Politiek met een dubbele onderkin

HET GEBEURDE in de marge van het congres van de Britse Conservatieve Partij in Bournemouth, begin oktober dit jaar. Een verslaggever van de BBC-televisie hield Edward Heath staande. ‘Is het waar’, vroeg de reporter, ‘dat men in Bexley, uw kiesdistrict, van oordeel is dat u er mee moet stoppen? Men vindt u te oud…’ Heath bleef een seconde staan, blafte toen, duidelijk kwaad: ‘Daar weet ik niets van.’ En voort ging de ‘Father of the House’, het oudste lid van het Lagerhuis.

Die ‘ik weet van niets’-houding van Sir Edward was kenmerkend voor de man die nauw betrokken was bij een halve eeuw wereldhistorie. Het bericht 'Bexley wil van Heath af’ had in alle kranten gestaan.
Het congres leverde nóg een tragikomisch tableau op. Tijdens de dag van de grote redevoeringen waren zowel Margaret Thatcher als Ted Heath aanwezig. En de congresleiding bleek te weten hoe het hoort: ex-premiers en ex-leiders van de Partij laat je niet plaatsnemen op een theaterstoeltje. Twee luxe fauteuils waren gerekruteerd. Naast elkaar zaten ze dus. Heath naast de vrouw die hem in 1974 onttroonde nadat hij twee verkiezingen net niet had gewonnen. Het was, vond Heath, verraad. Sindsdien heeft hij nooit meer een fatsoenlijk woord met haar gewisseld. En nu moest hij naast haar zitten! Zij stram rechtop, de knieën keurig naast elkaar. Hij, dubbele onderkin, vadsig, onderuitgezakt. Bijna zou je een karakterologische vergelijking kunnen maken. Hij, Ted Heath, afgezet door de eigen partij. Nooit van de klap hersteld. En zij eveneens afgezet door de partij. Door de mannen in grijze pakken die haar de wacht kwamen aanzeggen. Maar Margaret zat daar heel zelfbewust, als een dictator op het toppunt van zijn macht.
Het historische verschil tussen Heath en Thatcher is natuurlijk dit: Heath werd door Thatcher opgevolgd, er volgden gouden jaren met een gewonnen Falklandoorlog. Zij werd, na het bezoek van de mannen in de grijze pakken, vervangen door John Major. De wegbereider voor Tony Blair.
LAAT IN dit leven (hij is 83 jaar) heeft Edward Heath zijn autobiografie gepubliceerd: The Course of My Life, ruim vijfhonderd bladzijden. In de Grote Britse Politiek is het schrijven van memoires bijna een plicht geworden. Denis Healey, minister van Financiën in een Labourregering, deed het (The Time of My Life), Harold Macmillan, premier en partijleider van de Conservatieve Partij deed het (At the End of the Day), en natuurlijk Margaret Thatcher. Zij had meer dan 1500 pagina’s nodig om háár visie op leven en politiek wereldkundig te maken: The Path to Power, in Nederlandse vertaling Mijn jaren in Downingstreet 10.
Bijna alle autobiografieën zijn apologetische geschriften. Maar boven de politieke brei uit wist Thatcher zichzelf neer te zetten als een moeder, echtgenote en politica van vlees en bloed. Ted Heath daarentegen komt over als een mentale robot. Hij moge dan van vlees zijn, enig bloed wordt nooit zichtbaar. Maar één keer komt het woord 'love’ in zijn boek voor. 'Liefde op het eerste gezicht.’ Dat slaat op zijn landgoed in Canterbury, met 'het mooiste uitzicht van Engeland’.
Zijn vader was timmerman-aannemer. Zijn moeder werkvrouw, later pensionhoudster. Studeren kon hij dankzij diverse beurzen, tot Oxford aan toe: geschiedenis en economie. En hij bracht het tot president van de befaamde debatingclub, de Oxford Union. Zijn ambitie was tomeloos, zijn tentamencijfers oogden niet altijd even briljant - dat lag uiteraard aan de docenten, niet aan hem. Hij was voor in de dertig toen hij in het Lagerhuis werd gekozen.
