Essay: Het verval van de democratie

Politiek in problemen

Wie politiek bedrijft, maakt vuile handen. Dat is een onlosmakelijk onderdeel van de uitoefening van het ambt. Alleen Wim Kok, en in zijn kielzog het hele paarse kabinet, pretendeert dat dit niet het geval hoeft te zijn. Is de democratie in Nederland in verval?

De val van het tweede kabinet-Kok was een hoogst emotionele, dramatische gebeurtenis. Men sprak van een persoonlijk drama; hier en daar werd misschien werkelijk gehuild. Maar ook was er lof, en volop respect. Er was immers moed voor nodig, zo vernam men alom, persoonlijke moed van de man die twee paarse kabinetten had geleid en nu, een maand voor de Tweede-Kamerverkiezingen, de trieste gang naar de koningin meende te moeten maken. Het Niod-rapport lag er nu eenmaal, hij kon niet anders. Hij achtte zich weliswaar niet schuldig maar wel degelijk verantwoordelijk. En om die verantwoordelijkheid kon en wilde hij niet heen, zo luidde het verhaal. Hij had, om Koks geliefde metafoor te gebruiken, zijn marathon niet volbracht. Niet kunnen volbrengen en niet willen volbrengen. Sterker nog, met de finish in zicht had hij in hoge mate op eigen houtje voor alle deelnemers de wedstrijd afgeblazen.

Toch klonken ook al snel kritische geluiden. Die zijn meer dan begrijpelijk. Dan hebben we het niet eens over het feit dat niet de inhoud van het Niod-rapport de basis kan zijn geweest van het vertrek van het tweede paarse kabinet. Dat is namelijk onmogelijk, schreef de politicoloog Koen Koch in zijn column in Trouw (13 april). Serieuze lezing van het dikke rapport plus bijlagen, grondige bestudering ervan, de noodzakelijke controle van deze of gene passage, en de feitelijke en politieke oordeelsvorming — dat alles zou méér tijd vergen dan de paar weken die nog resten tot de verkiezingen. De oud-hoogleraar Van Doorn, die meer in het algemeen van mening was dat het Niod-rapport «te laat, te lang en te slordig» was, viel Koch op dit punt bij. Ook hij kwam tot de conclusie dat de verstrekkende politieke gevolgen van het Niod slechts op de samenvatting van het rapport zijn gebaseerd. Dat een dergelijk rapport niet onaanvechtbaar of zonder feilen is, mag geen verbazing wekken, wél dat politici, Kok voorop, kennelijk zonder lezing en bestudering ervan er een reden in zien hun «verantwoordelijkheid» te nemen. Dat is in elk geval de term waarmee zij hun vlucht naar voren maskeren.

Maar het gaat ons zoals gezegd niet zozeer om de wankele basis die Kok tot zijn «dappere» besluit bracht. Het zijn dat besluit zelf en de inkleding ervan die voor ernstige kritiek vatbaar zijn. De motivering van Kok lijkt primair ingegeven door persoonlijke motieven. Het persoonlijke heeft de politiek gedomineerd; zuivere procedures zijn opzij gezet om ruimte te maken voor individuele gewetensworstelingen. Dat eigen geweten weegt kennelijk het zwaarst, niet de vraag hoe een zo heikel probleem op politiek en procedureel correcte wijze kan worden aangepakt. Waarbij het uiteraard vooral gaat om de vraag hoe en wanneer politieke verantwoordelijkheid wél kan en moet worden afgelegd. Nu heeft de Tweede Kamer het nakijken; de bespreking over de val van het kabinet was mosterd na de maaltijd. Kok vond dat Kok moest vallen, sleurde in een moeite door het hele kabinet in zijn val mee, en stelde de Kamer voor een voldongen feit. Niet Kok moet daarom worden beschouwd als de grote politieke verliezer van de afgelopen weken, maar het functioneren van de politiek en de democratie in Nederland. Dáár is Kok wel verantwoordelijk voor, en daar heeft hij schuld aan ook.

Er wordt al langer getwijfeld aan het functioneren van de Nederlandse politiek en de democratische ordening van Nederland. Nu is klagen over politiek en democratie van alle tijden, maar in sommige periodes worden klachten talrijker of hardnekkiger. Dat lijkt de laatste tijd het geval te zijn; Pim Fortuyn is er de verpersoonlijking van geworden. Maar klagen is makkelijk, zeker in algemene, brede termen. «De politiek deugt niet! Er is een democratisch tekort!» Wie zal het ontkennen? Maar ook: wie weet waarover het gaat? Wat houden zulke klachten in, gezien de reikwijdte en gelaagdheid van termen als «politiek» en «democratie»? Is er inderdaad sprake van verval der democratie in Nederland?

