salonnière zou ze politieker worden dan haar moeder ooit was geweest.

Dat had een hoge prijs. De barones geloofde in de idealen van 1789, maar vond dat de praktische uitwerking gematigdheid en geduld vereiste. Dat standpunt werd verdacht toen de Franse Revolutie in 1792 een steeds radicalere wending nam. De combinatie rijk, Zwitsers, vrouw en adel hielp ook niet mee. Toen in september 1792 onder de dreiging van een militaire invasie een bloedbad werd aangericht door wanhopige radicalen in en rondom Parijse gevangenissen moest Madame de Staël vluchten voor haar leven. Pas in de lente van 1795, na de val van Robespierre, de voorman van de Terreur, durfde ze terug te keren naar Parijs.

In de volgende jaren probeerde Madame de Staël als salonnière opnieuw allianties te smeden rond het gematigde politieke midden. Het mocht niet baten. Machtsgrepen, geweld, een economische crisis en de gapende kloof tussen politieke retoriek en realiteit deden revolutionair Frankrijk wankelen. De roep om orde, daadkracht en een sterke leider zwol aan.

‘Wat doen we met Hillary Clinton?’‘Lock her up.’‘Wat denken we van The Washington Post?’‘Fake media!’

In die beknellende atmosfeer werd Madame de Staëls nieuwe salon een uitvalsbasis voor gematigden en andersdenkenden. Zelfs de broers van Napoleon waren geregelde bezoekers – wat hij onuitstaanbaar vond. Oppositie verdroeg hij slecht, zeker van een welbespraakte vrouw die ook nog eens immens populaire romans schreef. In oktober 1803, Napoleon was inmiddels beëdigd als consul voor het leven, werd Madame de Staël verbannen uit Frankrijk.

Over de grote betekenis van Madame de Staëls literaire en cultuurhistorische oeuvre is veel geschreven. De laatste jaren is er bovendien steeds meer interesse voor haar politieke denken. Dat wordt vaak en terecht in één adem genoemd met dat van de Zwitsers-Franse liberale denker Benjamin Constant, een van haar vele minnaars, maar bovenal haar intellectuele sparringpartner. Beiden streden voor een gematigde republiek met een gekozen volksvertegenwoordiging, de vrijheid van meningsuiting, gelijkheid voor de wet en moderne burgerlijke vrijheden. Beiden wantrouwden een brede volksdemocratie.

In een ongepubliceerd manuscript uit 1798 schreef De Staël over het verschil tussen twee soorten vrijheid: ‘De vrijheid van de huidige tijd is alles wat de onafhankelijkheid van de burger tegenover de overheid garandeert. De vrijheid van de oudheid is alles wat burgers verzekert van een zo groot mogelijk aandeel in de uitoefening van macht.’ Het is een klassieke uitdrukking van het verschil tussen liberale vrijheid, bescherming tegen de overheid, en republikeinse vrijheid, zelfbestuur door middel van de overheid. Dit onderscheid wordt doorgaans toegeschreven aan Benjamin Constant, die er in 1818 een beroemde rede aan wijdde. Madame de Staël schreef er, overigens in dialoog met Constant, al twintig jaar eerder over.

—————

Madame de Staël was van mening dat moderne republieken met een gekozen volksvertegenwoordiging die twee vrijheden moesten combineren. Vrijheid van overheidsinterventie en vrijheid als zelfbestuur vullen elkaar aan. De cruciale schakel was publieke opinie: beschermd en mogelijk gemaakt door burgerlijke vrijheden waar de staat van afblijft; en noodzakelijk voor het zelfbestuur van grote collectieven (zoals de Franse Republiek). Miljoenen burgers passen nu eenmaal niet met elkaar in één vergaderruimte.