Tot in peuterige details verhaalt Heath in droger dan droog taalgebruik hoe hij naar Parijs ging en genoot van de Folies Bergère, hoe hij in Duitsland in een nazi-demonstratie terechtkwam, hoe hij als officier door de oorlog kwam. Hij was arm en woonde op vele kamers met vele hospita’s. En hij had 'vele goede vrienden’. Nooit een vriendin, en uit niets blijkt in al die honderden pagina’s dat ooit een man meer voor hem was dan een platonische kameraad. Je hoopt, al lezend, dat de nationale figuur Heath eindelijk iets zal onthullen over echte liefde in zijn leven. Vergeefse hoop. Wel schrijft hij in de laatste regels van zijn boek: 'Er zijn commentatoren die beweren dat ik nooit vrienden had. Zij hebben het mis. Mijn hele leven heb ik de niet aflatende steun gehad van persoonlijke vrienden, maar ik heb ervoor gezorgd dat zij niet bij enig politiek feit betrokken waren. Daardoor zijn zij nooit belaagd door de pers of andere media.’
Het ziet ernaar uit dat de geschiedenis het met deze orakelachtige woorden zal moeten doen. Het loont, lijkt het, niet de moeite er enige hermeneutiek op los te laten. In de loop van zijn relaas meldt Heath nog wel dat hij een huishoudster in dienst had. Die beschikte over een ruimte in het souterrain.
Er is één passage in deze autobiografie die illustreert welk wonderlijk zelfbeeld Heath heeft. Hij beschrijft hoe hij, kort voor het uitbreken van de wereldoorlog, in Duitsland Himmler ontmoette, de organisator van de geheime politie. 'Ik zal nooit vergeten hoe slijmerig en slonzig Himmler mij een hand gaf…’ Vreemd. Zowel in Brussel als later in Londen (ik was in beide steden correspondent) kreeg ik van Ted Heath vele keren een hand. Steeds een opmerkelijk slap handje, nooit een handdruk.
GEEN ZINNIG mens kan de illusie koesteren dat alle Grote Gebeurtenissen in de vaart der volkeren het resultaat zijn van weloverwogen beslissingen. Edward Heath, gestuwd door duidelijk ongeremde eerzucht, werd na 1950 snel whip en later chief-whip - dat wil zeggen: leider en vooral organisator - van de conservatieve fractie in het Lagerhuis. En in 1956, net veertig, was hij in Downingstreet toeschouwer bij een van ’s werelds meest spectaculaire samenzweringen: de Suez-crisis en Het protocol van Sèvres.
Het is niet duidelijk of Heath door het verhaal tot in details uit de doeken te doen de Official Secrets Act overtreedt. Mogelijk is het protocol van Sèvres bij ingewijden bekend. Maar de grote encyclopedieën noch Keesings Historisch Archief maken er melding van.
De Suez-crisis. President Nasser van Egypte besluit het Suez-kanaal te nationaliseren. Zowel Engeland als Frankrijk beschouwen die naasting als ontoelaatbaar, een casus belli. Het volgende complot wordt gesmeed: Israel zal Egypte binnenvallen. Dat zal Frankrijk en Engeland een voorwendsel geven militair in te grijpen met het argument dat het de taak is van deze twee mogendheden Egyptische legers en Israelische troepen te scheiden. Uiteraard in het belang van de vrede. De bedenker van dit hete complot was Anthony Eden, Brits premier. Ben Goerion van Israel vloog naar Parijs om te tekenen. Amerika werd overal buiten gehouden.
Edward Heath dicht zichzelf een hoogst edele en intelligente rol toe. Maar vijf mensen wisten van de samenzwering. Heath was een van de vijf en hij doorzag, schrijft hij, helder de gevaren. 'Ik deed mijn uiterste best Eden van gedachten te doen veranderen, ik zei hem dat het onwaarschijnlijk was dat hij zou worden geloofd (…), de waarheid, als die uitkomt, kan tweespalt in het land tot gevolg hebben.’