Die vraag is niet met een simpel ja of nee te beantwoorden. Dat lijkt de standaardreactie van de wetenschapper: het ligt genuanceerder, het is enerzijds en anderzijds, het ligt eraan hoe je ernaar kijkt. Dat is allemaal waar, maar toch is er een algemeen antwoord mogelijk op de vraag naar de stand van zaken van de Nederlandse politiek en democratie, zij het een voorlopig en bepaald niet onaantastbaar antwoord. Het bevat in elk geval twee centrale elementen: als en voorzover er sprake is van een verval van de democratie in Nederland — en in een aantal opzichten is dat onmiskenbaar zo — is dat ten eerste niet het gevolg van antidemocratische krachten maar vooral van het handelen of juist niet handelen vanuit het democratische en politieke stelsel; het verval van de democratie wordt veroorzaakt door zelfverklaarde, zogenaamde democraten. Ten tweede is het verval van de Nederlandse democratie niet zozeer het gevolg van bewust anti democratische acties of maatregelen, maar van democratische reacties op vermeende of verwachte antidemocratische acties, en bovenal van acties waarvan de gevolgen voor de bestaande en over het algemeen gewaardeerde democratische en politieke ordening niet of onvoldoende zijn doordacht.

In dit land is vrijwel niemand bewust uit op het verval, de verdraaiing of de vernietiging van de Nederlandse democratie. Er zijn geen relevante politieke partijen die serieus de kern van de staatkundige en staatsrechtelijke ordening van Nederland willen veranderen. De enige «bedreiging» van de bestaande politieke orde ligt in het theocratische ideaal van de SGP, maar dat is eerder retoriek dan een fel nagejaagde politieke doelstelling. Ook is duidelijk dat niemand Nederland werkelijk bedreigt met politiek geweld. Dergelijk geweld komt weliswaar voor, maar het is vooralsnog bescheiden van omvang, en weinig structureel of georganiseerd.

Als het verval van de Nederlandse politiek en democratie niet kan worden toegeschreven aan dergelijke antidemocratische actoren, dan komen we toch uit bij de democraten, bij wat we hier gemakshalve de politieke en democratische elite noemen. Er zijn aanwijzingen dat zij het zijn die, mogelijk (of zelfs waarschijnlijk) onbedoeld en onbewust, in hun gezamenlijk handelen (of niet-handelen) bijdragen aan het verval van de democratie in Nederland. Dan gaat het niet eens om bijvoorbeeld het verbod van een extreem rechtse politieke partij als cp’86, een marginale groepering met nauwelijks aanhang en invloed, waarvoor het zware geschut van het partijverbod is gehanteerd.

De uitholling en aantasting van democratie en politiek in Nederland liggen veeleer in de overdracht van tal van taken en verantwoordelijkheden aan «de markt» en de — althans tot voor kort — bijna religieuze overtuiging dat die markt beter, eerlijker en efficiënter werkt dan de overheid ooit zou kunnen. Daarnaast denken we aan de verschuiving van taken en verantwoordelijkheden door en van gekozen volksvertegenwoordigers naar ambtenaren, bijvoorbeeld in de vorm van interactieve beleidsontwikkeling. Democratisch gekozen en gelegitimeerde politici zetten zichzelf in dergelijke processen opzij, om ruimte te bieden aan burgers, dat is zeker waar, maar ook om ruimte te laten aan ambtenaren, die vervolgens in hoge mate zelfstandig en niet of nauwelijks democratisch gecontroleerd hun gang mogen gaan bij het maken van plannen en voorstellen. We denken aan de groter geworden rol van de rechter, nationaal en internationaal, die zaken behandelt en beslissingen neemt met een hoogst politiek karakter, uiteraard zonder daarvoor verantwoording te hoeven afleggen.

Voor de goede orde: we pleiten hier niet voor iets als een politiekgestuurde of een direct aan de politiek of burgers verantwoording af te leggen rechterlijke macht. De verschuiving van steeds grotere taken en meer verantwoordelijkheden van «de politiek» naar «het recht» is echter wel degelijk een aantasting van het bestaande representatieve bestel. En uiteraard wijst de immer groeiende rol van Europa erop dat het in zijn ogen hoogst ondemocratische handelen «ergens in Brussel» mede het resultaat is van een bewuste keuze voor een bepaald perspectief op de Europese integratie. Het is hoogst ironisch te constateren dat juist partijen als de CPN en de SGP Nederland wilden behoeden voor het verlies van soevereiniteit.

Niet alleen is er sprake van afstoten of van vrijwel ongemerkt weglekken van taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden, ook hebben, meer in het algemeen, de rol en de houding van politici — voorbeeldige democraten die volksvertegenwoordigers toch zouden moeten zijn — een negatief effect op het democratische gehalte van Nederland. Neem de beruchte kloof tussen burgers en bestuur, tussen kiezers en gekozenen. Als er sprake is van een dergelijke kloof, is dat er een van verwachtingen en onvervulde verlangens. Terwijl de wens om via een referendum te kunnen meebeslissen nog steeds niet op een serieuze manier is vervuld, houdt de politiek zich bezig met het oplossen van problemen en het vervullen van wensen die — althans in de ogen van vele gewone burgers — niet bestaan.

