Menno Hurenkamp

Politiek impressionisme

Na alle ophef in de kranten was de televisiedocumentaire van René Roelofs over de Tweede Kamer buitengewoon teleurstellend. De onnozelheid van de LPF’ers is al zo uitgekauwd dat het vervelend is om wéér dat strovuur onder Philomena Bijlhout en Mat Herben op te moeten zien flakkeren. Afgezien van de vraag of het een goede of slechte film was, staat de film niet op zich. De gedachte dat het hoog tijd is de achterkamertjes van de politiek open te breken, is zeker sinds 2002 weer springlevend. Het idee dat je daarvoor bijzondere opsporingsmethoden moet gebruiken ook. Dat betekent dus geen verslag doen van wat politici te melden hebben door met ze in discussie te gaan, laat staan een ambtenaar bewerken geheime stukken af te staan. Het betekent ook niet de mens achter de politicus zoeken door heel lang met hem over zijn moeder te praten. Waar het om gaat is te laten zien wat achter de schermen van het politieke bedrijf gebeurt.

Niek Koppens film De keuken van Kok uit 1998 was vermoedelijk de eerste. Gerard van Westerloo had met zijn geschreven reportages over de PvdA en over Ad Melkert als lijsttrekker rond de verkiezingen van 2002 ook een mooie vorm gevonden. René Roelofs probeerde zich met zijn documentaireserie vermoedelijk in dit rijtje te scharen. Dat hem dit niet is gelukt, doet niet af aan de identieke modus operandi. Uitgangspunt is het kapitaliseren op de behoefte van politici om in godsnaam maar media-aandacht te krijgen. Dan mag je meeluisteren als het niet de bedoeling is. Een tweede principe is het op afstand van de inhoudelijke discussie registreren van al te menselijke emoties als boosheid, onhandigheid en jaloezie. Door vervolgens lang mee te lopen in het politieke bedrijf en rijkelijk materiaal te verzamelen kan de journalist op zoek naar de echte politiek, dat wil zeggen naar de macht die verborgen gaat achter kleine gebaren en halve zinnen. Wim Kok die in De keuken van Kok met zijn gelaatsuitdrukking vergaderingen blijkt te kunnen sturen.

Een derde uitgangspunt is dat je geen gesprek over opvattingen hoort. Veel belangrijker dan de meningen van de politicus is de visie van de maker. Die interpreteert erop los en schikt zijn shots en quotes tot zijn verhaal. Het uiteindelijke idee is dat pas in de twist tussen een volksvertegenwoordiger en zijn secretaresse, in de strijd van een lijsttrekker met zijn eigen imago, in het gehannes van een politica met een lipstick, je de democratie op zijn staart trapt. Dat is soms waar. Als de op televisie zo sociaal voelende Jan Marijnissen binnenskamers een vlerk is, kan het geen kwaad dat te weten.

Maar deze lipstickfetisj-journalistiek schept een impressionisme waarin de verslaggever oordeelt en de volksvertegenwoordiger willekeurig materiaal levert. Die rolverwisseling kan in dit mediatijdperk misschien niet helemaal te vermijden te zijn, er wordt onterecht luchthartig over gedaan. De impliciete veronderstelling is voortdurend dat meningen of visies van politici gelogen of in ieder geval nietszeggend zijn, en daarom genegeerd kunnen worden. Zo trap je de democratie op zijn staart met spikes aan je voeten: de zaak zit meteen vastgenageld. Alleen het beeld dat een politicus achterlaat doet nog terzake — voer voor populisten.