Heath constateert droog dat Eden niet alleen het Lagerhuis misleidde door het bestaan van enig complot te ontkennen, Eden gaf kort daarna ook opdracht alle papieren - in werkelijkheid dus hét protocol - te vernietigen. Hetgeen geschiedde.
EDWARD HEATH was uiteraard de politicus die Engeland Europa binnenloodste, en alleen dat al maakt hem tóch tot een historische figuur. En, het zij gezegd, aan zijn brede visie op de toekomst van ons continent valt niet te twijfelen. En die had hij al in de jaren zestig, nog voor generaal De Gaulle de toetreding van het Verenigd Koninkrijk blokkeerde (Engeland was vooralsnog niet bereid de band met de Verenigde Staten te slechten). Niet alleen voorzag Heath een samensmeltend Europa, hij was, toen al, volstrekt overtuigd van de noodzaak te komen tot een economische en monetaire unie. Hij was een van de eersten of mogelijk echt de eerste die de afkorting Emu gebruikte.
Toen de toetreding in 1973, ná De Gaulle, toch lukte en hij naar Brussel toog om het verdrag te ondertekenen (het lot wilde, gelukkig voor hem, dat hij toen premier was van het Verenigd Koninkrijk), beleefde hij de grootste dag van zijn leven. Vele politici vergezelden hem, ook leden van de liberale oppositie. Labour-politicus Harold Wilson, leider van Hare Majesteits Loyale Oppositie, koos die dag voor een voetbalwedstrijd.
Heath kwam uiteraard Harold Wilson vele keren in de politieke arena tegen. Hij kan, ook nu nog, slechts verachting opbrengen voor het referendum dat Wilson organiseerde toen hij Heath in 1974 opvolgde over de vraag: 'In Europa blijven of er alsnog uitgaan…?’ Het volk gaf tenslotte het aanblijven een historisch 'ja’ mee. Maar bladzij na bladzij in zijn bio laat Heath weinig twijfel over zijn oordeel. Harold Wilson was een klein, bekrompen mannetje, zonder visie. Partijpolitieke belangen op de heel korte termijn bepaalden het beleid van Wilson en de Labour Party, niet het landsbelang. Heath moge gelijk hebben met zijn waardeoordeel over Wilson en Labour. Maar de waarheid is natuurlijk dat Harold Wilson als politiek jongleur en podiumartiest het aan alle kanten won van de in zichzelf gekeerde Heath.
HET WEINIG glorieuze politieke einde van Ted Heath in de winter van 1973-1974 werd veroorzaakt door gigantische sociale onrust. Heath probeerde wanhopig in zijn - enige - regeerperiode (1970-1974) de macht van de vakbonden in te dammen. Hij ontwierp de Wet op de Industriële Betrekkingen. Een van de pijlers van zijn benadering was: vriendschap scheppen met de leiders. En inderdaad: Vic Feathers, een van de grote vakbondsmannen uit die tijd, werd een vriend. Maar liet hem hopeloos in de steek toen de keus moest worden gemaakt tussen wet en achterban. Het liep allemaal uit op de driedaagse werkweek, een mijnwerkersstaking, een work-to-rule bij de spoorwegen. Hij ging, menend te kunnen drijven op de chaos in het land (de doden werden niet meer begraven) de verkiezingen in. En haalde het net niet. Pas jaren later, na de triomf van Thatcher in 1979, slaagde zij erin de absurde macht van de vakbonden te breken.
VOOR VAKMENSEN - politici, historici, sociologen, vakbondsbestuurders, journalisten - is The Course of My Life natuurlijk bijna verplichte kost. Maar mogelijk schuilt de grootste waarde van al die tienduizenden woorden in de petite histoire. Heath dicht zichzelf een onwaarschijnlijk grafisch geheugen toe. Hij geeft hele brokken conversatie weer, met aanhalingstekens en al, waarvan de exactheid dubieus is.