Precies op het punt van de ontwikkeling van publieke opinie was het vreselijk misgegaan gedurende de radicale fase van de revolutie. In tegenstelling tot Constant maakte Madame de Staël de revolutie van dichtbij mee. Dat maakt haar bespiegelingen over het fenomeen ‘publieke opinie’ beter geïnformeerd. De publieke opinie was volgens Madame de Staël in de periode 1792-1794 ernstig in de verdrukking geraakt, observeerde ze in haar traktaat Over de invloed van de hartstochten op het geluk van individuen en naties uit 1796.

Enerzijds was dit het gevolg van de aard van politieke massabijeenkomsten die zij van dichtbij had aanschouwd. In mensenmassa’s, zo had ze gezien, sluimert altijd de mogelijkheid van oproer. Mensenmassa’s communiceren door middel van een soort ‘elektriciteit’ en handelen alleen maar op basis van ‘sentimenten’ en ‘hartstochten’. Er wordt niet meer naar wijsheid geluisterd, alleen naar de impuls. Leiders staan continu onder druk hun legitimiteit te verliezen en neigen er sterk naar de massa alleen nog maar te behagen, te vertellen wat ze wil horen.

‘Lock her up.’

Dat is een gevaarlijke interactie. Beiden, leiders en volgelingen, verliezen hun onafhankelijkheid en handelingsvrijheid, ze worden meegesleurd in de maalstroom van machtspolitiek. Op zo’n moment is het moeilijk om radicale ideeën te temperen en kritisch te ondervragen. Ideeën worden zo ‘oorlogswapens’ in de strijd tegen de politieke vijand. In zo’n klimaat, schreef De Staël, ‘bestaat publieke opinie niet meer; mensen oordelen niet meer (…) nemen enkel een positie voor of tegen de een of de ander; in een natie zijn alleen nog maar strijders; de onpartijdige macht die we het publiek noemen is nergens meer te vinden’. Het is een messcherpe analyse die in de 21ste eeuw niet aan relevantie heeft ingeboet.

Dat betekende nog niet dat haar eigen visie op de ‘juiste’ of ‘ware’ publieke opinie onpartijdig was. De algemene publieke opinie, meende ze, was altijd gericht op ‘rechtvaardigheid, zekerheid en kalmte’. Concreet bedoelde ze: afschaffing van privileges, een einde aan arbitrair bestuur, en de bescherming van een set van basale burgerrechten. Een ‘natuurlijke’ elite, l’aristocratie naturelle, van mensen verkozen op basis van talent, deugdzaamheid en superieure wijsheid moest de Franse natie bij de hand nemen. Hoe ze wist dat ‘de’ publieke opinie vanaf 1789 dit altijd had gewild? Daar weidde ze niet verder over uit. Het idee van een belangeloze, onpartijdige publieke opinie is een droombeeld.

Met Napoleons overname van de publieke opinie trad er een nieuw tijdperk aan. Napoleon claimde ‘het monopolie op roem’, observeerde ze. Publieke opinie, zo blijkt, is even noodzakelijk als gevaarlijk voor het voortbestaan van de representatieve democratie. Tijdens haar reis door Europa schreef De Staël op 10 november 1812 vanuit Stockholm aan Thomas Jefferson: ‘Je was getuige van de eerste dagen van de Franse Revolutie en ik herinner me dat je in mijn vaders huis de onbesuisde radicalen vertelde dat hun demagogische principes tot despotisme zouden leiden. Je voorspellingen zijn uitgekomen.’

—————

Het revolutietijdperk kan gelezen worden als een waarschuwing voor extreme vormen van maatschappelijke verdeeldheid, in combinatie met diepgaand wantrouwen en samenzweringstheorieën. Natuurlijk, de historische context van de radicale fase 1792-1794 is op veel punten onvergelijkbaar met de situatie in de meeste hedendaagse democratieën. De Franse Republiek was in oorlog met buitenlandse mogendheden, was verwikkeld in een burgeroorlog met grootschalige regionale opstanden, en stond aan de economische afgrond. Zonder die context is de Terreur niet te begrijpen.

