Politiek naakt

Voor het o zo politiek correcte Amsterdamse Documentaire Festival was de keuze voor Haiti: Uden titel (Haiti: Zonder titel) van de Deense filmmaker Jorgen Leth als openingsfilm een opmerkelijke.

Er werd op de openingsavond maar matig geklapt en zelfs voorzichtigjes boe geroepen - en dat had niets met de cinematografische kwaliteit van de film te maken. De film van Leth is bijzonder, origineel en binnen zijn zelfgekozen, zeer persoonlijke stijl ook goed gemaakt. Het bezwaar richtte zich - dat was in de wandelgangen na afloop duidelijker waar te nemen dan in de zaal - tegen enkele specifieke scenes waarin een Haitiaanse schone frontaal naakt in beeld werd gebracht. Dat de donkere schoonheid die in de slotbeelden in het bed van de filmmaker (hoe wist men dat het zijn bed was?) lag te draaien een andere was dan in het begin van de film viel ook niet in goede aarde. Een (al of niet betaalde) vriendin is kennelijk nog tot daar aan toe, maar bij twee mag je boe gaan roepen. Toppunt van hypocrisie, die inherent is aan politiek correcte opvattingen, was dat de beelden van de minstens zo fraaie blote autochtone vrouwen die in een rivier zichzelf en hun kleren wasten, wel door de beugel konden. Alsof het oog van de filmmaker hier zou zijn geleid door edele etnografische motieven in plaats van exotische en vooral erotische.
Op dit soort momenten realiseer je je weer dat de film nog steeds achterligt op de andere kunsten. Wat Leth in zijn op Haiti gemaakte ‘naaktstudies’ laat zien is in wezen hetzelfde als wat Paul Gaugain een eeuw eerder op Tahiti op het doek zette. Gaugain deed ook meer dan het maken van geile plaatjes van zijn lokale vriendinnen en wie dit zou willen aanvechten, wordt tegengesproken door een eeuwenoude Europese schilderkunstige traditie en de plaats daarin van het vrouwelijk naakt. De naakten van Leth staan dicht bij Gaugain en die schilderkunstige traditie en ver van pornofilms en shampooreclames. Leth had overigens meer te bieden dan impressies van Haitiaanse naaktmodellen. Leth woont en werkt (behalve filmer is hij ook schrijver en journalist) al een aantal jaren op Haiti. Enkele jaren geleden maakte hij er al de film Traberg die ik persoonlijk nog beter vind dan zijn nieuwste. Traberg is een wonderlijke mengeling van speelfilm en non-fictie en gaat over een op een surrealistisch en exotisch eiland wonende dichter in wie zonder moeite Leth zelf te herkennen is. Binnen de fictie drong de wrede realiteit van het door militaire onderdrukking, corruptie en armoede geplaagde eiland (eigenlijk maar een half eiland, de andere helft is de Dominicaanse Republiek) binnen als flarden uit een nachtmerrie.
In zijn laatste film bewandelt Leth eigenlijk een omgekeerde weg. Hij geeft een beeld van een wanhopige samenleving waar de lijken als verwaaide kranten op straat liggen, de kinderen vechten om verrotte etensresten uit een vuilniswagen en zwaarbewapende Amerikaanse para’s het verkeer staan te regelen. Binnen die onthutsende realiteit gaat hij op zoek naar de momenten van fictie die hij bijvoorbeeld vindt tijdens de krankzinnige voodoorituelen op dit krankzinnige eiland. Leth vindt vaak terloopse manieren om de Haitiaanse werkelijkheid in beeld te brengen. Zo wordt de onbeholpenheid van de Amerikaanse bezettingsovermacht volledig duidelijk gemaakt door het afluisteren van een soldaat die naar huis belt. Zijn onvermogen om het thuisfront duidelijk te maken waar hij is en wat hij er moet doen, spreekt boekdelen over het lompe schaakspel van Washington met de politieke situatie op het armste (halve) eiland binnen de gordel die loopt van Cuba tot Grenada. Leth filmde veel met een kleine hi-8 videocamera en drong zo als onschuldige toerist, vermomde amateur en mede-eilander dieper door in de waanzin die Haiti is dan een professioneel uitgerust reportageteam ooit zou kunnen doen. De notities op video werden opgenomen en opgeblazen in een eigenzinnige en krachtige bioscoopfilm, zoals een schilder zijn schetsen kan uitwerken in een verontrustend en fonkelend schilderij.