Grappig en ook wat zielig komt dit naar buiten als hij beschrijft hoe Margaret Thatcher hem in zijn woning komt opzoeken, een dag nadat de partij hem had afgezet en haar tot leidster had gekozen. Ze kwam, beschrijft Heath, uitsluitend omdat ze van hem wilde horen hoe ze met de pers moest omgaan; daar had hij, Heath, ervaring mee. 'Ik zei haar dat zoiets een individuele zaak was.’ Het onderhoud duurde slechts een paar minuten. Maar Thatcher vroeg of ze wat langer mocht blijven, de pers zou een verkeerde indruk kunnen krijgen van wat zich had afgespeeld.
Thatchers beschrijving in haar memoires geeft een geheel andere lezing. Ze werd naar zijn studeerkamer geleid, kwam binnen en moest ervaren dat Heath bleef zitten en haar geen hand aanbood. Thatcher beschrijft dat ze niet van plan was te blijven staan en plofte zelf neer op een stoel. Ze vroeg hem of hij toch geen portefeuille wilde accepteren in haar schaduwkabinet. Ze was blij dat hij dat weigerde, hij zou alleen maar lastig geweest zijn. 'Binnen enkele minuten stond ik weer op straat.’ Indien de versie van Thatcher de juiste is - en er is weinig reden daaraan te twijfelen - dan is enige reserve ten opzichte van Heaths herinneringen op zijn plaats.
Moeten we Heath geloven dan was onze illustere minister van Buitenlandse Zaken Josef Luns groots in bijtende diplomatieke taal. Couve de Murville, Frans minister van Buitenlandse Zaken snauwde Luns eens toe: 'Jullie Hollanders zijn altijd de knechten geweest van de Britten.’ Antwoord van Luns: 'Ja, in de zin dat men van u, de Fransen, zou kunnen zeggen dat u, de Fransen, altijd de grondstof zijn geweest voor de Britse overwinningen.’ Se non è vero…
TITO VAN Joegoslavië werd tachtig. Een interne aangelegenheid, lieten de Zuid-Slaven weten - geen geschenken. De Duitsers speelden vals. Ze stuurden Tito toch 180 flessen witte wijn. Grote opschudding in diplomatiek Belgrado. De Zwitsers kwamen snel af met een platina horloge. De Belgen bleven niet achter: een geweer. Heath: ik herinnerde mij van een bezoek van Tito aan Engeland dat hij van Schotse whisky hield. Van een bepaald merk: Chivas Regal. Dus stuurden we hem twee kisten. En elk jaar op zijn verjaardag hebben we hem een kist gestuurd, tot zijn dood in 1980.
Altijd goede betrekkingen gehad.
Heath verkeerde met de groten der aarde. Saddam Hussein, Franco, Göring, Pompidou, koningin Elisabeth, De Gaulle, Nixon ('het zou triest zijn als zijn presidentschap werd beheerst door Watergate…’).
HEATH is er trots op dat hij als musicus alle grote orkesten van de wereld heeft mogen dirigeren. Dat hij bijna altijd voor die eer moest betalen, verzuimt hij te melden. Hij is zeer welgesteld geworden door het houden van lunchredes over de hele wereld. Niets daarover. Hij heeft, als we de financiële Britse pers moeten geloven, eens een enorm vermogen verloren doordat hij een 'name’ (risicodragend aandeelhouder) was bij verzekeraar Lloyds en verlies moest meefinancieren.
Hij leerde op zijn vijftigste zeilen en werd de eigenaar van, achtereenvolgens, drie Morning Clouds. Hij schrijft aan het begin van een hoofdstuk: 'Een persoonlijke tragedie trof me, het verlies van Morning Cloud.’ Het schip ging ten onder in een storm, Heath zelf was niet aan boord. Pas enkele alinea’s later lezen we dat twee leden van de bemanning daarbij waren omgekomen, onder wie een petekind.
Na The Course of My Life weten we veel over het politieke leven in Groot-Brittannië van 1950 tot heden. Maar niet genoeg over Edward Heath.