Het is wel zaak in te zien dat volkssoevereiniteit, de oppermacht van het volk, niet enkelvoudig uitgeoefend kan – en moet – worden. De bekende Franse revolutionair en auteur van het pamflet Wat is de Derde Stand?, Emmanuel-Joseph Sieyès, was van mening dat de wil van het volk uitsluitend in het nationale parlement tot stand komt. Niet-geprivilegieerde burgers vormen de ‘héle natie’, betoogde Sieyès. De enkelvoudigheid van één representatieve macht, de Nationale Vergadering, was voor hem heilig. Dat Sieyès eind jaren 1790 Napoleons staatsgreep mede beraamde en een autoritair representatief bestuur ook acceptabel vond, was tot op zekere hoogte consistent met zijn meer democratische denkbeelden in de beginjaren van de revolutie. Napoleon verving de Nationale Vergadering als ultieme uitdrukking van de natie.

The Washington Post?’‘Fake media!’

Andere stromingen binnen de Franse Revolutie, in het bijzonder de jakobijnen, pleitten voor meer actieve participatie in de politieke genootschappen en clubs zoals de jakobijnse: dáár is de ‘ware’ stem van het volk te horen. Zulke vormen van meer ‘directe’ democratie worden dan tegenover of als alternatief voor vertegenwoordigende democratie gezien.

Maar ‘het’ volk opgevat als een eenheid is een conceptuele uitvinding. Het volk als sociologische realiteit is een veelvoud: het gevolg is dat er ook niet zoiets bestaat als ‘de’ politieke wil van het volk. Er bestaat alleen een min of meer diverse kakofonie van stemmen. Kijk maar naar verkiezingsuitslagen.

In de afgelopen jaren is er wereldwijd een fenomeen opgekomen dat die democratische meerstemmigheid het zwijgen probeert op te leggen. Dat fenomeen valt te karakteriseren als ‘acclamatiedemocratie’. Het Latijnse acclamare kan zoveel betekenen als ‘luidkeels instemmen’ of ‘applaudisseren’. Een besluit bij acclamatie is er een van instemmend roepen, heel hard ‘ja!’ schreeuwen. De stille aanwezige of afwijkende mening gaat verloren in het lawaai. Discussie en debat zijn van ondergeschikt belang.

De beste en bekendste voorbeelden van de acclamatiedemocratie zijn de rally’s van de Amerikaanse president Donald Trump in, pak ’m beet, een groot stadion in North Carolina of West Virginia. Hoewel al lang verkozen tot president hield Trump de afgelopen jaren steeds zulke massabijeenkomsten alsof hij nog op campagnetour was. Het is mogelijk te denken: dit is een mooi voorbeeld van democratische betrokkenheid van actieve burgers die gebruik maken van hun rechten, de vrijheid van meningsuiting en vergadering. Maar die rally’s zijn niet bedoeld om te discussiëren. Het draait om acclameren, luidkeels instemmen, toejuichen.

‘Wat moeten we doen met Hillary Clinton?’
‘Lock her up.’
‘Wat denken we van The New York Times en The Washington Post?’
‘Fake media!’
‘Zijn zij de vijanden van het volk?’
‘Yeeeeessss!’

Het fenomeen van de acclamatiedemocratie is waarneembaar in de Verenigde Staten, maar net zo goed in Polen, Hongarije, India, de Filipijnen, Brazilië, Turkije, Zuid-Afrika en vele andere landen. Burgers worden opgezweept om de politieke tegenstanders als ‘vijand’ te zien. Degene met wie je het oneens bent (waar op zich niks mis mee is) wordt tot vijand gemaakt. Er komt vervolgens een punt waarop je de ‘vijand’ mag beknotten in zijn of haar rechten, met geweld mag opsluiten, hem de vrijheid van meningsuiting mag ontnemen en – in het meest drastische geval – mag vermoorden. Dat laatste gebeurde in februari 2020 in de grootste democratie ter wereld, India. Nationalistische hindoe-militanten voerden dodelijke aanvallen uit op Indiase moslims, terwijl de ordehandhaving in dienst van de nationalistische bjp-regering van Narendra Modi het door de vingers zag. In andere landen gaat het uitschakelen van tegenkrachten en afwijkende stemmen subtieler, bijvoorbeeld door vrije media uit te schakelen of onafhankelijke rechters weg te zuiveren.

