Menno Hurenkamp

Politiek is geen kunst

Laat mij u uitleggen dat de politici van de LPF zeer actuele kunstenaars zijn. Het is genoeg geweest met het getier, en bovendien: met hun invloedrijke vrienden hebben ze mij als vijand niet nodig. In februari 2001 nummerde de Britse artiest Michael Landy al zijn bezittingen. Hij registreerde zijn hele boedel, van de schilderijen van bevriende artiesten tot zijn Saab en zijn stereo en cd’s. De teller stopte bij 7006 spullen inclusief bederfelijke etenswaren. Toen liet Landy in een Londens warenhuis alles publiekelijk vernietigen. Het was bedoeld als radicale demonstratie tegen het consumentisme. Maar Landy had al snel een serie uitnodigingen op zak om het kunstwerk elders te realiseren, of op z’n minst een lezing over zijn actie te geven. Zo liep hij onmiddellijk weer binnen, waarmee zijn daad een loos gebaar is geworden.

Landy’s verhaal staat in het oktobernummer van Metropolis M, dat is gewijd aan de manier waarop de hedendaagse kunst aanhaakt bij de economie. Veel moderne artiesten uiten kritiek op de hoogmoderne consumptiemaatschappij, die steeds minder draait om het maken van duurzame goederen, en steeds meer om het scheppen van imago’s en gevoelens. Daarom nemen de kunstenaars beroemde producten en hun logo’s als uitgangspunt. Ze imiteren met kleur en vorm de sfeer van een chocoladereep. Ze rijden bij wijze van kunst rond in een BMW, betaald door BMW. De gedachte is dat consumeren, kopen, eten en drinken ook interpreteren is. En interpreteren, betekenis geven aan je omgeving, is volgens de makers het dragen van cultuur. Het leidt tot een tweedehands-economie, waar hergebruik van goederen als kunst meteen kritiek inhoudt. Veel van het werk met dit uitgangspunt is speels, maar tegelijk zo ongevaarlijk dat het bedoeld lijkt als advertentie voor het te bevragen product. De kritieken blijven steken in de observatie dat het met het kapitalisme oppassen is geblazen. De kunstenaars-hergebruikers kruipen dicht op hun tegenstander, nemen diens taal over en becommentariëren hem daarmee.

Door consumeren gelijk te stellen aan kunst geven deze artiesten zich bij voorbaat over aan de door hun tegenstanders getrokken scheidslijnen. De bedrijven willen het immers dolgraag over consumeren hebben. De LPF vertaalde de uiteenlopende maatschappelijke kritiek die ze vertegenwoordigde in zo’n zelfde knieval-bij-voorbaat: door geluid maken gelijk te stellen aan politiek. De nazaten van Fortuyn liepen de arena die ze wilden slopen in met niets anders dan 26 megafoons. Daarmee zijn ze eerder vergelijkbaar met de kunstenaars van de tweedehands-economie, die wel aan de kaak stellen maar niets veranderen, dan met een serieuze politieke beweging.

De artiest Landy liet zijn hele hebben en houden vernietigen en zijn boodschap was ongewild: kijk eens hoe goed onze maatschappij werkt, ik gooi alles weg en kan gewoon weer opnieuw beginnen. Ook de LPF’ers geven zo’n ongewilde boodschap af. Ze willen graag kankeren op de domheid van alle politici, die van het land een rotzooi hebben gemaakt. Maar Herben en de anderen bedrijven een tweehands-politiek, waardoor hun missie verkeert in het tegendeel. Ze tonen aan dat het moeilijker is dan je denkt om een landje te besturen. Politiek wordt door kiezers vaak gezien via een lachspiegel. De LPF’ers buigen die tijdelijk recht en dat is een kunstwerk.