Hoofdcommentaar

Politiek misbruik van het verleden

Geschiedenis is een grabbelton. Soms dient grabbelen een hoog belang. Bijvoorbeeld als de gruwelijkste oorlog in Europa wordt herdacht, of dat nu ingetogen gebeurt om de slachtoffers te herdenken dan wel martiaal om de bevrijding te vieren. Maar dat ontslaat regeringsleiders hier en nu geenszins van de plicht de geschiedenis niet onbeschaamd te gebruiken. Dat nu was de afgelopen meidagen van menig staatshoofd te veel gevraagd. Dieptepunt was het besluit van president Saakasjvili van Georgië en Alijev van Azerbeidzjan om 9 mei in Moskou verstek te laten gaan bij de plechtigheid ter ere van de «overwinning» op nazi-Duitsland. Joesjtsjenko van Oekraïne overwoog dat ook maar bedacht zich. Waarom? Had die stap iets te maken met zestig jaar geleden? Allerminst.

Alijev zag af van een reis naar Moskou omdat hij niet aan één tafel met Kotsjarian van Armenië gezien wil worden. Haat die uit de Tweede Wereldoorlog dateert? Nee, haat uit de laatste jaren van de Sovjet-Unie, toen de enclave Nagorno-Karabach door de Armeniërs op Azerbeidzjan is veroverd.

Saakasjvili ging niet naar Rusland wegens een conflict over de snelheid waarmee de Russische bases in de Kaukasische republiek moeten worden ontmanteld. Georgië wil de militairen in tweeënhalf jaar weg hebben, Moskou wil daarover vier jaar doen. Over de opstand van op Texel geïnterneerde Georgische soldaten uit de Wehrmacht, vlak voor de bevrijding van Nederland, had Saakasjvili vorige week veel minder opvattingen. En het minimausoleum voor de oorlogsleider («vozjd») staat een jaar na de rozenrevolutie nog overeind in Stalins geboortedorp Gori in Georgië. Daaraan heeft Saakasjvili zijn vingers niet gebrand, net als al die Russische leiders het sinds 1991 niet hebben aangedurfd het mausoleum in Moskou te sluiten of de Lenin-standbeelden op de centrale pleinen van nagenoeg alle grote steden te slopen.

Natuurlijk, president Poetin jaagt menigeen tegen zich in het harnas. De historiografie op staatsniveau is in Rusland tot stilstand gekomen. Wat glasnostideoloog Jakovlev, de progressieve rechterhand van Gorbatsjov, vijftien jaar geleden is begonnen, is niet voortgezet. De wroeging en wrok over het verval van de «grootse macht» van weleer zitten de «verwerking van het verleden» nu in de weg. Bij de herdenking van de bevrijding van Auschwitz begin dit jaar verklaarde Poetin dat Rusland het grootste offer van alle geallieerden had gebracht voor de redding der joden. Dezelfde president die een paar maanden later de teloorgang van de Sovjet-Unie als ramp betitelde, dezelfde Sovjet-Unie die tussen 1945 en 1991 meestentijds verdonkeremaande dat de nazi’s het niet alleen op de communisten hadden gemunt maar ook uit waren op de Endlösung van de joden. Diplomaten ontketenden een publiciteitsoffensief om het Molotov/Ribbentrop-pact van 1939 in eng nationaal perspectief te plaatsen – wie offerden Tsjechië in 1938? Chaimberlain en Daladier! – zodat dit duivelspact het logische gevolg moest lijken. De minister van Defensie presteerde het om de bezetting van de Baltische landen na 1944 geklets te noemen omdat «niemand kan bezetten wat hem al toebehoort», een bewering die in het licht van de eeuwigheid niet totaal onzinnig is maar in dat van de twintigste-eeuwse geschiedenis van Rusland een brutaliteit.

Rusland is niet uniek – begin jaren zestig dacht minister Luns van Buitenlandse Zaken nog dat Indonesië bijna twee decennia na haar onafhankelijkheid als eenheidsstaat eigenlijk niet mocht bestaan – maar treurig blijft het. Oók voor de Russen zelf, die in hun familie altijd wel één verwant hebben die het slachtoffer is van Goelag of oorlog.

De houding van Poetin irriteert vooral de drie Baltische landen. De presidenten van Litouwen en Estland waren daarom niet in Moskou. Begrijpelijk, al getuigt het niet van hernieuwd zelfbewustzijn nu ze zich mogen verheugen in de rugdekking van Navo en EU. De Poolse president Kwasniewski was wel overgevlogen, hoewel geen enkele Russische staatsman ooit een knieval heeft gemaakt à la Willy Brandt in Warschau. Is het indrukwekkende monument bij de Russische stad Smolensk voor de Poolse officieren die na het pact door de geheime dienst NKVD in de bossen van Katyn zijn vermoord voldoende? Kwasniewski kiest andere momenten voor onaangename gesprekken over het verleden.

Wat is er aan de hand? Met terugwerkende kracht wordt her en der ontkend dat er in de laatste vier jaar van de Tweede Wereldoorlog sprake was van een alliantie tussen drie landen: Verenigde Staten, Sovjet-Unie en Groot-Brittannië. Hun leiders hielden niet con amore van elkaar. Maar ze trokken wel samen op voor een, op dat moment goddank, gedeeld belang. De conferenties van Teheran (1943), Jalta (1944) en Potsdam (1945) hebben Europa vervolgens verscheurd. Maar ook Roosevelt, Truman en Churchill waren daarbij. Volgens de memoires van de laatste was hij het die het befaamde kaartje van naoorlogs Europa aan de «vozjd» doorschoof. Op bezoek in Riga trok president Bush nu een boetekleed aan. Jalta was volgens hem «een van de grootste fouten in de geschiedenis». Churchill had dat in 1946 ook al laten doorschemeren toen hij in Fulton, Missouri het begrip «ijzeren gordijn» gebruikte.

Zeker van belang. Net als andere vragen. Want wat er zou zijn gebeurd als de Battle of Britain niet was mislukt, Stalingrad wel was gevallen, Amerika de Sovjet-Unie niet met voedsel en materieel had gesteund, de invasie in Normandië vroeger was begonnen, de oorlog in de Pacific het Rode Leger in de rug niet had ontlast, áls…

Voor de geschiedschrijving is if-history een methode om verder te zoeken en te analyseren. Maar laat die benadering over aan meesters in dit genre, zoals Sebastian Haffner.

Eigenlijk zijn er de afgelopen week twee staatshoofden geweest die het verleden verstandig in de ogen keken. Bush, die de bevrijding van toen weliswaar in abstracte termen extrapoleerde naar zijn mondiale project nu maar niet verder in detail trad. En president Vike-Freiberga van Letland, die wel in Moskou was, al blijft zij vinden dat «Rusland immens voordeel zou hebben als het de misdaden van het sovjetbewind eerlijk zou betreuren».

Als Europa toekomst heeft, dan belichaamt Vike-Freiberga die.