De ‘vijand’ gelooft in leugens, is bij voorbaat verdacht en moet worden overstemd, gemarginaliseerd en ‘uitgejouwd’

Het fenomeen van de acclamatiedemocratie vertoont een duidelijke overlap met analyses van de politieke stroming van het populisme. Zoals de politicoloog Jan-Werner Müller het samenvat: populisten claimen voor ‘het volk’ te spreken, waarbij ze het volk niet als veelvoud maar als ‘antipluralistische eenheid’ opvatten. De tegenstander behoort simpelweg niet tot het volk.

Het fenomeen van de acclamatiedemocratie vestigt de aandacht op een specifiek mechanisme dat ruimte schept voor politiek geweld. In de acclamatiedemocratie vervalt elke mogelijkheid tot het voeren van een debat. De ‘vijand’ gelooft in leugens, is bij voorbaat verdacht en moet overstemd, gemarginaliseerd en letterlijk ‘uitgejouwd’ worden. Politieke opponenten hoeven het debat met elkaar niet meer aan te gaan, want ze beschouwen elkaar al als ‘verloren’. Wat je dan krijgt is een democratische cultuur die louter in dienst staat van het bedienen van de achterban, het liefst via de directe kanalen van sociale media. Wat je dan krijgt is een democratie van acclamatie: van instemming, van ‘hoera’ en ‘ja’ roepen, van de bevestiging van het eigen gelijk. In zo’n publiek debat, om met Madame de Staël te spreken, worden opinies ‘oorlogswapens’ die ‘strijders’ gebruiken om positie te nemen in het ene of het andere kamp.

—————

In mindere mate zien we dat ook in Nederland: of het nu de massale ‘meetups’ van GroenLinks betreft of de congressen van Forum voor Democratie: het gaat om de bevestiging van het eigen gelijk, opgaan in de groep waar je je thuis voelt, het toejuichen van de leider. Dat is een gevaarlijke ontwikkeling, zeker als ze gepaard gaat met krachttermen als ‘strijd’ en zware beschuldigingen aan het adres van tegenstanders die proberen de natiestaat ‘te vernietigen’. In Nederland zal het niet zo’n vaart lopen, maar elders in de wereld buitelen de voorbeelden van extreme polarisatie over elkaar heen. Deze maand nog riep Michael Caputo, het door Trump aangestelde hoofd communicatie van het Amerikaanse ministerie van Volksgezondheid, Amerikaanse burgers op extra ammunitie voor hun wapens te kopen. ‘Linkse doodseskaders’ zouden overal in het land worden getraind. In het geval Trump de verkiezingen wint en Biden weigert zijn verlies te erkennen, voorspelde hij, dan zal ‘het schieten beginnen’. In een tribale acclamatiedemocratie zijn er geen medeburgers, alleen nog maar het wij-kamp en de vijand.

Om die gevaarlijke verabsolutering van de volkswil tegen te gaan, is het van het grootste belang altijd de veelvormigheid en meerstemmigheid te blijven erkennen. Die kunnen, zoals de Franse politieke denker Pierre Rosanvallon heeft uiteengezet, op allerlei manieren gerepresenteerd worden: ja, in het parlement; en ja, in politieke bewegingen of partijen. Maar er zijn allerlei vertegenwoordigende instanties die (een deel van) het volk representeren of een representatieve functie vervullen: patiëntenverenigingen of beroepsverenigingen, vakbonden of ondernemingsorganisaties, allerlei soorten actiegroepen en burgerinitiatieven, raadgevende (overheids)instituten en kennisinstellingen (de wrr, het Sociaal en Cultureel Planbureau, het rivm), toezichthouders voor consumenten, (financiële) markten of milieu, de centrale bank (zoals de dnb of op EU-niveau de ecb), rechters en hun soms vergaande uitspraken, ombudsmannen, onafhankelijke media en omroepverenigingen, en ten slotte diverse organen van de Europese Unie. Er zijn er ongetwijfeld meer te noemen.