Bij een aantal van die non-problemen krijgen anderen de schuld; denk nogmaals aan de kloof zoals die door politici wordt gezien, en aan de gemakkelijke verwijten richting journalistiek en media. De burger haakt af, de journalist deugt niet. Voor reflectie op de eigen taak en het eigen functioneren is kennelijk veel minder aandacht. Terwijl er al veel gewonnen zou zijn als politici zich de ware aard van hun werk zouden realiseren — iets wezenlijk anders dan zomaar een baantje. De politiek filosoof Herman van Gunsteren heeft nadrukkelijk, en met argumenten, de beschuldigende vinger gewezen naar politici zelf, die door hun eigenlijke taak en verantwoordelijkheid te verloochenen, en door te ontkennen dat hun werk soms vies, niet altijd succesvol, maar wel van groot belang is, niet alleen zichzelf zand in de ogen strooien maar ook de burgers.

Politici liegen over hun werk, zo stelt Van Gunsteren, bijvoorbeeld als ze zich voordoen als gewone mensen, met een gewone baan. «Politici poseren, op tv en elders, als gewone mensen die het goed bedoelen en altijd eerlijk zijn. Daardoor misrepresenteren ze de aard van politiek, die, zoals we allen min of meer beseffen, bij gelegenheid machiavellistisch gedrag vereist, dat wil zeggen waar nodig liegen en geweld gebruiken. De politici lijken op chirurgen die volhouden dat ze nooit in lichamen snijden. Ze liegen over wat ze doen en ze misleiden dikwijls ook zichzelf door in hun eigen leugens te geloven. Daardoor worden ze incompetente politici, niet in staat te doen wat nodig is om politieke projecten tot een bevredigend einde te brengen.» Als de leugen der politici door velen wordt gedeeld, door politici zelf voor waar wordt aangenomen en wordt verspreid, en als dat liegen maar lang genoeg wordt volgehouden — ja, dan regeert de leugen werkelijk.

Is het niet ironisch dat een kabinet dat praktisch vanaf het begin is achtervolgd door zware kritiek over zijn beleid op het gebied van onder meer de WAO, immigratie en veiligheid — vraagstukken die Nederlandse burgers als buitengewoon belangrijk ervaren — uiteindelijk valt over de affaire-Srebrenica, waarvoor het zittende kabinet als geheel niet verantwoordelijk is of door de bevolking verantwoordelijk wordt gehouden. Een ramp van grote omvang, zeker, maar dat was al jaren bekend, net als het antwoord op de vraag of de Nederlandse regering en het parlement hier niet ernstig hebben gefaald. Dat wisten we al, en dat wisten Kok en de zijnen natuurlijk ook al lang. En nu, enkele dagen na het Niod-rapport, creëert de politieke elite plots een eigen, zogenaamd nieuwe realiteit die maar weinig van doen heeft met die van de overgrote meerderheid van de bevolking. Nu is er ineens verantwoordelijkheidsbesef, zo heet het, nu verbindt men met ongekende snelheid politieke gevolgen aan een ongelezen rapport.

Ook bewijzen de acties van Kok op verschillende manieren het gelijk van Van Gunsteren. Wie politiek bedrijft, maakt vuile handen. Dat kan niet anders, dat is een onlosmakelijk onderdeel van de uitoefening van het ambt. De Nederlandse bevolking blijkt dit te kunnen accepteren, de internationale gemeenschap accepteert dit zonder enige problemen, en ook het Niod accepteert dit. Alleen Kok, en in zijn kielzog meer of minder gedwongen de rest van het tweede paarse kabinet, pretendeert dat dit niet het geval hoeft te zijn. En ook niet zou mogen zijn — waarmee de aard van de politiek wordt ontkend of op z’n minst miskend.

Overigens doet men dit op een schijnbaar hypocriete manier: door op te stappen en tegelijkertijd staalhard te beweren dat men geen echte fouten heeft gemaakt. Kok kan toch iedereen in de ogen kijken? Als dat werkelijk zo is — dat wil zeggen, als men werkelijk op het moment van uitzending niet had kunnen voorzien dat de missie een fiasco zou kunnen of moeten worden —, dan is er ook geen reden om af te treden. Dan hoort dit simpelweg bij de «vieze handen» die inherent het gevolg zijn van politiek bedrijven, en politieke verantwoordelijkheid, ook zonder schuld. Maar in het land van dominees regeert het geweten, niet de politieke zuiverheid en procedurele juistheid.