Waar het om gaat is dat deze waaier van organisaties en instellingen, hoewel ze verschillende functies hebben en vele niet door verkiezingen tot stand komen, niettemin allemaal ook een vertegenwoordigende functie hebben. Daarmee maken ze ‘volks’-soevereiniteit tot een complex samenspel, tot een continu proces van afweging en onderhandeling, en een domein van botsing – en af en toe frustrerende stroperigheid en stilstand.

De populist die ‘de stem van het volk’ direct wenst in te voeren en surft op de golf van de acclamatiedemocratie heeft een moeizame verhouding tot deze gelaagde, complexe soevereiniteit. Het is om die reden dat veel van bovengenoemde instanties als eerste verdacht of monddood worden gemaakt, intern gezuiverd of op een zijspoor gezet.

Die vele en complexe lagen van vertegenwoordigende instanties brengen wel eigen risico’s met zich mee. Een belangrijke daarvan is het risico van doorgeslagen bureaucratische expertise zonder heldere verantwoordingsmechanismes. Het gevaar van de heerschappij van een klasse van technocraten – die zich beroept op expertise – loert. De decennia na het revolutietijdvak bieden op dat punt een spiegel. In reactie op de excessen van de Franse Revolutie beriep de liberale denker en politicus François Guizot zich in de Restauratieperiode op de ‘soevereiniteit van de rede’. Die zou in zijn ogen een verstandig alternatief zijn voor volkssoevereiniteit. In wezen legde François Guizot daarmee de bouwstenen voor een heerschappij van technocratische experts. Niet de wil van het volk, maar de claim van rationele optimalisatie is dan leidend.

Er schuilt echter een groot gevaar in antipopulistische retoriek die zich eenzijdig beroept op de rede. Degenen die zich van deze retoriek bedienen zien zichzelf doorgaans als de verstandige en redelijke stemmers. Bijna altijd zijn zij hoogopgeleiden. Zij zijn goed in het uiteenzetten van argumenten, gebruiken een bepaalde taal (vaak aangeleerd op de universiteit). Zij maken anderen – en zichzelf – wijs dat ze niet (enkel) hun eigenbelang verdedigen, maar dat zij pleiten voor ‘verstandige’ politieke oplossingen. Alleen zijn de ‘onredelijken’, de ‘niet-verlichten’, te stom om dat in te zien (een veelgehoord commentaar over hen die voor de Brexit stemden).

De parallel met het revolutietijdperk dringt zich op: de zelfbenoemde verlichte klasse sluit het veronderstelde niet-verlichte deel – vaak de stemmers op populisten – uit. Ook Madame de Staël moest weinig hebben van inmenging van het gewone volk in een representatieve democratie. Hier vermengt zich de discussie over gelijkheid (gelijk zijn zij die beschaafd en redelijk zijn) met die over democratie (een deel van het volk is er niet geschikt voor). Zo reproduceert zich een manier van denken over ongelijkheid en democratie uit de achttiende eeuw in nieuwe, 21ste-eeuwse contexten. Daarvoor moet gewaakt worden. Het begint ermee te erkennen dat politiek ook, en vooral, een belangenstrijd is en niet enkel een zoektocht naar rationele waarheden over de inrichting van de maatschappij waar alleen ‘verlichte’ mensen toegang toe hebben.


René Koekkoek is als docent en onderzoeker verbonden aan de afdeling politieke geschiedenis van de Universiteit Utrecht. Onlangs verscheen van hem Revolutionaire tijden: Politiek en idealen rond 1800 bij Ambo Anthos